Snel zoeken:
Pausdom

De pretentie van het pausdom

Dit artikel is opgesteld naar aanleiding van een vraag die mij gesteld werd en die luidde
'In een oud boek door een rooms-katholiek geschreven staat dat het pausdom teruggaat tot op Clemens 1 die omstreeks 90 na Christus leefde. Deze eerste paus zou de apostelen nog gekend hebben. Hoe zit dat eigenlijk?'

De beantwoording van die vraag gaat 'op het scherpst van de snede', om zo te zeggen. Bij voorbaat wil ik echter stellen dat mijn antwoord niet scherp bedoeld is voor Roomskatholieke gelovigen.. Voor zover zij werkelijk bekeerd zijn en geloven in Jezus Christus als hun Heiland beschouw ik ze als mijn broeders en zusters in de Heer. De scherpte van mijn antwoord heeft alleen te maken met het Roomskatholieke kerksysteem waarvan het pausdom een centraal onderdeel is.

De heer J.F. Nuyens weet in het boek 'Geschiedenis der pausen' het nog sterker te vertellen dan in het oude boek staat waar de vraagsteller op doelt. Hij beweert namelijk, dat de eerste paus na Petrus een zekere Linus was, die geregeerd zou hebben van 67-79. Dan komt Cletus van 79-89 en vervolgens de bovengenoemde Clemens' van 89-97.
Wat moeten we hier mee aan? Wel een gezegde luidt: 'papier is geduldig', d.w.z. je kunt er van alles op schrijven, het papier protesteert niet al is er niets waar van wat er op staat. Maar ter zake, het probleem van het pausdom valt als volgt in punten uiteen:
a. Was Petrus de eerste paus ofwel
1. Is hij bekleed met het oppergezag over de Kerk?
2. Is hij de plaatsvervanger van Christus op aarde?
b. Als dit al zo zou zijn, waar blijkt dan uit de Bijbel, dat:
1. Hij zijn priesterschap moest overdragen aan opvolgers?
2. Deze opvolgers per se bisschoppen van Rome moeten zijn?
c 1 Moet een volgende paus door een vorige paus zijn aangesteld, of
2 moet een college van kardinalen of dergelijke dat bepalen?
d 1 Is er in geval c1 een ononderbroken rij van pausen geweest?
2 Heeft een aanstelling als onder c2 bedoeld altijd plaatsgevonden?


ad a 1 De R.K. Kerk beroept zich op Mt 16:18 om te claimen dat Petrus door de Heer Jezus als hoofd van de Kerk is aangesteld.Ten aanzien van deze tekst valt het volgende op te merken:
-: Mt.16:18 zegt niet at de Kerk of Gemeente op Petrus als DE rots is gebouwd. Door een woordspeling wijst Christus op Zichzelf als de rots. Dit stemt overeen met het O.T. waar God de rots van het heil wordt genoemd.
- Ef.2:20 spreekt over her fundament van apostelen en profeten waarvan Christus Jezus de hoeksteen is. De belangrijke steen is Christus. Petrus is net als de andere apostelen en profeten slechts een gewone steen in het fundament.
- Mt.16:19 zegt niet dat Petrus de sleutels van de hemel heeft ontvangen, maar de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Dat Koninkrijk is het rijk van God hier op aarde en het wordt gevestigd door prediking. Ofwel geopend door prediking. God heeft Petrus uitverkoren om die 'openingsplechtigheid' te voltrekken. Te Jeruzalem ontsloot hij het rijk voor de Joden door zijn prediking op de Pinksterdag. Te Caesarea in het huis van Cornelius ontsloot hij het voor de volken (vergelijk Hd 11:18). Dat deze tekst daarop betrekking heeft volgt ook uit Mt 23:13 en Lk 11:52 waar we van sluiten en niet - binnengaan lezen.
Deze bevoorrechte plaats van Petrus heeft echter niets met een primaatschap te maken, want 'het binden en ontbinden' wordt in Jh 20: 22, 23 alle apostelen toebedeeld.
Wat de prediking onder de volken betreft is Petrus - om zo te zeggen - volkomen overvleugeld door Paulus die God daartoe geroepen heeft.
- Op de vergadering te Jeruzalem spreekt niet Petrus het laatste en beslissende woord, maar Jacobus en het uitgaan van de brief met voorschriften wordt niet door Petrus geregeld, maar door al de apostelen tezamen met de oudsten en de hele gemeente (Hd 15: 22).
- Als Petrus te Antiochië tot huichelarij vervalt, wordt hij openlijk door Paulus bestraft (Gl .2:11-14).
- Zoals aan Petrus het evangelie voor de besnedenen is toevertrouwd, zo is dat voor de onbesnedenen (en dat zijn er veel meer) aan Paulus toevertrouwd (Gl 2: 7-9). Daarbij is het opvallend, dat we veel meer brieven van Paulus hebben dan van Petrus en dat de inhoud ervan die van de brieven van Petrus ver overstijgt. Niet aan Petrus, maar aan de Paulus is de 'verborgenheid' van de plaats van de individuele gelovige en van de gemeente in Christus geopenbaard.

