Snel zoeken:
162 jrg 118, 05-1975 De droom van Nebukadnezar en het ontwaken van Europa 5

,b>De Korte Verklaring

Onderwijl zitten we dan toch maar met de moeilijkheid, dat het Romeinse rijk verdwenen is en dat er van de steen zonder handen afgehouwen in het verleden niets te ontdekken valt. En toch slaat die steen het beeld aan de voeten. Hoe kan dat dan? Het beeld is historisch gezien verdwenen en het koninkrijk van Jezus Christus is nog niet opgericht. Heeft DaniŽl het dan mis gehad??? Het lijkt me goed om nog een poging die gedaan is om deze moeilijkheid op te lossen, te bespreken. Ik doel dan op de uitleg, die door dr. Aalders is gegeven in de bekende Korte Verklaringreeks.

Ten eerste beschouwt Aalders de voeten niet als een voortzetting van het Romeinse rijk. Hij zegt het zo:

"Maar het is toch wel duidelijk, dat van vijf onderscheidene perioden in de wereldgeschiedenis gehandeld wordt, waarvan de eerste vier zijn die van de Babylonische, Medo-Perzische, Macedonisch-Griekse en Romeinse wereldrijken, terwijl de vijfde gekarakteriseerd wordt als die van een "verdeeld koninkrijk, ijzer vermengd met leem" (DaniŽl, blz. 68).

Deze uitleg faalt echter als je hem op DaniŽl 7 toepast, want daar is per se geen sprake van vijf dieren, maar van vier.

Net zo min als de vier koppen van de panter (Dan. 7:6) een ander dan het Grieks-Macedonische rijk voorstellen, net zo min stellen de tien horens (7:7) een ander dan het Romeinse rijk voor.

Nu is Aalders erg voorzichtig. Hij laat het verband met het Romeinse rijk niet helemaal los. Hij vervolgt nl. met:

"Daarin schuilt dus iets van de geweldige kracht van het Romeinse rijk ...."

De ijzer en leemperiode laat hij dan slaan op de tijd, die ligt tussen de ondergang van het Romeinse rijk en het wereldeinde, als het hemelse koninkrijk wordt opgericht. Zelf voert hij het volgende bezwaar tegen zijn eigen uitleg aan:

"Nu is er zeer zeker het bezwaar, dat van ťťn bepaald rijk, dat dit tijdvak vult, geen sprake is. Men heeft dit bezwaar zoeken te ondervangen door te denken aan een laatste wereldrijk dat zich tegen het einde van de wereld vormen zou, bestaande uit de onderscheiden rijken die in de loop der tijden zich hebben ontwikkeld, een geweldige bondsstaat, die men zou kunnen noemen: de Verenigde Staten van de wereld".

Als je dit zo leest dan moet je denken aan het kinderzoekspelletje waarbij de aanwezigen "warm, warm" roepen als de zoeker het verstopte voorwerp nadert. Dr. Aalders is hier inderdaad erg warm, maar hij wendt zich af en wordt weer koud. Hij schrijft verder:

"Doch ten eerste staan we daarmee voor de moeilijkheid, dat men in de historie tot hiertoe de vorming van zulk een wereldbondsstaat nog niet heeft aanschouwd, en niet met genoegzame grond kan aannemen dat het tot de vorming daarvan komen zal".

Nu is het jammer, dat dr. Aalders in plaats van een wereldstatenbond niet spreekt van een Europese statenbond. Voor die gedachte zou bij namelijk in onze tijd voldoende grond voor handen hebben. De tweede grond waarop hij een mogelijk herstel van het Romeinse wereldrijk als statenbond afwijst, is nog merkwaardiger:

"En ten tweede zou dat dan toch ook een rijk zijn, dat gedurende een belangrijk gedeelte van de periode na de ondergang van het Romeinse rijk niet bestaat".

Als Aalders het idee van vijf rijken opgegeven had, dan had zijn bezwaar geluid, dat het Romeinse rijk gedurende een bepaalde periode dan dus niet bestaat. En als hij vervolgens ander Schriftplaatsen had opgeslagen die over hetzelfde rijk spreken, dan was hij niet alleen "warm" geweest, maar had hij de oplossing gevonden. Het lijkt wel een beetje betuttelend van me, maar in feite is het toch zo, want het boek Openbaring spreekt over het Romeinse rijk als "het beest" en vertelt als bijzonderheid van dit beest, dat "het was en niet is en zijn zal" (Openb. 17). En of dat nog niet genoeg is, wordt er ook gesproken van het feit, dat van dit rijk ťťn van de koppen - en er is veel voor te zeggen hier regeringsvormen van het rijk onder te verstaan - dodelijk verwond is, en het herstel juist grote verwondering baart bij de aanschouwers (Openb. 13:3).

Helaas, Aalders probeert de oplossing hierin te vinden, dat het ijzer en leem eigenlijk niet ťťn rijk zou aanduiden.

Op dezelfde wijze legt hij de tien horens van Dan. 7 uit. Het getal tien neemt hij dan zinnebeeldig en hij laat de horens zeer vaag verschillende heerschappijen aanduiden, en wel met deze woorden:

"Na het Romeinse rijk komt er niet meer ťťn machtig, overheersend rijk, dat heel de cultuurwereld omspant en aan zich onderworpen houdt, maar een veelheid van rijken, die elk voor zich over een deel van de cultuurwereld heerschappij hebben en, ondanks een schommeling en verschuiving, elkander wel zo ongeveer in evenwicht houden" (blz. 148).

En Openbaring 13 dan? zou ik willen vragen. Zo stuurt Aalders ons de mist in.

Waarom al die verklaringen genoemd?

We hebben nu drie verklaringen de revue laten passeren, die elk voor zich het probleem trachten op te lossen waarvoor het statenbeeld elke uitlegger plaatst. Samengevat luiden ze:

de gehele droom van DaniŽl is in het verleden vervuld. De steen zonder handen afgehouwen ziet op het christendom, dat het Romeinse rijk omturnde.

de droom is nog niet geheel vervuld, maar wel zijn de tenen al verschenen. De periode die door de tenen wordt voorgesteld, loopt vanaf de tijd dat de tien barbarenrijken werden gevormd tot aan de verschijning van Christus, die dan zijn koninkrijk zal oprichten.

de droom is nog niet geheel vervuld. We leven in de vijfde regeerperiode van ijzer en leem, die voortduurt tot op de verschijning van Jezus Christus. Het getal tien moet zinnebeeldig genomen worden en ziet niet per se op tien rijken, die in die bepaalde periode bestaan.

Wat is nu het nut van deze weergave van verklaringen, die er uiteindelijk naast zijn? Ten eerste dit, dat ze als een zwart tableau dienen, waar tegen het witte beeld beter uitkomt. Ten tweede is men daardoor beter gewapend wanneer men vroeg of laat met deze opvattingen in aanraking komt. En ten derde heb ik laten zien hoe het komt dat men fout ging, namelijk door alleen of hoofdzakelijk af te gaan op de historie, dus op wat zichtbaar is en door te weinig Schrift met Schrift te vergelijken.

Het is onmogelijk DaniŽl 2 en DaniŽl 7 goed uit te leggen als Openbaring 13 en 17 en ook het slot van 19 er niet bij betrokken worden.