Snel zoeken:
160 jrg 118, 03-1975 De droom van Nebukadnezar en het ontwaken van Europa 3

Het is niet alles goud wat er blinkt

Door de vier onderdelen van het beeld, dat Nebukadnezar in zijn droom zag, werden, zoals we hebben aangetoond, achtereenvolgens het Babylonische, het Medisch-Perzische, het Griekse en het Romeinse rijk aangeduid.
Deze vier rijken worden gekenmerkt door vier verschillende metalen: goud, zilver, koper en ijzer (het leem laat ik even buiten beschouwing).
Het is heel duidelijk de bedoeling om daarmee aan te geven dat de vier rijken van steeds geringere waarde worden. Er is een afgang van het edelmetaal goud, tot het ruwe metaal ijzer.
Minder duidelijk is echter in te zien, welke eigenschap er met goud, zilver, koper en ijzer aangeduid wordt.
De uitgestrektheid van de opeenvolgende rijken kan er niet mee bedoeld zijn. Als bijzonderheid wordt van het derde rijk gezegd, dat het "heersen zal over de gehele aarde" (vs. 39).
Militaire kracht valt ook niet in de termen, want er staat:
"en een vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer, juist zoals ijzer alles verbrijzelt en vermorzelt."
Als het om militaire kracht gaat, valt er een opklimming waar te nemen van het zachte goud, naar het harde ijzer.
De metalen worden echter niet gebruikt om een opklimming voor te stellen. Het gaat om de kwaliteit van de metalen en dan kunnen we niet anders spreken dan van aftakeling. Maar wat takelt er dan af?

Wie bij wilde doodde hij, en wie bij wilde liet hij leven

Het probleem, dat ik hierboven heb aangesneden, is niet zo moeilijk op te lossen, mits we goed bedenken waar het in deze droom om gaat.
Zolang IsraŽl in het land Kanašn woonde, de tempel nog intakt was en er een koning uit het huis van David op de troon zat, regeerde God vanuit Jeruzalem en door middel van IsraŽl. Er was een theokratie, waarvan de zegeningen naar de volken moesten uitgaan. IsraŽl zou het hoofd van die natiŽn zijn (Deut. 28:13). Dat door IsraŽls falen dit nooit waar geworden is, doet aan het beginsel zelf niets af.

Door de ontrouw van IsraŽl gaf God zijn plaats te Jeruzalem tijdelijk op en legde het gezag in handen van de volken. Deze periode waarin de troon van David te Jeruzalem vakant staat, wordt in beslag genomen door de vier wereldrijken.

Als we deze rijken beoordelen naar hun uitgestrektheid, of naar hun militaire kracht, raakt onze beoordeling niet het punt waar het om gaat, namelijk in hoeverre deze rijken het gezag, en wel souverein gezag, hebben uitgeoefend. Anders gezegd: de vier metalen hebben geen betrekking op de uiterlijke, maar op de innerlijke kracht van de rijken en deze innerlijke kracht hangt samen met de positie van de regeerders van deze rijken.

Welnu, we lazen al eerder dit van Nebukadnezar:

"Gij, o koning, koning der koningen, aan wie de God van de hemel het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, ja in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt - gij zijt dat gouden hoofd".

Deze merkwaardige woorden geven wel heel duidelijk aan, dat er iets totaal nieuws is ingetreden. Van andere koningen van de volken is dit nooit gezegd. Trouwens de lofzang van DaniŽl: "Hij verandert tijden en stonden" wijzen al op deze nieuwe periode (vs. 21). Ik zeg dit ten overvloede, om er nog eens aan te herinneren dat we hier het beginpunt hebben van "de tijden der volken". Maar er is meer: deze woorden geven ook aan, dat Nebukadnezar als vorst van het Babylonische rijk een volkomen souvereine macht ontving.

Goud ziet op Goddelijke majesteit en daarmee verbonden Goddelijke gerechtigheid. Wat de majesteit en dus het gezag betreft, was Nebukadnezar degene wiens positie de Goddelijke souvereiniteit het meest nabij kwam.

Van hem getuigde DaniŽl later voor Belsazar:

"Wie hij wilde doodde hij, wie hij wilde, liet hij leven, wie hij wilde, verhoogde hij, en wie hij wilde, vernederde hij" (DaniŽl 5:19).

