Snel zoeken:
999 jrg 89, 1946 Koning Abia JGF Sr 1884

Uit: "Bode des Heils in Christus", jaargang 89 (1946)

De Koning Abia (of Abiam) van Juda brengt in zijn rede, gehouden op den Berg ZemaraÔm, tegen Jerobeam, den koning van het 10-stammenrijk, en tegen IsraŽl, vijf punten naar voren, die volkomen waarheid bevatten. Kort samengevat luiden zij als volgt:

- De HEERE, de God IsraŽls, had het koninkrijk over IsraŽl aan David gegeven tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen met een zoutverbond. (2 Kron. 13 : 5.)

- Jerobeam, de knecht van Salomo, was opgestaan tegen zijn heer en had gerebelleerd toen Salomo nog jong was en teeder, en zich niet kon versterken. (Vers 6 en 7.)

- Jerobeam had gouden kalveren gemaakt tot goden voor het volk. (Vers 8.)

- Ašrons zonen, de priesters des Heeren en de levieten, had Jerobeam uitgedreven en zich priesters gemaakt gelijk de volken der landen. (Vers 9.)

- "Wij," zeide Abia, "hebben den Heer, onzen God, niet verlaten;" verder beroept Abia zich erop, dat de priesters des Heeren in Jeruzalem zijn, dat daar de tempeldienst is en de offeranden, en de wacht des Heeren wordt waargenomen.

De beschuldigingen, die Koning Abia tegen Jerobeam en de 10 stammen inbrengt, zijn waar; alles sluit als een bus. Hadden we niet anders dan het boek der Kronieken, wij zouden geneigd zijn, behalve een paar kleine afwijkingen, dezen Koning te prijzen als een godvreezend man. God gaf Jerobeam en zijn leger, hoewel dubbel zoo sterk als dat van Juda, in Juda's hand. "Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia, maar de Heere sloeg hem dat hij stierf". (Vers 20.) En van Juda wordt gezegd: "maar de kinderen van Juda werden machtig, dewijl zij op den Heere, hunner vaderen God, gesteund hadden." (Vers 18.)

Wat is dit alles schoon, zou men zoo denken. En toch Ö als God de dingen beoordeelt naar hetgeen dat in het hart is, dan blijkt dat rechtzinnigheid nog niet altijd wil zeggen leven bij het Woord des Heeren. In 1 Kon. 15 wordt van dezen Koning gezegd:

"En hij wandelde in alle de zonden zijns vaders, die hij vůůr hem gedaan had, en zijn hart was niet volkomen met den Heere, zijn God, gelijk het hart zijns vaders David." Abia vergat ook, dat God Salomo eenige wederpartijders had verwekt, dat God het koninkrijk van Salomo had afgescheurd om diens afwijkingen van Jehova; Abia maakte zich niet ťťn met de schuld des volks om deze te belijden voor het aangezicht des Heeren. Hij had meer vertrouwen in de priesters met de trompetten, dan in den God der trompetten. (Verg. 2 Kron. 13 : 12-14.) Hij wandelde in den weg van Salomo, want hij nam zich veertien vrouwen. - Wat blijft er over?

Alleen de genade van God!

"Maar om Davids wil gaf de Heere zijn God hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, bevestigende Jeruzalem; omdat David gedaan had dat recht was in de oogen des Heeren en niet geweken was van alles, dat Hij hem geboden had, alle de dagen zijns levensÖ