Van een oppergezag, van een primeurschap van Petrus weet de Schrift dus NIETS.


ad a2
- Christus heeft als Plaatsvervanger van Hemzelf niet Petrus aangewezen, maar de Heilige Geest. Teksten als Jh.14:16, 26; 15: 26; 16: 7, 13 spreken hierover duidelijke taal.
- In het boek de Handelingen vinden we hoe de Heilige Geest de gelovigen geleid heeft. Hij heeft de funktie van Leidsman op aarde 'overgenomen'. Niet aan Petrus heeft God deze taak toebedeeld.

ad b1
- God heeft Mozes geroepen om het volk uit Egypte te voeren. Door zijn zonde mocht Mozes het volk niet in het land brengen.. Hij was wel 'de overste leidsman', maar niet de 'voleinder' (verg. Hb 12:2), dat laatste werd Jozua. God heeft echter Mozes duidelijk opgedragen Jozua als opvolger aan te stellen. Daarna heeft God echter niet aan Jozua opgedragen een plaatsvervanger aan te stellen en geen Israëliet heeft ooit de euvele moed gehad zich als de opvolger van Jozua op te werpen. Van een doorlopend leiderschap in Israël was geen sprake. De richters werden op een bepaald moment, spontaan om zo te zeggen verwekt. Dit is een sprekend voorbeeld.
- Petrus is beslist niet de minste van de apostelen geweest. Hij heeft een vooraanstaande positie onder de apostelen ingenomen. Maar nooit heeft God hem gezag over zijn medeapostelen of over de Kerk of Gemeente gegeven. en nergens lezen we uiteraard dat Petrus de opdracht krijgt een zogenaamde opvolger aan te stellen. In de christenheid is men echter wel zo vermetel geweest een 'plaatsvervanger' te creëren.

ad b2
- Ten tijde van het koningschap (Davidische) in Israël was er één bijzondere plaats op aarde waar God verkoren had zijn naam te vestigen en dat was Jeruzalem.
- In zijn antwoord aan de Samaritaanse vrouw geeft de Heer echter aan, dat de bevoorrechte plaats van Jeruzalem vervallen is. Er is geen bijzondere heilige plaats waar we als christenen naar toe moeten gaan om er God te aanbidden of er bepaalde religieuze handelingen te verrichten of waar gezagsdragers zijn die de Kerk zullen leiden.
- Van een bijzondere plaats van Rome of van een of meer gelovigen daar, weet de bijbel NIETS. Of toch wel? Ja, maar dan in negatieve zin. In Op 17 wordt de valse kerk, de grote hoer beschreven als gezeten op de zeven bergen of heuvelen. Dit wordt ook door R.K-exegeten gezien als een aanduiding voor Rome.!

ad c1
- Als het zogenaamde primaatschap van Petrus overgedragen had moeten worden, dan had dit door de primaat zelf in de loop der tijden moeten gebeuren wilde men een gezaghebbende successie (opvolging) gehad hebben en wilde elke 'paus' voor zich gezag hebben. Denk terug aan de overdracht van gezag en kracht van Mozes op Jozua. Van een voorschrift voor een dergelijke overdracht door Petrus op een opvolger lezen we niets in de Schrift. In de geschiedenis is er ook geen bewijs van te vinden dat Petrus zijn gezag aan een opvolger heeft over gedragen. Het zogenaamde getuigenis daarover is uit later tijd en volkomen onbetrouwbaar

ad c2
- Van een voorschrift tot aanstelling van een opvolger van Petrus door een
of ander gezagscollege weet de Schrift eveneens helemaal niets. De wijze van opvolging van de pausen zoals wij die nu kennen is een puur menselijke uitvinding.



ad d1
- De geschiedenis laat zien dat er van een regelmatige pauskeuze door een vorige paus geen sprake is geweest. Dit is een niet te loochenen feit dat door R.K-exegeten ook openlijk wordt toegegeven

ad d2
- De pauskeuze heeft ook niet reglementair door eenzelfde gezagscollege plaatsgevonden. Er heeft de grootste willekeur geheerst. Soms wees een keizer een paus aan, een andere keer deed het volk van Rome het. Er is zelfs een tijd geweest dat er meer dan één paus was,waarvan de een het gezag van de ander betwistte. Daarnaast zijn er pausen geweest die de meest immorele daden gepleegd hebben (incest met een eigen dochter), zoals algemeen bekend is.