Dat Nebukadnezar dit gezag niet altijd goed heeft uitgeoefend, is een andere zaak. Van hem kunnen we niet zeggen, dat het goud zijn majesteit en vanzelf daaruit volgend zijn gerechtigheid voorstelt, zoals dat bij God het geval is. Dit moeten we wel bedenken. In onze tijd van democratisering, inspraak en laten we rustig zeggen: gezagsondermijning, hebben velen er moeite mee een oosters despoot als Nebukadnezar in een gunstig daglicht te zien en helemaal om zijn machtspositie gunstig te beoordelen.

Laat staan, dat men in deze positie nog iets van een afschaduwing van God wil zien. Men vergeet dan twee dingen. Ten eerste gaat men voorbij aan alle misstanden die zich in een democratie voordoen, zoals onrecht, geweld, uitbuiting, enz. Misstanden, die naarmate de demokratie meer en meer normloos wordt, zich steeds sterker voordoen.

Ten tweede vergeet men, dat wanneer werkelijk een souverein vorst naar normen van recht en gerechtigheid zou regeren, dit het land en het volk meer effektief ten goede zou komen dan bij welke demokratische regeringsvorm ook. Dat de meeste vorsten een dergelijk gezag niet aankonden en ze zich door eigen belang, machtswellust en dergelijke lieten drijven, is waar. Maar dat het volk de demokratische vrijheid niet aan kan, wordt in onze dagen eveneens openbaar.

De wet der Meden en Perzen die niet kan worden herroepen

Er is geen grotere besluitvaardigheid, geen direktere aanwending van kracht, dan in een volkomen souverein geregeerde staat. Bij Nebukadnezar, en zij het in mindere mate toch ook bij zijn opvolgers, werd dit gezag gevonden. Hoewel de vorsten van de Meden en de Perzen souvereine regeerders genoemd worden, waren ze toch niet volkomen souverein. Wanneer een besluit naar de wet van de Meden en Perzen was uitgevaardigd, dan kon dat besluit niet meer worden herroepen. Ahasveros, die zijn vrouw Vasthi wegzond, kon haar niet meer in ere herstellen en Darius was niet bij machte DaniŽl te vrijwaren voor de leeuwenkuil (Esther 1, Dan. 6; zie ook Esther 8:8). Enerzijds voorkwam dit stelsel, dat de vorst in willekeur wetten instelde en ophief. Anderzijds echter bond het hem aan een eenmaal genomen besluit. En dit laatste betekent vermindering van gezag, en beperking in uitoefening van kracht.

De generaals van Alexander

De Grieken zijn altijd een vrijheidsminnend volk geweest. Er waren in vele stadstaatjes wel koningen, maar die waren toch verantwoording schuldig aan de volksvergadering. De koningsfunktie was vaak alleen van belang in geval van oorlog, want dan moest de vorst de troepen aanvoeren. De Griekse stadstaatjes onderhielden een zekere band, en het Griekse volk voelde een zekere eenheid, die tot uiting kwam in volkskarakter, Olympische Spelen, gemeenschappelijke godsdienst e.d., maar van een staatkundige eenheid was geen sprake.

De vrijheidsdrang, die ruimte liet voor onderlinge krakelen, werd hen tenslotte noodlottig, want Filippus van MacedoniŽ wist zich daardoor van heel Griekenland meester te maken. Om opstand tegen zijn gezag te voorkomen en de Grieken samen te binden in ijver voor ťťn gemeenschappelijk doel, wakkerde hij hun vijandschap tegen de Perzen aan. Alexander de Grote volgde zijn vader op, die door een vroegtijdige dood geen gelegenheid had zijn plannen te volvoeren, en in korte tijd trok hij van overwinning naar overwinning heel het Midden-Oosten door. Hij werd trouw bijgestaan door zijn generaals. Maar deze hadden dan ook een aardige vinger in de pap. Toen Alexander van plan was ook India te veroveren, weigerden zijn generaals verder te trekken.

En toen hij zich de positie van een oosters vorst wilde aanmeten en door zijn Griekse onderdanen precies zo eerbiedig knielend benaderd wilde worden als dat bij een oosters monarch gebeurde, begonnen de moeilijkheden eerst goed. Na de dood van Alexander viel het rijk uiteen en geen van de vier generaals, die de brokstukken kregen, heeft zijn rijk tot een wereldrijk weten te verheffen.

In het Griekse rijk zien we dan ook een verdere afgang van het gezag van de vorst en daarmee van het rijk.

