Snel zoeken:
096 jrg 110, 03-1967 De toekomst van de gemeente 03

Mattheüs 3:7
Die ons redt van de komende toorn

Paulus schrijft aan de gelovigen te Thessalonika, dat hun bekering een tweeledig doel heeft nl.

a. om de levende en waarachtige God te dienen
b. om zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, die Hij uit de doden heeft
opgewekt.

Opnieuw blijkt hieruit dat de verwachting van de Heer een essentieel onderdeel van de christelijke levenshouding moet zijn.
Maar wat hij er aan toevoegt is nog merkwaardiger:
“Jezus, die ons redt van de komende toorn”.
Die komende toorn zal ons dus niet treffen. Maar welke toorn wordt hier bedoeld? Meestal verstaat men er alleen de eeuwige straf in de hel onder. Dit is echter onjuist. Van die toorn zijn we al gered op het ogenblik van onze bekering. Johannes schrijft: “Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld”. Willen we een gefundeerde verklaring, dan moeten we niet alleen op de term “toorn” afgaan en dat verbinden met het oordeel van de hel. Neen, dan is het zaak na te gaan wat de Schrift op andere plaatsen zegt over “de toorn”.
Daar is dan in de eerste plaats Matth. 3:7 en Luk. 3:7. “Wie heeft u aangewezen de komende toorn te ontvlieden?” Er komt dus een openbaring van toorn. Verder geeft deze tekst geen nadere bijzonderheden of tijdsbepaling. Hetzelfde geldt van Rom. 1:18: “Want toorn van God van de hemel wordt geopenbaard over alle goddelijkheid en over alle ongerechtigheid van de mensen”. Hiermee wordt een algemeen en altijd geldend principe aangeduid. Wel onthult het ons dat de toorn van God niet opgeschort wordt tot het laatste oordeel, maar van de hemel over de mens op aarde wordt gebracht.
Maar Rom. 2:5 geeft meer licht, daar staat: “Maar naar uw hardheid en uw onbekeerlijk hart hoopt hij voor uzelf toorn op in de dag van de toorn en van e openbaring van het rechtvaardig oordeel van God”. Hier is dus sprake van een tijdsperiode waarin toorn van God geopenbaard wordt.
En dan zegt Rom. 5:9: “Dat wij behouden worden van de toorn door het leven van de Heer”. Zijn dood bracht verzoening, maar zijn opstanding en leven bij de Vader garandeert ons, dat we de toorn van God in geen enkel opzicht ondergaan. Over deze dag van de toorn spreken meer Schriftplaatsen, zo blijkt uit Zefanja 1:4 en 2:2, 3 dat de dag van de toorn dezelfde is als de dag des Heren. Wanneer deze toorn zich nog meer begint uit te storten op deze wereld, zullen de koningen en groten op aarde tot steenrotsen zeggen: “Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die op de troon zit en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van zijn toorn is gekomen en wie kan bestaan? (Openb. 6:16, 17). De toorn van God is dus niet beperkt tot de eeuwige straf van de hel. Al voor die tijd komt er een periode, een dag, dat God toorn van de hemel op aarde over de mensen zal brengen. Als de zeven engelen de zeven schalen vol van Gods grimmigheid over de aarde zullen uitgieten, wordt er gezegd: “want hiermee is de grimmigheid van God voleindigd” (Openb. 15:1). Hier wordt dus alleen aan de toorn of grimmigheid gedacht, die op aarde wordt uitgegoten, en zelfs helemaal niet aan de hellestraf.
Welnu, van die komende toorn, van de dag van toorn over de aarde, wordt de gemeente gered.

