Snel zoeken:
019 jrg 101, 05-1958 Overzicht van de geschiedenis van Abraham 05

Hagar en IsmaŽl (Gen. 16)

Abraham en Sara hebben na de ontvangen belofte tien jaar gewacht op een zoon. Toen echter verlieten zij het standpunt van het geloof en namen hun toevlucht tot menselijke middelen. Dit had tengevolge dat de grondslag werd gelegd voor de latere tegenstelling IsmaŽl-Isašk en Arabier-IsraŽliet.
En dat alles omdat hij naar Egypte was gegaan en ongeduldig was geworden. Ernstige waarschuwing.

De verhouding IsmaŽl-Isašk symboliseert de tegenstelling tussen het vlees en de Geest (Gal. 4:29), tussen wet en genade.

Hagar is een beeld van het oude verbond, en komt overeen met het tegenwoordige Jeruzalem, dat met zijn kinderen in slavernij is, zoals Paulus zegt in Gal. 4 : 25.

De zoon van de dienstmaagd mocht niet in het huis van Abraham blijven. Hij had geen deel aan de beloften van God, met betrekking tot het beloofde land. De erfenis was niet voor hem. Zoals IsmaŽl uitgedreven werd, zo moeten wij het vlees voor geoordeeld houden.


De besnijdenis (Gen. 17)

Nadat God aan Abraham verschenen was als de God der heerlijkheid (Hand. 7 : 2) en als God de Allerhoogste (Gen. 14 : 19, 20) aan hem geopenbaard was, verscheen de Here aan Abraham in Gen. 17 als God de Almachtige.

De besnijdenis was een teken van het verbond tussen God en zijn volk IsraŽl (Gen. 17 : 11). Ieder die besneden was, had deel aan de zegeningen van dit verbond. De besnijdenis strekte zich ook uit tot de met geld gekochte (vs. 13).

Dit teken van het verbond, de besnijdenis, stelt ons typisch voor: het wegdoen van het zondige vlees, het uittrekken van het lichaam des vleses (Kol. 2 : 11). Dit is gebeurd op het kruis, waar door de dood van Christus, de zonde is geoordeeld. Door de bekering erkennen allen die geloven, dat zij met Christus gestorven zijn en dus in Hem besneden zijn.

Dat de doop niet in de plaats van de besnijdenis is gekomen, bewijst alleen reeds het feit, dat telkens gesproken wordt over "met Hem begraven in de doop" (Kol. 2 : 12). De besnijdenis is nooit een type van de begrafenis, maar van de dood.

Zie voor de besnijdenis verder: Deut. 10 : 16; 30 : 6; Jer. 4 : 3, 4; Rom. 2 : 8; waaruit blijkt dat het gaat om het hart.


Abraham als voorbidder (Gen. 18)

Toen de Here Abraham verscheen bij de terebinten van Mamre, stond hij op de hoogte van zijn vreemdelingschap (vs. l). Hij zat in zijn tent.

Ondanks tekortkomingen, merken we toch bij Abraham een wandel in gehoorzaamheid op. Daardoor had hij drie bizondere voorrechten, die we vinden in dit hoofdstuk:

hij mocht God een verkwikking aanbieden (vs. 4-8)

hij had gemeenschap met God (vs. 16-21) (zie Joh. 14 :23)

hij mocht een voorbidder zijn voor anderen (vs. 22-33) (zie Jes. 59 : 16; 1 Tim. 2 : l; Hebr. 7 : 25; 1 Joh. 2 : l).

c. Abraham stond voor de Here (vs. 22). Daar kon hij de gedachten des Heren betreffende het oordeel over Sodom leren kennen. (Zie 1 Kon. 17 : 1 (statenvertaling), waar hetzelfde van Elia gezegd wordt).

d. Uit de vragen die Abraham aan de Here stelde, blijkt dat hij kennis had van:

de genade van God (vs. 23, 26)

de lankmoedigheid van God (vs. 31, 32)

de heiligheid van God (rechtmatigheid van het oordeel)

de rechtvaardigheid van God (vs. 25).