De Romeinse volksinvloed

Het Romeinse rijk heeft verschillende bestuursvormen gehad, maar zelfs in de tijd van de keizers is er nooit een volkomen souverein heerser geweest.
Staatkundig gezien was er de Senaat, die tijdelijk door sommige keizers wel aan banden werd gelegd, maar die toch altijd is blijven funktioneren. In het Romeinse rijk was er een sterke volksinvloed. De vrije burger had een stem en het plebs moest met brood en spelen tevreden gesteld worden. Men had er mee te rekenen. Verder werd het leven geregeld door wetten, die verplichtingen met zich meebrachten, maar die ook bepaalde rechten garandeerden. Om een voorbeeld uit de bijbel te noemen: een Romeins burger mocht je niet onverhoord geselen om hem tot een bekentenis te dwingen (verg. Hand. 16:37; 22:25).

Kortom het ijzeren rijk was militair gezien een krachtig rijk, maar wat zijn gezagsstruktuur betreft, beeldde het van de vier wereldrijken het minst het Goddelijke gezag uit.

IJzer en leem

De voeten en de tenen van het beeld bestaan niet enkel uit ijzer, maar uit ijzer en leem. Er is hier wel eens aan een vijfde rijk gedacht, maar dat is niet juist. Er is namelijk niet sprake van een deel met een totaal nieuwe samenstelling. Dit zou het geval zijn geweest als het beeld lemen voeten en tenen zou hebben gehad. Zo is het echter niet. Het hoofdbestanddeel ijzer blijft aanwezig, maar wordt in de voeten vermengd met leem. De konklusie moet dus zijn, dat het Romeinse rijk in zijn laatste vorm een tweeledig karakter draagt. Dan zal er niet alleen een degradatie zijn van het gezag, zoals God dat in de hand van Nebukadnezar legde, er zal ook gebrek aan onderlinge samenhang zijn. Er worden overeenkomsten aangegaan, maar een echte eenheid wordt er niet gevormd.

Dat we niet met een vijfde rijk te doen hebben, blijkt ook als we DaniŽl 2 vergelijken met DaniŽl 7, waar dezelfde vier rijken onder het beeld van vier dieren worden voorgesteld. Van een vijfde dier wordt daar geen melding gemaakt. Dit hoofdstuk zullen we trouwens nog nader beschouwen.

,b>Voeten en tenen

Van een vijfde rijk mogen we dus niet spreken, maar wel moet ons goed voor ogen staan, dat het vierde rijk in een bepaalde periode van zijn bestaan een vormverandering ondergaat.

Het vierde rijk wordt voorgesteld door de benen van het beeld, maar de voeten en tenen worden apart vermeld (vs. 33 en 42) en daarvan wordt aangegeven dat ze van een andere samenstelling zijn, te weten ijzer vermengd met leem. Er verandert dus iets!

Ook is het niet zonder zin, dat DaniŽl in zijn uitleg de tenen van het beeld noemt. Daarmee wordt aangegeven dat het Romeinse rijk in zijn eindfase een samenstel van tien rijken zal zijn.

Als we geen andere beschrijving van de vier wereldrijken zouden bezitten dan deze hier in DaniŽl 2, zou men dit wat ver gezocht kunnen vinden. Toch hebben we nu al genoeg grond voor deze gevolgtrekking. Immers, de armen van het beeld worden vermeld (en daarbij wordt noch in beschrijving, noch in uitleg over handen of vingers gerept) en die wijzen heen naar de tweevoudigheid van het Medisch-Perzische rijk. Zo wordt ook over de benen gesproken en daarin zien we het west- en het oost-romeinse rijk.

Zouden dan de tenen wel vermeld worden en geen betekenis hebben?

Bovendien hebben we, zoals is opgemerkt in DaniŽl 7, eveneens een beschrijving van de vier rijken, die door het beeld worden voorgesteld en daar wordt bij het vierde rijk terdege gesproken over tien koningen:

"En de tien horens - uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan" (Dan. 7:24). Wanneer dan ook in Dan. 2:44 gezegd wordt:

"Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan" (vs. 44),

dan hebben we alle reden te denken aan de tien regeerders in de eindtijd, of aan de tien rijken waarover ze macht uitoefenen en die samen het Romeinse rijk vormen. Ze hebben zich namelijk verenigd ("huwelijksgemeenschap" vs. 43), maar vormen toch geen samenhangend geheel.

De steen.

Nadat we zo het beeld tot in de finesses hebben bekeken, zullen we ons hebben te bezinnen op de vraag of de voeten en tenen in het verleden al voor de dag gekomen zijn.

Nauw daarmee verbonden is de kwestie wat we te verstaan hebben onder de steen die zonder menselijk toedoen naar beneden komt zetten.


In een volgend artikel hoop ik daarop uitvoerig in te gaan.