Snel zoeken:
167 jrg 118, 07-1975 De vier Dieren van DaniŽl

DaniŽl 
Nebukadnezar zag in zijn droom een groot beeld bestaande uit vier delen.
De proleet DaniŽl vertelde de monarch dat hierdoor vier opeenvolgende wereldrijken werden voorgesteld.
Deze rijken zouden tenslotte van het toneel verdwijnen om plaats te maken voor het eeuwig koninkrijk van God (DaniŽl 2).
Op een later tijdstip heeft DaniŽl zelf ook een droomvisioen gehad aangaande deze vier rijken. Hij heeft daarvan in hoofdstuk 7 van zijn boek een nauwkeurig verslag gegeven. Dat verslag bevestigt de uitleg van de droom van Nebukadnezar en geeft bovendien nog nadere bijzonderheden.
De overeenkomst is te duidelijk om die te loochenen. Het verschil in belichting is te treffend om er aan voorbij te gaan.
Waarom herhaling?
We hebben dus twee profetieŽn over de vier wereldrijken. Waarom deze herhaling? Om de nadruk te leggen op het belang van de zaak en de zekerheid van het profetische woord te onderstrepen!
In het algemeen versterkt elke herhaling de grote betekenis van het onderwerp dat behandeld wordt.
Het ďVoorwaar, voorwaar ik zeg uĒ uit de mond van de Heer Jezus leidt altijd een belangrijke uitspraak in!
Wanneer een persoon door God tweemaal bij zijn naam geroepen wordt, dan gaat het om een gewichtige boodschap.
Zeven personen worden zo aangesproken: Abraham, Jakob, Mozes, SamuŽl, Martha, Simon, Saul, en ťťn stad: Jeruzalem.
Heel duidelijk wordt het bovenstaande bevestigd door het woord van Jozef tot FaraŲ:
ďDat de droom tot twee maal toe aan Farao herhaald is, wil zeggen dat de zaak bij God vast staat en dat God die haastig zal volbrengenĒ (Gen. 41:32).
Meestal herhaalt de Schrift iets niet zonder meer, maar wordt de zaak waar het om gaat van een andere kant belicht, of vindt er uitbreiding plaats van het meegedeelde. Dat is hier ook het geval.
Geen beeld, maar beesten
Nebukadnezar ziet de vier wereldrijken als ťťn prachtig mooi beeld. Hij ziet ze in hun grootheid, zoals ze zich voor het oog van de mens vertonen. DaniŽl aanschouwt ze als vier dieren. Aan hem wordt getoond hoe deze rijken in het oog van God innerlijk zijn.
Aan Nebukadnezar wordt getoond hoe de vier rijken steeds minder weerspiegelden van het gezag dat God de mens heeft toevertrouwd. Er is een afgang van goud tot ijzer vermengd met leem.
Aan DaniŽl laat God zien hoe deze rijken en hun monarchen het gezag misbruiken tot uitoefening van macht, ja van brute kracht, Roofzucht, overheersing en geweld worden door deze beesten gesymboliseerd.
Gezag in handen van de mens leidt tot misbruik van macht. De Enige die volmaakt gezag zal uitoefenen tot eer van God en tot heil van de mens, is Jezus Christus, die aan deze rijken een eind zal maken.
Vier dieren
Bij de uitleg van DaniŽl 2 hebben we gezien dat het beeld niet vijf, maar vier rijken voorstelt. Deze uitleg wordt hier bevestigd, want DaniŽl ziet vier en niet meer dan vier dieren!
ď ... die grote dieren, die vier, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; daarna zullen de heiligen van de Allerhoogste het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja tot in eeuwigheid der eeuwighedenĒ (Dan. 7:17, 18).
Verder ligt bij DaniŽl, meer nog dan bij Nebukadnezar, de nadruk op het vierde rijk. Het grootste deel van hoofdstuk 7 handelt daar namelijk over.
Uit de zee
DaniŽl merkt op hoe deze dieren uit de grote zee opkomen. In Palestina werd onder de grote zee de Middellandse Zee verstaan. Dit in tegenstelling tot de Dode Zee of tot de zee van Tiberias.
Het gaat dus om rijken, die hun macht uitoefenen rondom het gebied van de Middellandse Zee.
Behalve dat het woord ďzeeĒ hier een direkte heenwijzing bevat naar het gebied waar de vier dieren zouden optreden, heeft het woord vooral symbolische betekenis.
