Snel zoeken:
Wetten - Ceremonieel / Moreel / Maatschappelijk

Betreft: CeremoniŽle, maatschappelijke en morele voorschriften van het O.T.

Vraag: Hoe weten we welke Oudtestamentische voorschriften wel voor ons als Nieuwtestamentische christenen gelden en welke speciaal aan IsraŽl gegeven zijn?

Antwoord:
Rm 5:14 zegt, dat we niet onder de wet, maar onder de genade staan. Rm 7: 4 geeft aan, dat we als gelovigen voor de wet gedood zijn. Dit uitgangspunt moeten we goed vasthouden!
Betekent dit nu, dat de maatschappelijke, de morele en de ceremoniŽle voorschriften van het O.T. ons niets te zeggen hebben? Die gedachte is onjuist. De hele bijbel is Gods woord, ook het O.T. en we hebben het onderricht dat erin staat ter harte te nemen. Wel zullen we ons goed moeten afvragen in welke zin we er iets mee te maken hebben.
Vooraf nog een opmerking: als we spreken over ceremoniŽle, maatschappe- lijke en morele voorschriften van het O.T. dan moeten we wel bedenken, dat alle voorschriften een moreel aspect hebben. In feite kun je dus geen strikte driedeling aanbrengen. Wel is het zo, dat het ene of het andere aspect bij een bepaald voorschrift meer nadruk krijgt.

CeremoniŽle voorschriften
We lezen in Dt 22:12 en Nm 1: 38 dat de IsraŽlieten aan de hoeken van hun kleren gedenkkwasten moesten maken. In Nm 15 staat erbij dat die kwasten, waarin een blauwpurperen draad verwerkt was, hen constant moesten herinneren aan de geboden van God. De blauwpurperen draad spreekt van de hemel. Dat moest de IsraŽliet eraan herinneren dat de geboden die God het volk gaf geen geboden van mensen zijn, maar van de majestueuze God, die in de hemel troont.
Letterlijk hebben wij met dit voorschrift niets te maken, maar het heeft ons wel wat te zeggen. Zoals IsraŽl altijd moest denken aan de geboden van God, zo behoren wij te denken aan alles wat God ons in zijn woord heeft bekendgemaakt. We hebben daar in de praktijk van ons leven rekening mee te houden. We hebben geen gedenkkwasten om ons daaraan te herinneren, maar we wekken ons zelf en elkaar daartoe op.

Met de levitische offerdienst met al zijn ceremoniŽle handelingen hebben we in letterlijke zin niets te maken, maar al de offers wijzen heen naar Christus en zijn werk. In alle voorschriften zitten elementen die ons iets te zeggen hebben. Neem bijv. het voorschrift dat het lichaam van het zondoffer dat op de grote verzoendag voor het volk werd gebracht, buiten de legerplaats verbrand moest worden. Hb 13:10-13 laat zien, dat dit slaat op het feit, dat Christus buiten Jeruzalem zou sterven. Voor de Jodenchristenen in die tijd wordt er het bevel mee verbonden om tot Christus uit te gaan buiten de Joodse legerplaats, waar geen plaats voor Christus was. Zo zullen wij elk godsdienstig systeem hebben te verlaten, waar voor Christus geen plaats is.
Er zouden meer voorbeelden te noemen zijn, maar deze puur ceremoniŽle voorschriften zijn heel gemakkelijk te herkennen.

Maatschappelijk voorschriften
De maatschappelijke voorschriften hebben nog duidelijker dan de ceremoniŽle, ook een morele kant. Puur praktische regels, zoals rechts (links) houden in het verkeer, kom je in de Bijbel eigenlijk niet tegen.
In Dt 25: 4 lezen we: 'Gij zult een dorsende os niet muilbanden '. Hier zit natuurlijk een morele kant aan. God wilde dat de IsraŽliet hart had voor zijn beesten. Die os spande zich in en die moest te eten hebben. In letterlijke zin, zegt dit voorschrift ons weinig. Wij dorsen mechanisch. Maar in figuurlijke zin heeft dit voorschrift ons veel te zeggen. Laten we maar eens naar 1 Ko 9: 9,10 kijken. Daar haalt Paulus dit voorschrift aan en zegt hij: 'Bemoeit God Zich soms met de ossen? Of zegt Hij dit in elk geval om onzentwil ?'. Hij wil daarmee zeggen, dat het voor ons niet meer om die ossen gaat, maar dat er voor ons een geestelijke les in ligt. En die les trekt hij als volgt: iemand die het evangelie brengt mag van het evangelie leven.