Hij, die hem tegenhoudt

Er zijn nog meer argumenten aan te voeren, waaruit blijkt dat de gemeente de grote verdrukking, de dag van de toorn van God en de openbaarwording van de antichrist niet meemaakt. Van deze laatste persoon zegt de Schrift dat hij nog niet openbaar kan worden, want er is een tegenhouder.
“En nu, gij weet wat hem tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn tijd. Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt al. Alleen hij, die (hem) nu tegenhoudt (zal dit doen), totdat hij zal weggenomen zijn” (2 Thess. 2:6, 7).
Wie de tegenhouder is, zegt Paulus niet. De Thessalonikers wisten dat al, want hij had er met hen over gesproken. Maar voor ons moet het evneeens mogelijk zijn om te weten wie het is. God geeft in zijn Woord geen onoplosbare raadsels. Wel zegt Hij de dingen zo, dat we ons geestelijk inzicht moeten gebruiken om zijn verheven bedoeling te verstaan. We krijgen niet alles voorgekauwd, om zo te zeggen. De oplossing is niet zo moeilijk, want er zijn twee andere gedeelten die over dezelfde zaak handelen en wel 1 Joh. 2 en 4. Beide hoofdstukken spreken over dezelfde persoon nl. de antichrist.

2 Thessalonicensen 2

“Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden, want (die dag komt niet). Als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf” (vs. 3).

“Want de verborgenheid van de wetteloosheid werkt reeds” (vs. 7).

1 Johannes 2

“Kinderen het is het laatste uur; en zoals gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen gekomen” (vs. 18).

1 Johannes 4

“En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komt, en hij is nu reeds in de wereld” (vs. 3).

Paulus spreekt van de wetteloze, die komen zal, en zegt dat de wetteloosheid als beginsel nu reeds in de wereld werkt.
Johannes noemt dezelfde persoon met de naam “antichrist”. Deze zal komen, maar nu al werkt de geest van de antichrist in de wereld en zijn vele antichristen gekomen.

2 Thessalonicensen 2

“En nu, gij weet wat (hem) tegenhoudt, opdat hij geopenbaard wordt op zijn tijd… alleen hij, die (hem) nu tegenhoudt, zal dit doen, totdat hij zal weggenomen zijn” (vs. 6, 7).

1 Johannes 4

“Gij zijt uit God, kinderen, en hebt hen overwonnen, omdat Hij, die in u is, groter is dan hij die in de wereld is” (vs. 4).

Er is een tegenhouder, die door “wat” en door “hij” wordt aangeduid. Deze tegenhouder heeft dus een machtiger invloed dan de wetteloze. Hij verhindert de volle openbaring van het kwaad, dat zal uitlopen in openlijke afval van en opstand tegen God.
Johannes spreekt hier ook van. Eveneens zonder namen te noemen zegt hij: “Hij, die in u is”. Welnu dat geeft ons de oplossing van het probleem. De geest van de antichrist is al in de wereld, maar de tijd is nog niet rijp voor de volle openbaring van de antichrist zelf. De Heilige Geest, die in de gelovige en in de gemeente woont, is groter dan de geest van de antichrist die in de wereld is. Zolang de Heilige Geest op aarde is, kan het kwaad niet tot volle ontplooiing komen en kan de antichrist nog niet openbaar worden. Maar de Heilige Geest is in de gemeente, die een tempel van de Geest genoemd wordt. Zodra die Geest wordt weggenomen, is de periode van de kerk van God op aarde voorbij. In zijn evangelie schrijft Johannes dat de Heilige Geest bij en in ons blijft tot in eeuwigheid (Joh. 14:16, 17). Als de Heilige Geest uit het midden wordt weggenomen en dus het omgekeerde plaats vindt als op de pinksterdag, dan gaat de tempel van de Geest mee. De Heilige Geest, wonend in de gemeente, is de grote tegenhouder van de antichrist. Beiden moeten uit het midden weggenomen worden, voordat de afval openbaar kan worden en de dag des Heren aanbreekt.

