Snel zoeken:
060 jrg 105, 10-1962 Elisa, de man Gods (VIII)

2-Koningen 8:1
Elisa, de man Gods (slot)

De Sunamietische en de hongersnood
(2 Kon. 8:1-6)

De Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten (Amos 3:7).
Deze waarheid wordt in de geschiedenis van de zevenjarige hongersnood bevestigd. Zoals Abraham ingelicht werd over het lot van Sodom, zo wist Elisa wat IsraŽl van Godswege te wachten stond. De Heer maakte echter zijn raad bekend aan zijn knechten, de profeten (vergel. Gen. 18:19). De louteringstijd voor IsraŽl werd precies bepaald: zeven jaar! Niets loopt God uit de hand, alles gaat precies volgens zijn plannen! Zo ook de ballingschap in Babel: 70 jaar. Hetzelfde treffen we aan in Openb. 2:10: ďGij zult een verdrukking hebben van tien dagenĒ. Wat voor het ongelovig deel van IsraŽl een oordeel en tuchtiging was, werd voor de Sunamietische een geloofsbeproeving, waarin ze de trouw van de Heer zou ervaren. De vrouw luisterde naar het woord van de profeet en keerde na zeven jaar behouden terug, waarna ze volgens het door God gegeven recht aanspraak maakte op haar erfdeel onder IsraŽl. Het zal haar niet meegevallen zijn haar land te verlaten, maar ze was gelukkig gehoorzaam en daarom liet de Heer haar niet in de steek.

Toeval?

Gehazi had juist een onderhoud met de koning over de grote daden van Elisa en verhaalde hem de opwekking van het zoontje van de Sunamietische toen deze zelf voor de koning verscheen met haar zon. Dit is geen toevallige samenloop van omstandigheden, we zien hierin hoe de Heer tot in de kleinste dingen alles leidt en voor de gelovige zorgt. De vrouw en dus haar zoon kregen alles terug wat ze bezaten plus de opbrengst van de zeven jaren. Mogen we hierin een beeld zien van IsraŽl, dat opgewekt uit zijn dode staat het land met alle zegeningen eenmaal beŽrven zal?
Gehazi kon helaas slechts uit herinnering spreken over alles wat Elisa gedaan had (aangenomen dat de geschiedenis in de juiste tijdsorde geplaatst is), maar toch gebruikte de Heer hem hier. Omdat hij totaal melaats was, mocht hij onder de mensen verkeren (Lev. 13:13). Zo beschouwd zien we in hem toch ook een zeker herstel. Hoe genadig is onze God!

Elisa en HazaŽl (2 Kon. 8:7-15)

De man Gods

Hoe vijandig de ArameeŽrs en koning Benhadad ook waren, ze moesten in Elisa toch de man Gods erkennen. Wat een mooie titel is dat toch! Elisa droeg hem met ere! Is dat met ons ook zo (zie 1 Tim. 6:11).
Elisa liet zich door het geschenk niet beÔnvloeden; zijn wonderlijk antwoord ďGij zult zeker herstellen. Maar de Heer heeft mij getoond, dat hij zeker zal stervenĒ geeft aan, dat Benhadad niet aan deze ziekte sterven zou. In dit antwoord zat een zekere ironie verscholen. Iets daarvan vinden we bij Micha, die door Achab geraadpleegd werd in verband met zijn tocht tegen Ramoth. Achab wilde graag, welnu zei Micha, trek er maar heen, de Heer zal het in uw hand geven. Voor zichzelf wist Micha echter, dat Achab sterven zou. Maar omdat Achab toch niet luisteren wilde naar het woord van God, gaf Micha hem dit ironische antwoord. Zo ook wilde Benhadad graag genezen, nu had hij de God van IsraŽl nodig en veertig beladen kamelen moesten zijn verzoek kracht bij zetten. Welnu zei Elisa, hij zal genezen. Zelf wist hij echter, dat Benhadad zou sterven, al was het niet aan de ziekte, waaraan hij leed.

Hij weende

Elisa bleef, na deze wonderlijke uitspraak, HazaŽl strak aankijken, maar diens geweten bleef er onbewogen onder en zijn boze plannen beleerd hij niet. Daarop barstte Elisa in een jammerklacht uit, zoals de Heer weende toen Hij dacht aan het lot, dat zijn volk treffen zou (Luk. 19:41). HazaŽl mocht dan al onschuld huichelen (vs. 13) en zich vergelijken met een hond, - zie het contrast met Mefiboseth -, bij Benhadad gekomen bracht hij slechts de halve boodschap van Elisa over, en de dag daarop volvoerde hij zijn moordplannen.

Elisa en Jehu (2 Kon. 9:1-5)