Neem Dt 22:11. Daar wordt het een IsraŽliet verboden kleding van tweeŽrlei stof te dragen. Bij dit voorschrift is het heel moeilijk er een direct morele kant aan te ontdekken. Deed een IsraŽliet zichzelf of een ander schade door kleding van tweeŽrlei stof te dragen? Dat laat zich uit het voorschrift niet afleiden. Maar wat is de zin van dat gebod dan voor een IsraŽliet in die tijd? Wel, een IsraŽliet zou er uit kunnen afleiden dat God vermenging haat. maar dat is niet een direct-morele kant van de zaak.
In de letterlijke zin, heeft dit voorschrift voor ons geen kracht. We zijn, zoals al gezegd, niet onder de wet. Wij dragen allemaal met een gerust geweten kleding van verschillende stoffen, bijvoorbeeld wol en katoen door elkaar. Maar er ligt wel degelijk voor ons een les in dit voorschrift. Een geestelijke les wel te verstaan. In de bijbel ziet kleding in figuurlijke zin op je gedrag. Welnu, als christenen moeten we geen kleding van tweeŽrlei stof dragen, dat wil zeggen: we moeten ons niet enerzijds gedragen als christenen en een christelijk 'stofje' dragen en anderzijds ons openbaren als wereldlingen met een werelds 'stofje'. Ik geef een praktisch voorbeeld. Er werd ergens een bruiloft gehouden. Men begon met gebed, dankzegging en een overdenking uit Gods woord. Daarna echter zakte het peil. Wat tijdens de receptie te berde gebracht werd, kon niet door de beugel. Die bruiloft was een kleed van tweeŽrlei stof, Ander voorbeeld: op een dorp woonde een bankier. Hij stond als een christen bekend want hij ging trouw naar de kerk en zat in diverse christelijke commissies. Na zijn dood kwam openbaar dat hij zich het op rente gestorte geld van zijn dorpsgenoten had toegeŽigend. Een kleed van tweeŽrlei stof.
Dit soort geestelijke lessen zitten niet alleen verscholen in diverse voorschriften, maar zelfs ook in de geschiedenissen die we in 'de wet', d.w.z. in de vijf boeken van Mozes, aantreffen. Gl 4 houdt ons immers voor dat de geschiedenis van Abraham met Sara en Hagar een zinnebeeldige betekenis heeft.

Morele voorschriften
In deze voorschriften komt heel duidelijk naar voren wat goed en kwaad is. Als wij onder die voorschriften als wetsbestel zouden staan, dan zouden we ook bij overtreding de straffen die de wet voorschrijft, moeten handhaven. Zo lezen we in Lv 20:13 dat iemand die homosexuele gemeenschap pleegt, gedood moet worden. Dit voorschrift is aan IsraŽl gegeven en de IsraŽlitische overheid had dat uit te voeren. Maar in de Gemeente van Jezus Christus kunnen we deze strafmaatregel niet toepassen. Het Nieuwe Testament geeft de leiders in de Gemeente daar de bevoegdheid niet toe. We hebben er trouwens ook geen bevoegdheid voor van de overheid. In de Gemeente valt zo iemand echter wel onder de gemeentelijke tucht (zie 1 Ko 5)