Totdat de volheid van de volken zal ingegaan zijn

Het is opvallend hoe eenvoudig alles wordt als men Schrift met Schrift vergelijkt. Wat we in omsluierde taal in 2 Thess. 2 en 1 Joh. 2 en 4 vonden, wat daar slechts door combineren was uit te maken, wordt in Rom. 11 in klare bewoordingen uitgedrukt. Bij het onderwerp: “Het ontstaan van de gemeente”, hebben we gezien dat dit ontstaan plaats vond op de pinksterdag. Tot die tijd werkte de Heilige Geest wel op aarde, maar eerst toen werd de gemeente, de tempel van de Heilige Geest, gevormd. Daarna werd een nieuwe periode ingeluid. Vóór die tijd was Israël de drager van het getuigenis van God op aarde. Daarbuiten waren de volken. Deze volken werden gezegend naarmate ze Israël gunstig behandelden. In de gemeente is echter elk nationaal onderscheid opgeheven. In deze periode neemt de Heer uit de heidenen een volk aan voor zijn naam (Hand. 15:14). Behoudens een overblijfsel, dat door God uitverkoren was en ook in de gemeente is opgenomen is er verharding over Israël gekomen. Maar als de gemeente voltallig zal zijn, dan begint God de geschiedenis met Israël opnieuw. Tot die tijd ligt er een deksel van verharding op hun gezicht (2 Kor. 3:14-16). Over deze toekomst van Israël spreekt Paulus uitvoerig in Rom. 11. Zijn woorden behoeven in feite geen andere toelichting:
“Want ik wil niet broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is, opdat gij niet wijs zijt in eigen oog, dat er voor een deel over Israël verharding gekomen is totdat de volheid van de volken zal zijn ingegaan en zó zal geheel Israël behouden worden”. (vs. 25, 26).
De gemeente blijft dus niet tot de zogenaamde jongste dag op aarde. Wanneer ze voltallig is, wordt ze in het vaderhuis gebracht en dan wordt Israël opnieuw de drager van het getuigenis van God op aarde.

De les van de typen

Het oude testament geeft niet alleen de geschiedenis van de godsopenbaring. Vele gebeurtenissen zijn naast een geschiedkundig feit een illustratie, een type van nieuwtestamentische beginselen. De twee vrouwen van Abraham houden zelfs al een symboliek in: Sara het beeld van het hemels Jeruzalem, Hagar van de bedeling onder de wet (Gal. 4:21-31). Het moest ons dan wel hoogst verbazen als er van de opneming van de gemeente vóór de grote verdrukking niet een type in het oude testament was gegeven. Dit is dan ook zeer duidelijk het geval.
In Henoch hebben we er een. Deze gelovige werd zonder te sterven vóór de zondvloed in de hemel opgenomen. Noach en de zijnen daarentegen gingen door de zondvloed heen en bevolkten de gereinigde aarde. In Henoch Hebben we een beeld van de gemeente, die vóór de grote verdrukking in de hemel wordt opgenomen. Noch is een voorafschaduwing van Israël, dat door de verdrukking heen bewaard wordt. Het is niet moeilijk nog meer typen te vinden bijv. Asnath, Zippora enz. Ik laat het echter bij deze ene illustratie.
Bij het vervolg van deze artikelenserie zal er ruimschoots gelegenheid zijn op deze opname van de gemeente voor de verdrukking terug te komen. Daarbij hoop ik nog enkele nieuwe argumenten aan te voeren.

Tot slot van dit gedeelte nog de volgende samenvatting:

1. De Heer komt om de zijnen in het vaderhuis te brengen.
2. De doden in Christus zullen eerst opstaan.
3. De levende gelovigen worden veranderd.
4. Beide groepen ontvangen een lichaam gelijkvormig aan het lichaam van de
Heer.
5. Deze verandering vindt in één ogenblik plaats.
6. Daarna worden de gelovigen in wolken de Heer tegemoet gevoerd.
7. De ontmoeting vindt plaats in de lucht.
8. De Heer voert de zijnen in het vaderhuis zodat ze zijn waar Hij is en ze
altijd bij de Heer zullen zijn!