Dat volgt al uit de voorstelling van de dieren die niet letterlijk uit het water opklimmen. Zo goed als de dieren symbolische betekenis hebben, heeft de ďzeeĒ dat ook. Het volgt ook daaruit, dat de vier winden des hemels de grote zee in beroering brengen en daardoor het opkomen van de dieren bewerken.
De winden stellen omwentelingen, stromingen en bewegingen op aarde voor. Zij banen de weg voor die rijken of personen, die God in zijn regering wil doen optreden.
De symbolische betekenis van het begrip zee is ďvolkerenzeeĒ (vergel. Jes. 17:12; 57:20; 60:5; Jeremia 51:42; Ezech. 26:3).
God brengt dus de volkeren in beroering en daaruit ontstaan achtereenvolgens de vier rijken die ons hier geschilderd worden.
Leeuw, beer en panter
De symboliek van deze vier rijken is even merkwaardig als treffend.
Het eerste rijk, Babylon, wordt voorgesteld door een leeuw met adelaarsvleugels. Hiermee worden macht, majesteit en snelheid aangegeven. Aan de uitbreiding van het rijk komt echter een eind. De macht taant, maar daarvoor in de plaats komt inzicht (dierenhart-mensenhart), in bestuur en rijksordening.
De beer, die zich op de ene zijde opricht, stelt het Medisch-Perzische rijk voor. Eerst was MediŽ het voornaamste rijksdeel, later kregen de Perzen de overhand. Dit rijk gedroeg zich wreder dan Babylon. En het is juist een wonder van Gods macht, dat de Here de koning van dit rijk beÔnvloedde, zodat Cyrus het volk IsraŽl liet teruggaan naar zijn land! Achtereenvolgens werden LydiŽ, Babylon en Egypte door het Medisch-Perzische rijk opgeslokt. De beer ďat veel vleesĒ!
Het Grieks-Macedonische rijk wordt wel het duidelijkst getypeerd, namelijk door een panter met vier vogelvleugels. De panter behoort tot de snelste roofdieren, een panter met vogelvleugels op de rug moet dus uiterste snelheid voorstellen!
Welnu, de snelheid waarmee het Grieks-Macedonische rijk zich vestigde en uitbreidde, is ongeŽvenaard in de geschiedenis. In een periode van goed tien jaar strekte het zich uit tot de Indus in het oosten en tot over de Nijl in het zuiden.
Op een belangrijk facet moet nog de aandacht worden gevestigd. Deze panter draagt vier koppen. Bij oppervlakkige beschouwing zou men kunnen menen dat dit dus een rijk is dat vanaf Ďt begin uit vier delen is samengesteld, of een rijk dat door vier koningen wordt geregeerd.
Zo is het echter niet. De vier koppen geven niet de beginfase, maar de eindfase van het Griekse rijk aan! Dat laat zich afleiden uit DaniŽl 8. Hier wordt hetzelfde rijk voorgesteld door een geitebok met ťťn opvallende grote horen op zijn kop (Dan. 8:5).
Na de overwinning van de geitebok over de ram met de twee horens (Dan. 8:3, 6 - MediŽ-PerziŽ) wordt de geitebok buitengewoon machtig, maar dan breekt de grote horen af (Alexander de Grote sterft) en komen er vier opvallende horens voor in de plaats. (De vier generaals van Alexander die het rijk onderling verdelen).
In hoofdstuk 11:3, 4 vinden we hetzelfde. De heldhaftige koning is weer Alexander. Erg jong nog sterft hij en zijn rijk wordt verdeeld naar de vier windstreken van de hemel!
Het is belangrijk hierop te letten. Het helpt ons namelijk bij de uitleg van het vierde dier. Aan dit vierde dier wordt in dit hoofdstuk extra aandacht geschonken. DaniŽl vraagt apart naar de zin ervan (vs. 19). En daarbij ligt de nadruk niet op de beginfase van het rijk, maar op de eindfase.
De tien horens worden wel direkt op de kop van het dier gezien, maar net zo min als de vier koppen van de panter direkt in de geschiedenis van het Griekse rijk optreden, net zomin treden die tien horens van het vierde beest in het begin van de Romeinse geschiedenis op!!!!!