Het feit dat we niet onder de wet staan, betekent dus niet dat wij met geen enkel gebod wat te maken hebben en dat we kunnen doen en laten wat we zelf willen. Dat volgt direct al uit het feit dat God onze Heer, dat wil zeggen onze Gebieder is. We zijn Hem gehoorzaamheid verschuldigd. In Rm 6:17 schrijft de apostel Paulus dan ook:'Maar Gode zij dank: gij waart slaven van de zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is; en vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen.van de gerechtigheid.'
Dat onderricht vinden we in het Nieuwe Testament. Het is heel belangrijk op te merken, dat alle geboden van de wet, behalve het sabbatsgebod in het Nieuwe Testament herhaald worden. Maar dat niet als een wet in de zin van: Gij zult, gij zult niet, maar als een aanwijzing voor een gedrag, dat als vanzelfsprekend voortvloeit uit het feit, dat we nieuwe mensen geworden zijn. Lees daartoe Ef 4: 22-24 en zie hoe het voorschrift om niet te liegen gegeven wordt:'Legt daarom de leugen af en spreekt de waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander '.
Let op het motief. Er staat niet dat we dat moeten doen omdat God dat in wet ons opgelegd heeft, maar omdat dit gedrag in overeenstemming is met het feit dat we samen ťťn lichaam in Christus Jezus vormen. Merk ook op, dat het voorschrift niet blijft staan bij het negatieve: liegt niet. Nee, het vervolgt met het positieve: spreekt de waarheid. Hetzelfde geldt voor het voorschrift om niet te stelen. In Ef. 4: 28 wordt dat zo verwoord: 'Wie een dief was stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan meedelen aan de behoeftige'. Niet een gebod van: gij zult niet stelen, maar een liefderijk voorschrift waarmee het gemoed aangesproken wordt en direct erbij de positieve ombuiging naar weldoen aan de naaste.
Wie zich onder de wet stelt komt onder het beslag van: 'gij zult en gij zult niet'. Zo iemand mist de geest waarin het Nieuwe Testament de geboden doorgeeft. Ook gaat zo iemand voorbij aan het motief dat het Nieuwe Testament voor het doen van de geboden aangeeft.

In tegenstelling tot wat in de vraag staat, zou ik zeggen: de morele voorschriften van de tien geboden, gelden wel voor ons, maar niet als een wetsbestel, maar in de zin zoals het NT ze aanvoert.
Dat homosexuele betrekkingen niet alleen onder IsraŽl maar ten allen tijde God een gruwel zijn leren we uit het NT, bijvoorbeeld uit Rm 1:18-26 en 1 Tm 1: 9. De morele les van Lv 18: 22 geldt dus voor ons, maar de strafbepaling van vers 29 geldt niet voor ons.

Voedselvoorschriften
Daarover moet apart nog iets gezegd worden. Aan IsraŽl waren spijswetten gegeven waarbij bepaalde dieren voor hen onrein waren. Die mochten ze dus niet eten. Dat deze voorschriften niet meer voor ons gelden volgt al uit Hd 10:12-16 hoewel het daar in de eerste plaats om de geestelijke zin gaat: Petrus mocht de heidenen niet onrein achten. Maar het feit dat God dit beeld van reine en onreine dieren gebruikt zegt ook iets in letterlijke zin. Een volgende aanwijzing hebben we in Hd 15:10 waar Petrus aangeeft het 'juk' van de wet niet op de heidenen te leggen. De vergadering gaat daarmee accoord en in vers 20 staat dan ook geen enkel wettisch ceremonieel gebod. Doorslaggevend is echter 1 Tm 4: 3, 4 waar alle voedsel rein verklaard wordt.

Is God dan veranderd?
Betekent het voorgaande nu dat God veranderd is? Nee, God blijft dezelfde, maar Hij is soeverein om aan IsraŽl destijds bepaalde regels te geven en de Gemeente daarvan te ontslaan. Alleen het verbod van bloed eten gold zowel voor IsraŽl als nu voor ons. Maar dat gebod gaat terug op Gods voor- schrift aan Noach en zijn nakomelingen (dat is de hele wereldbevolking) gegeven