Snel zoeken:
192 jrg 120, 01-1977 Engelen in de afgrond

Op de brochure "Het Chiliasme, gewogen en niet te licht bevonden", heb ik van iemand een uitvoerig kommentaar ontvangen. Eén punt daarvan acht ik belangrijk genoeg om in de "Bode" aan de orde te stellen.

In voornoemde brochure heb ik tegenover elkaar gesteld: Openb. 20:3, waar sprake is van het binden van Satan en zijn opsluiting in de afgrond, en 1 Petr. 5:8 en Ef. 6:12 waar gesproken wordt over het rondgaan van Satan als een brullende leeuw en over de wereldbeheersers van deze duisternis, de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten. Ik heb toen gesteld, dat een kind begrijpen kan, dat deze beide beschrijvingen nooit op eenzelfde periode in het bestaan van Satan kunnen slaan.

Hiertegen wordt nu ingebracht 2 Petr. 2:4, waar we lezen:

"want als God engelen, die gezondigd hadden niet spaarde, maar door hen in de afgrond te werpen, hen overleverde aan ketenen der duisternis om tot het oordeel bewaard te worden…"

Persoonlijk verwijs ik nog naar Judas :6, waar het blijkens het verband om dezelfde zaak gaat.

Men gaat er daarbij kennelijk van uit, dat het in 2 Petr. 2:4 om dezelfde personen gaat als in 1 Petr. 5:8 en Ef. 6:12. Dat zal echter eerst bewezen moeten worden.

De engelen, waarover Petrus spreekt in zijn tweede brief, kunnen namelijk onmogelijk dezelfde zijn als waarover Paulus het heeft in Ef. 6. Satan kan zich niet onder deze gebonden engelen bevinden, want in het ene geval gaat het om gebonden engelen, die zich in de afgrond bevinden en in het andere om engelen in de lucht en om Satan, die vrij rondgaat om te zoeken wie hij zou kunnen verslinden. In de theologie worden vaak teksten als argument gebruikt, zonder dat men duidelijk aantoont dat ze inderdaad spreken over de zaak, die men verdedigt of bestrijdt.

Hier hebben we daarvan een voorbeeld. Zonder andere Schriftgedeelten erbij te halen, kunnen alleen al op grond van de bewoordingen van 2 Petr. 2:4 drie dingen tegen bovenstaande kritiek worden ingebracht, en wel:

1. In 2 Petr. 2:4 wordt over engelen gesproken, maar Satan wordt daar niet bij vermeld. Dit maakt de tegenwerping al zeer zwak, want waarom zou juist de Satan niet als voorbeeld van Gods oordeel genoemd zijn? We hebben dus al reden om onder deze engelen niet alle gevallen engelen te verstaan met inbegrip van Satan. Het kan over een gedeelte van de gevallen engelen gaan.

2. Dit laatste wordt versterkt door het feit, dat er voor engelen geen lidwoord staat. Er is sprake van "engelen", niet van "de engelen". In dat laatste geval zou trouwens toch nog een aparte groep bedoeld kunnen zijn, want zowel Judas als Petrus geven een nadere definitie van deze engelen, zodat het bepalend lidwoord in dat geval nog niet beslissend zou zijn geweest. Nu echter het lidwoord ontbreekt, kan niemand beweren dat met deze engelen alle gevallen engelen zijn bedoeld. Integendeel, de tekst wijst heen naar een aparte groep.

3. De bewoordingen "in de afgrond", "ketenen der duisternis", "om tot het oordeel bewaard te worden", duiden een opsluiten aan, dat daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in afwachting van de definitieve berechting. Net zo goed als "de oude wereld" en "de steden Sodom en Gomorra" geoordeeld zijn in afwachting van het eindoordeel, zo goed zijn deze engelen als een voorbeeld gesteld door een daad, die aan hen is verricht. Niet "het verlaten van hun toestand" (Judas) bepaalt hun levensterrein, maar het geworpen zijn in de afgrond.

Er is echter nog meer over de kwestie van de gebonden engelen te zeggen. In Luk. 8:31 staat een uitspraak van de boze geesten, die licht werpt op ons onderwerp. Zij vragen aan Christus "dat hij hun niet gebieden zou in de afgrond te varen". De mogelijkheid, dat dit gebeuren kon onderkenden deze demonen blijkbaar. En heel duidelijk blijkt dat zij in ieder geval wel degelijk onderscheid maakten tussen de toestand waarin ze verkeerden en die waarin ze zouden komen als ze in de afgrond werden gebannen. Voor hen waren dat twee zaken die niet met elkaar in overeenstemming te brengen zijn. Het evangelie van Mattheüs licht dat nog nader toe, want daar wordt er nog een vraag van de demonen vermeld en wel deze:

"zijt gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?" (Matth. 8:29). Het komen in de afgrond betekende dus een "voortijdig" en "pijnlijk" oordeel.

Natuurlijk kan men er op wijzen, dat in Luk. 8 een ander woord voor afgrond wordt gebruikt dan in 2 Petr. 2. In het ene geval is dat "abussos", in het andere "tartaros". Maar daarmee is het hiervoor aangevoerde niet te ontzenuwen. Laten er twee verschillende woorden gebruikt zijn, moet het dan persé om twee verschillende plaatsen gaan? Dat hoeft beslist niet. Maar zelfs al gaat het om twee verschillende verblijven, die afgrond heten, dan doet dat niets af aan de zaak waarom het gaat. Luk. 8 laat zien, dat varen in een afgrond, welke dat dan ook mag wezen, iets anders is als vrij bewegen en vrij werken. En daarom gaat het in deze diskussie.

De engelen waarover Petrus schrijft vormen een aparte groep hemelse wezens, die gevallen zijn en daarom bij wijze van spreken "in voorarrest" zijn opgesloten. Blijft natuurlijk de vraag welke groep engelen dat dan wel is en waarin hun val heeft bestaan. Ten aanzien van de kwestie waarover het gaat is die vraag echter niet van belang.

Daarom volsta ik met erop te wijzen, dat de bewoordingen van de Judasbrief de gevolgtrekking wettigen, dat deze engelen op een soortgelijke wijze gezondigd hebben als de bewoners van de steden Sodom en Gomorra. En verder dat Gen. 6:2 spreekt over "zonen Gods", die zich misgaan hebben, waarbij we te bedenken hebben dat met de term "zonen Gods" in het oude testament engelen zijn bedoeld (zie Job 1:6; 2:1; 38:6).

Het nut van deze kritische beschouwing meen ik als volgt te kunnen samenvatten:

a. de uitleg van Openb. 20, zoals die door het chiliasme wordt gegeven, is er nog eens als juist door bevestigd;

b. er is mee aangetoond dat de Schrift nuttig is tot "verbetering" (dat is de Schrift natuurlijk ook ten opzichte van onze meningen waar die onjuist zijn);

c. er is weer mee onderstreept dat we moeten beginnen Schriftuitspraken letterlijk te nemen;

d. we worden er opnieuw door opgewekt om nauwkeurig te lezen en ons bij elke tekst die aangevoerd wordt af te vragen waarover de betreffende tekst handelt;

e. opnieuw blijkt, dat Schrift met Schrift vergelijken de enige juist methode is om tot een verantwoorde uitleg te komen.

Hopelijk heeft deze uiteenzetting iets laten zien, van de grootheid van het Woord van God, dat "zevenmaal" gelouterd is en nooit met zichzelf in strijd is.