Snel zoeken:
Notities bij het boek ĎGeneest de ziekení Ė hoofdstuk 07

ZIEKTE EN ZONDE (Hfst. 7)

In hoofdstuk 7 behandelt WJO het verband tussen ziekte en zonde. Hij nuanceert het onderwerp gelukkig direct al door te stellen dat we niet achter elke ziekte een zonde moeten zien. Ditzelfde heeft hij in hoofdstuk 6 ook gedaan ten opzichte van het verband tussen demonische beÔnvloeding en ziekte. Dit is dus een positief punt. Verder zegt hij over het verband tussen ziekte en zonde dingen die we best ter harte mogen nemen, maar daarnaast plaatst hij ook opmerkingen waar ik een vraagteken bij zet.

Als oorzaak van ziekten noemt onze broeder een drietal oorzaken te weten 1) ziekten ten gevolge van het gedrag van mensen, 2) ziekten door toedoen van God en 3) ziekten door toedoen van de satan. Bij dat laatste beroept hij zich op wat hij eerder geschreven heeft, maar hij drukt zich daarbij minder genuanceerd uit. In hfst 3:1 schrijft hij dat ziekten met onverklaarbare oorzaken (cursivering van mij, JGF) vaak aan demonische belasting toe te schrijven zijn, nu schrijft hij op blz 221 dat ziekten (waarbij hij geen beperking aangeeft) vaak voortkomen uit demonische beÔnvloeding. Is dit 'a slip of the pen'? Direct daarop nuanceert hij weer, maar wel beroept hij zich voor het vervolg 'op de rijke ervaring van de bevrijdingsbediening'. Op zichzelf al een heikel punt, want wie kan dit controleren? Hij heeft daar echter een voetnoot bij staan die verwijst naar Lk 22:31; Ef 4:26v; 1 Tm 3:7; 2 Tm 2:25v Je verwacht dan dat je een serie bijbeluitspraken krijgt die de genoemde rijke ervaring ondersteunen en waar je dus wel houvast aan hebt. Maar.......deze teksten zeggen niets over ziekte en evenmin wat over demonische beÔnvloeding. maar over het verleidende werk van satan, waar we allemaal bloot aanstaan.

Onder het kopje 'persoonlijke zonden' somt WJO een aantal zonden op 'waarvan bekend is dat zij ziekten te weeg kunnen brengen. Van sommige van deze zonden is het verband met mogelijke ziekte duidelijk, bij andere mis ik echter dat verband, evenals bijbelse voorbeelden die deze bewering kunnen ondersteunen. Spr. 6:16-19 wordt genoemd, maar die verzen leggen geen verband met ziekte.

Bij zonden van de vaderen (punt II, blz. 222) noemt Ouweneel onder 'f' vervloekingen of bezweringen die over kinderen worden uitgesproken. Ik heb er moeite mee om de voorbeelden die hij noemt onder vervloekingen of bezweringen te rangschikken, daarbij ontken ik niet dat dergelijke uitspraken ernstige nadelige gevolgen voor kinderen kunnen hebben, maar dat is een andere, een psychologische zaak.


Onder punt 7.1. 2. gaat het over negatieve voorzeggingen. WJO spreekt van vervloekingen en zegt dat ze grote uitwerking hebben. Hij voert een aantal bijbelteksten aan, die spreken over het kwaad dat men met zijn tong kan doen. Op zichzelf zijn dit erg waarschuwende teksten. De vraag is echter of deze teksten doelen op ziekte die de uitwerking van het verkeerde spreken zijn. Ouweneel gaat daar kennelijk vanuit, maar dat is dan zijn interpretatie. Het voorbeeld van Rachel vraagt wel onze aandacht. Jacob heeft gezegd: 'Bij wie gij uw goden vindt, die blijve niet in leven'. Dit zou je inderdaad een vervloeking kunnen noemen. Ouweneel stelt dat die vervloeking uitkwam want dat Rachel spoedig na dit voorval stierf in het kraambed. Hoe spoedig dat 'daarna' is, is de vraag, want er gebeurt nog wel het een en ander in de tussentijd (zie Gn 32, 33, 34, 35a). Wat meer zegt is dat Rachel niet ziek wordt en sterft, maar dat ze tijdens de bevalling sterft, wat een vrij natuurlijke oorzaak kan hebben. Bovendien zegt de Schrift helemaal niet dat ze stierf als gevolg van de vloek van Jacob. Een bewijs van 'de grote uitwerking' van negatieve voorzeggingen kan ik hierin niet zien.