Leergezag en traditie
Aangezien de Schrift volkomen zwijgt over een zogenaamde pauselijke opvolging beroept Rome zich op het leergezag van de Kerk en op de traditie. Hiervan geldt het volgende:

ad Leergezag
- Van een leergezag van de Kerk of van de Gemeente weet de Schrift eveneens niets
In Op 2:7, 11, 17, 29; 3:7, 13,, 22 wordt niet gezegd 'wie oren heeft, die hore wat de Geest door de gemeente zegt', maar 'wie oren heeft die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt' God spreekt door Zijn Geest tot de Kerk en ieder die oren heeft, heeft daarnaar te luisteren en die is dus ook instaat om na te gaan of de gemeenten zich wel houden aan wat de Geest gezegd heeft.
- Paulus draagt - ziende op de toekomst - de oudsten te Efeze en in hen de gelovigen in het algemeen niet op aan de bisschop te Rome, evenmin aan het leergezag van de Kerk (dat ze niet bezit), maar 'aan God en aan het Woord van zijn genade' (Hd 20:32).

ad Traditie
- de Schrift verwijst ons nooit naar de traditie als gezagsbron en
- wie garandeert ons dat de traditie 'onfeilbaar' juist gebleven is?
- de geschiedenis laat zien, dat de traditie al heel gauw van het bijbels model van de gemeente is afgeweken.

Ontwikkeling van het pausdom
Aan het ontstaan van het pausdom is een bepaalde ontwikkeling vooraf gegaan, waarvan het volgende te zeggen valt:
- In de bijbel is sprake van het ambt van 'ouderling' (presbiteros) en dat van 'opziener' (episcopos). Maar hierbij gaat het om een en dezelfde dienst of ambt. De ouderlingen zijn tevens opzieners. Dit blijkt uit Hd .20:17 in vergelijking met vers 28 en uit Tt 1:5 i.v.m. 7.
- In de loop der tijden ging men onderscheid maken tussen de opziener en de ouderling. Zo werd het ambt van bisschop (afgeleid van episcopos) gecreëerd. Deze stelde men boven de oudsten en de diakenen.
- Als er vanuit een bepaalde plaats gemeenten in andere, onderhorige, plaatsen ontstonden dan werd de bisschop van de moedergemeente belangrijker geacht dan de bisschoppen van de dochtergemeenten. Zo ontstond de figuur van aartsbisschop. Van belangrijke steden zoals Jeruzalem, Antiochië, Konstantinopel e.d. achtte men de bisschop ter plaatse nog weer belangrijker en zo kregen we te maken met het begrip 'patriarchen'. Deze moesten natuurlijk ook in naam van elkaar onderscheiden worden en zo kreeg de voornaamste aartsbisschop (dat werd die van Rome) de naam paus (van 'papa'= vader. Deze naam droegen de bisschoppen vroeger allen, maar hij werd nu in bijzondere zin aan de bisschop van Rome toegekend). Het noemen van een mens met de naam 'heilige vader' is natuurlijk lijnrecht in strijd met het woord van de Heer Jezus dat we op aarde niemand 'vader' hebben te noemen als een betiteling voor een medegelovige.

Het getuigenis van Petrus
Bij dit punt is van belang na te gaan wat Petrus zelf in zijn brieven schrijft (en wat hij niet schrijft:
- Petrus noemt zichzelf geen paus, maar is slechts een oudste onder medeoudsten (1 Pt 5:5).
- Hij zegt niet dat de Kerk op hem gebouwd is, maar op Christus de levende steen tot wie we moeten komen als levende stenen om opgebouwd te worden tot een geestelijk huis (1 Pt 2: 4, 5).
- Hij weet niets van een apart, hogerstaande priesterklasse met de paus aan het hoofd, maar zegt dat alle gelovigen priesters zijn (1 Pt 2:5).
- Terwijl hij zijn heengaan voor ogen heeft, wijst hij geen opvolger aan, maar herinnert hij de gelovigen slechts aan de hen reeds bekende waarheid (2 Pt .2:14-15).

Het getuigenis van o.a. kerkvaders
Er zijn lijsten van opvolgende bisschoppen van Rome opgesteld maar:
- de historische waarde - vooral wat de beginperiode betreft - is hoogst twijfelachtig
- de genoemde Clemens 1 is geen éénhoofdig bisschop geweest, laat staan dat hij paus was. Als de eerste brief van Clemens werkelijk van deze Clemens is dan blijkt daaruit, dat hij te Korinthe en te Rome niet het éénhoofdig bisschopsambt kent.
- Ook in latere geschriften als 'de brief van Ignatius' (110 n Chr.) en 'de Herder van Hermas' is van een éénhoofdig bisschopsambt (laat staan van het pausambt) geen sprake.

Het bovenstaande moge voldoende zijn om te spreken van de pretentie van het pausdom.