Het vierde dier
Voor het vierde rijk is in de hele dierenwereld geen beest te vinden, dat als symbool kan dienen. Het verschilt dan ook van alle drie voorgaande. Het wordt voorgesteld door een ongenoemd dier dat ijzeren tanden heeft. De wreedheid, vernielzucht en roofzucht ervan zijn onvoorstelbaar. Hiermee is het Romeinse rijk ten voeten uit getekend. De bloeddorst van de Romeinen kwam uit in hun oorlogen, maar daar niet alleen, zelfs de volksvermaken dropen van het bloed. Gladiatorengevechten eindigden met de dood van de verliezer. Wilde dieren werden van heinde en ver aangevoerd en de strijders, die het onderspit delfden, namen in hun dood geen kreten van medelijden mee, maar slechts verachting en spot.
De tien horens
In DaniŽl 2:42 werd als het ware terloops gesproken over de tenen van de voeten. We hebben toen gesteld dat hiermee tien rijken of tien regeerders worden aangeduid, die in de eindfase van het Romeinse rijk zullen optreden. Deze konklusie zou, als we niet meer hadden dan DaniŽl 2, nog wel aanvechtbaar zijn, maar DaniŽl 7 ontzenuwt elke mogelijke tegenwerping, want daar is nadrukkelijk sprake van tien horens (vs. 7).
Zelfs worden er bijzonderheden aangaande deze horens verteld. Namelijk dat er zich tussen de tien een kleine elfde horen verheft, die de plaats inneemt van drie van de vorige. En deze horen wordt gekenmerkt door ogen als mensenogen en een mond vol grootspraakĒ (vs. 8).
Uit hoofdstuk 8:5 weten we dat door een horen een koning of regeerder wordt voorgesteld. Deze machthebber zal dus groot inzicht (mensenogen) paren aan vermetele hoogmoed (mond vol grootspraak).
Van het vierde dier wil DaniŽl meer weten en dan speciaal van de tien horens die het op zijn kop heeft en van die ene waarvoor drie andere het veld moeten ruimen.
Vervolging van de heiligen
Een bijzonder kenmerk van het vierde dier is dat het onder leiding van de ďelfdeĒ horen de strijd aanbindt tegen de heiligen en hen overwint (vs. 21). Bij de vorige drie dieren lazen we daarvan niets!
Het laatste rijk gebruikt de macht dus niet alleen om gebiedsuitbreiding te krijgen, maar keert zich ten slotte tegen God en vervolgt het volk van God. Ik zeg ďten slotteĒ, want ook dit is het kenmerk van de eindfase. In het verleden heeft het Romeinse rijk weliswaar ook op wrede wijze de gelovigen vervolgd, maar wat hier aan vervolgingen beschreven wordt, ziet op de eindtijd als namelijk ďde tijd naderde dat de heiligen het koningschap in bezit kregenĒ (vs. 22).
In de uitleg die DaniŽl krijgt, wordt nog eens bevestigd wat we al opmerkten, dat de tien koningen niet vanaf het begin het rijk beheersen. We lezen immers in vs. 24:
ďEn de tien horens - uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengenĒ.
Nogmaals wordt door de uitlegger onderstreept dat deze bijzondere horen de heiligen zal vervolgen (vs. 25), waarbij twee uiterst belangrijke dingen worden opgemerkt, namelijk dat:
1) hij er op uit zal zijn tijden en wet te veranderen (vs. 25);
2) zij in zijn macht gegeven worden voor een tijd, tijden en een halve tijd (vs. 25).
Op deze beide dingen zullen we d.v. nader ingaan bij de bespreking van Openbaring 13.
Gelijk een mensenzoon
Dit vierde rijk vindt ten slotte zijn ondergang door het gericht dat God er over brengt. Hij die eenmaal alle gezag in handen van Nebukadnezar legde (Dan. 2:37, 38), zal dit gezag van de mens terugeisen en in handen leggen van Jezus Christus, de Mensenzoon. Dit zal gebeuren als ďde vierschaar zich zal nederzettenĒ (vs. 26).
Dan zal het oordeel van de volken plaats vinden en het rijk van Christus worden opgericht. Hij zal komen met de wolken des hemels (Dan. 7:13, Openb. 1:7).
Uit dit gedeelte blijkt duidelijk:
a) dat het vierde rijk bestaat bij de wederkomst van Christus;
b) dat het rijk van Christus niet in het verleden is opgericht, maar zal gevestigd worden bij zijn verschijning in heerlijkheid.
Onze konklusie kan dus niet anders zijn, dan dat het Romeinse rijk weer zal worden opgericht!
En juist wij leven in de tijd waarin de voorbereidingen daartoe worden getroffen!