Volgens onze broeder houdt vloeken en zegenen niet slechts in het uitspreken van slechte of goede dingen over iemand maar dat men door te spreken deze zaken ook aktief over iemand brengt. Hij ondersteunt dat door te zeggen dat het gesproken woord, logos, kracht inhoudt.
Op de bijbelteksten die hij als bewijs voor deze stelling aanvoert valt natuurlijk niets af te dingen, maar dat wil nog niet zeggen dat aan een woord van verwensing door een mens uitgesproken deze kracht verbonden is. Dat is natuurlijk wel zo als God een woord van verwensing of van zegen uitspreekt. Denk aan het ernstige woord dat Jozua als dienstknecht van God uitsprak over de persoon die Jericho zou herbouwen. Dat woord is letterlijk in vervulling gegaan en die vervulling wordt ook duidelijk aangegeven (1 Kn 16:34). Maar dat wil nog niet zeggen dat elke negatieve uitspraak over iemand deze zelfde gevolgen heeft.

Als Ouweneel op blz. 225 stelt dat 'de kracht van het menselijk woord niet hoog genoeg kan worden ingeschat...of het nu door de Geest of door het vlees gesproken wordt, dan acht ik dat overtrokken gesteld. Hij stelt dat zelfs de eeuwige bestemming van de mens ermee gemoeid is en haalt dan Mt 12:37 aan, maar die tekst zegt toch niets over de uitwerking van iemands woorden die hij over anderen uitspreekt? De tekst zegt niet meer en niet minder dan wat Jh 5:28,29 zegt over hen die het goede gedaan hebben en over hen die het kwade gedaan hebben. We staan verantwoordelijk voor onze daden. Daarbij bewerken die daden op zichzelf niet het eeuwig heil of de eeuwige verdoemenis. Het heil wordt verkregen op grond van geloof en niet op grond van werken, maar als die werken getuigen van geloof dan zal zo iemand het leven ontvangen. Zo is het ook met onze woorden. Als die woorden slecht zijn (en spreken van ongeloof, JGF) dan zullen we geoordeeld worden en goede woorden bewerken (als uiting van geloof) dat we gerechtvaardigd worden. Ook hier mis ik een werkelijk schriftuurlijke onderbouwing.

Op blz. 226 geeft Ouweneel wel een zekere onderbouwing als hij nl. Sp 26:2 aanvoert. Dat vers zegt dat een ongegronde vloek geen doel treft. WJO keert dan de tekst om en concludeert dat een terechte vloek dat dus wel doet. Met die conclusie kan ik vrede hebben, maar dan dringt zich absoluut de vraag op wat een terechte vloek is en wie dat beoordeelt. Hij geeft dan als grond de eigen zonde of de zonde van anderen jegens ons.
Inderdaad is Dt 28 een sleuteltekst in die zin dat als het volk van God afweek Gods vervloekingen die in de wet stonden opgetekend op hen neerkwamen, maar is er een voorbeeld van dat de zonden van anderen deze vloeken over IsraŽl brachten? Welk bijbels voorbeeld kan WJO hiervan geven?

De toepassing die hij geeft voor vandaag (blz. 227) acht ik ongegrond. Hij breidt Dt 28 uit in deze zin dat niet alleen God, maar ook mensen gewild of ongewild een vloek over anderen en zichzelf kunnen brengen als werktuigen van God of als werktuigen van satan. Hij vermeldt in een noot (nr 19) als een onderbouwing de volgende schriftplaatsen 1 Sm 3:13; Mt 26:74; Hd 23:12, 14, 21.
De eerste van die teksten zegt alleen dat de kinderen van Eli een vloek over zich brachten. Er staat echter niet bij dat zij of een ander een vloek over hen had uitgesproken die nu in vervulling ging. Het gaat erom dat ze de vloek van God over zich brachten door hun zondig gedrag. De vloek van de overtreding van het verbond van God.
De tweede tekst zegt dat Petrus begon te vloeken en te zweren en loochende dat hij Jezus kende. Of dit ook een zelfvervloeking inhield is nog maar de vraag, maar in ieder geval lezen we niet dat die vervloeking in vervulling is gegaan en zeker niet dat dit iets met ziekte te maken heeft gehad die Petrus getroffen zou hebben. De teksten uit Hd 23 spreken wel terdege over vervloeking. Ze zullen inhouden dat als de samenzweerders wel zouden eten een vloek hen treffen zou, bijvoorbeeld doordat ze sterven zouden. Welnu als ze zich aan hun eed gehouden hebben dan zijn ze de hongerdood gestorven, maar die dood haalden ze dan door een volkomen natuurlijke oorzaak over zich heen. We zullen er echter van mogen uitgaan dat ze na verloop van tijd weer aan het eten zijn geslagen. De Schrift vermeldt echter niet dat hun vloek op hen neergekomen is, noch van dood noch van ziekte lezen we iets. Dit soort tekstaanhalingen lijken het betoog van onze broeder te ondersteunen, maar ze zeggen in feite niets. Ze zijn geen voorbeeld van 'ziekteveroorzakende vloeken'. Ouweneel redeneert hier maar wat.