Geen gemeenschap

God had aan Elia op de Horeb een drievoudig bevel gegeven. Hij moest HazaŽl zalven tot koning over Aram, Jehu tot koning over IsraŽl en Elisa tot profeet. Dit waren de drie instrumenten waarvan God Zich wilde bedienen om IsraŽl te tuchtigen vanwege zijn zonden. Uit 1 Kon. 18:17 blijkt, dat de Heer eerst HazaŽl, daarna Jehu en ten slotte Elisa gebruiken wilde.
Deze opdracht is echter niet volledig voor Elia uitgevoerd, hij heeft eerst Elisa tot profeet gezalfd. In feite was Eliaís dienst afgelopen en Elisa nam de rest van de opdracht over. Dat wil niet zeggen, dat we de volgorde van 1 Kon. 18:17 dus maar moeten wijzigen. God zag de volgorde zo: eerst tuchtiging door de vreemde, daarna verwekte Hij uit het volk zelf een roede voor zijn toorn, en ten slotte viel het gericht aan de man Gods ten deel. In feite vinden we deze volgorde ook bij de geschiedenis van het volk in de toekomst: eerst zullen ze vallen inde handen der volken (zoals de afgelopen oorlog getuigde), daarna in de hand van de antichrist, terwijl ten slotte de Heer Jezus Zelf de goddelozen onder hen bestraffen zal.
Maar ook letterlijk werd deze volgorde gehandhaafd, want in het begin bestond Elisaís dienst uit het openbaren van Gods genade. Op een enkele uitzondering na waren al zijn wonderen, wonderen waarin genade werd bewezen. Na de zalving van HazaŽl en daarna van Jehu wordt daar geen melding meer van gemaakt. En nadat ze de profeet met zijn dienst van genade verworpen hadden, vielen ze onder het oordeel. Zo doodde Elisa hen, die aan HazaŽl en Jehu ontkomen waren.
Deze wonderlijke zalving van Jehu toont ons, dat de profeet zelf geen gemeenschap met jehu had en wilde hebben. Zo kan de Heer een instrument gebruiken, waarin Hij, wat de persoon betreft, geen behagen schept. We vinden dat ook bij Bileam en Saul en zelfs bij Judas. Zo zullen er straks mensen zijn die zullen zeggen: ďWij hebben in uw naam duivelen uitgeworpenĒ terwijl ze toch verloren zullen gaan.

Zie mijn ijver voor de Here

Jehu kreeg twee aankondigingen: 1) hij werd gezalfd tot koning; 2) hij moest het huis van Achab uitroeien. Het eerste kwam volkomen overeen met zijn ambities, het tweede kwam hem zeer te pas om zijn koningschap te bevestigen. Hij kon dan wel spreken van zijn ijver voor de Here (hfdst. 10:16), maar zodra Gods plannen met de zijne niet strookten, bleef er van die toewijding niet veel over. Ze strekte zich nl. nooit zover uit, dat Jehu ook de kalverdienst uitroeide (vs. 31). Als God zijn volk moet oordelen is dat voor Hem ďvreemdĒ werk. David weende toen het volk Gods getuchtigd werd, maar voor Jehu was het een kolfje naar zijn hand. Vandaar dat we enerzijds lezen dat God Jehu beloonde (2 Kon. 10:30), en anderzijds dat het vergoten bloed op Jehuís huis rustte (Hosea 1:4). Hetzelfde vinden we bij de profetieŽn over AssyriŽ en Babylon. Ze werden roeden in de hand des Heren genoemd om zijn volk te straffen, maar omdat ze het oordeel met wellust uitvoerden om alleen hun eigen plannen te verwezenlijken, haalden ze Gods wraak over zich.

Hand maar geen hart

Jehu had kennis van de gedachten van God (2 Kon. 9:25), hij had macht om ze tot uitvoering te brengen, maar verootmoediging voor God en geestelijk verstaan van Gods wil vinden we bij hem niet (hfdst. 9:34). Hij was wel een instrument in Gods hand, maar niet naar Gods hart, want Jehuís hand wilde wel de Heer dienen zolang dit met zijn plannen strookte, maar zijn hart wijdde hij de Heer niet. Hoe geheel anders was dit bij de profeet Elisa, die werkelijk een man Gods was.

Elisaís dood (2 Kon. 13:14-21)

Gedurende het verdere van de regering van Jehu en van zijn zoon Joahaz horen we niets meer van Elisa. En ook Joas vinden we slechts in contact met Elisa toen deze op zijn sterfbed lag. Het is duidelijk, dat God met Jehu en zijn huis geen gemeenschap had. Een belangrijke les, die we uit deze geschiedenis leren is, dat ook grote mannen Gods lijden onder de algemene gevolgen van de zonden, die in de wereld gekomen is.

Wagen IsraŽls

Joas sprak Elisa aan, zoals Elisa Elia nageroepen had: Mijn vader, mijn vader. Ook erkende hij de weg, die God in zijn regering door middel van de profeet met IsraŽl ging, zoals Elisa dat van Elia deed: Wagens en ruiters van IsraŽl. Maar toch bezat hij niet de volharding die Elisa ten toon spreidde, hij sloeg slechts driemaal. Elisa had hem duidelijk de betekenis van de boog en de pijl laten voelen (hfdst. 13:17) maar Joas had geen geestelijke kracht om er gebruik van te maken.


Elisaís gebeente

Misschien heeft Joas met zijn uitroep gedacht, dat Elisa, evenals Elia wonderlijk heen zou gaan, maar niets daarvan gebeurde. Geen hemelvaart als van Elia, geen begrafenis door Gods hand, zoals bij Mozes. Elisa stierf en werd normaal begraven. Toch eerde God zijn dienstknecht op wondere wijze. Hij gebruikte hem als beeld van het grootste wonder van genade: nl. leven, dat uit de dood tevoorschijn komt. Zoals Elisa tijdens zijn leven een beeld geweest was van de Heer Jezus, zo was hij het ook in het graf. Het tarwegraan stierf, maar bracht vrucht Ė leven en bevrijding voort.

Strijd

Het leven van de christen is een voortdurende strijd tegen het eigen hart en de verzoekingen van buitenaf. Een strijd die de ziel sterkt zoals de gymnastiek het lichaam, doch een strijd die niet in eigen, maar in Gods kracht gevoerd moet worden!