Op blz. 228 geeft Ouweneel een paar voorbeelden van zelfvervloeking. Hij noemt Rebekka als degene op wie de vloek van Izašk neer zou gekomen zijn, maar we lezen nergens dat Izašk Jacob vervloekt heeft en dat die vloek op Rebekka is overgegaan. De uitdrukking 'ik walg van mijn leven' is ook moeilijk als een vloek te beschouwen die in vervulling zou zijn gegaan omdat ze zoveel jonger sterft dan haar man. Dit kan namelijk moeilijk als bewijs gelden. Ook hier een conclusie 'in het wilde weg'.

Of je de uitspraak van de IsraŽlieten als een zelfvervloeking mag opvatten is nog maar de vraag. maar dat God hen gekastijd heeft en ze gevallen zijn in de woestijn is natuurlijk een feit maar dan gaat het om wat God doet met hen die het verbond verbreken, niet over een vloek door mensen uitgesproken.

Met de vloek die David over het huis van Joab uitsprak ligt het iets anders, maar dat is zoals WJO terecht opmerkt een verdiende vervloeking en niet een zomaar uitgesproken vervloeking waar hij het op blz 227 onderaan over had.

De ban die Achan over het volk bracht is ook een banvloek die God uitgesproken had en niet Achan. Dit voorbeeld zet dus ook geen zoden aan de dijk. Ouweneel gebruikt vaak krasse bewoordingen en dan verwacht je sprekende illustraties van wat hij schrijft, maar die geeft hij niet.

In par. 7:2 gaat hij bijbelse gegevens aanvoeren voor het verband tussen ziekte en zonde. Hij geeft pas zinnige voorbeelden op blz. 231. Het gaat dan om tuchtiging die de Heer brengt over zijn volk en over personen die gezondigd hebben. Op zichzelf zijn dat waarschuwende voorbeelden.
Inderdaad zijn de gevallen waarin een onschuldige met ziekte behept wordt moeilijk te aanvaarden, maar let wel ze worden niet zomaar met ziekte geslagen, maar omdat God daarin de ouder(s) of het volk iets wilde leren.

De uitspraak op blz. 233 dat 'het uit de Bijbel absoluut zeker is dat sommige gelovigen ziek blijven omdat zij niet van harte vergeven enz. zag ik graag onderbouwd. WJO geeft die onderbouwing niet. Hij verwijst wel naar par. 7.1 maar die paragraaf bevat weinig grond voor zijn bewering.

In 7.2.2. gaat onze broeder over op nieuwtestamentische gegevens. Na een genuanceerde benadering noemt hij op blz. 235 het voorbeeld van Jk. 5. Zelf heb ik in het voorwoord al aangegeven dat ik ervan uitga dat het hier over ziekte gaat waarbij er zonde in het spel is. Kortom dat er een verband kan zijn tussen ziekte en zonde geeft WJO aan en we zijn het daarin met hem eens.

In 7.3 behandelt Ouweneel het verband tussen ziekte, zonde en demonie. Over Jk 3:14-16 hebben we het al gehad in par. 6.5.1. De rest van deze paragraaf en de volgende laat ik aan de beoordeling van de lezer over. Zo ook par. 7.3.3. over zieke genezingsbedienaars. WJO zou daar ook Jan Zijlstra als voorbeeld kunnen noemen die gedotterd moest worden. Ik weet echt niet wat ik van dit soort zaken zeggen moet. Ik mag er niet van zeggen wat de Heer het volk in de mond legt als een spreekwoord: 'Dokter, genees uzelf' (Lk 4: 23). Maar wel vind ik het vreemd dat deze zieke genezingsbedienaars dan niet door andere genezingsbedienaars op wonderlijke wijze genezen zijn.
Over de rest van dit hoofdstuk kan ik kort zijn. Op blz. 246, 247 past WJO Js. 53: 4 m.i. verder toe dan dat MattheŁs in Mt. 8:16 dat doet. Hij beroept zich op Mt 12:17-21 en Lk 4: 17-21. maar wat in die teksten staat, gaat zoals uit de teksten zelf blijkt veel verder dan wat er tijdens het leven van de Heer gebeurde. Uit Mt. 8:16 volgt een dergelijke conclusie niet.

In het tienstappenplan, par. 7.6, maakt onze broeder diverse opmerkingen die behartenswaardig zijn, maar bij stap 8 en 9 zie men wat eerder geschreven is over occulte verbindingen en vervloekingen.