Snel zoeken:
099 jrg 110, 07-1967 De toekomst van de gemeente 06

Jeremia 30:7
B. De gemeente tijdens de grote veerdrukking (2e vervolg)

Welke heiligen leven dan op aarde?

We hebben reeds eerder opgemerkt dat de leer van de opname van de gemeente, die voorafgaat aan de grote verdrukking, twee consequenties meebrengt. Ten eerste moeten er dan tijdens de verdrukking opgewekte en verheerlijkte heiligen in de hemel zijn. We hebben gezien, dat de 24 oudsten, die herhaaldelijk in het boek “de Openbaring” worden vermeld, hieraan volledig beantwoorden. Een tweede noodzakelijk gevolg is, dat de gelovigen die tijdens de verdrukkingsperiode op aarde leven, niet de kenmerken van de gemeente mogen dragen. Dat houdt in:

a. dat ze niet verbonden zijn tot één lichaam, waarin het onderscheid tussen
Jood en heiden is opgeheven;

b. dat ze geen geestelijke tempel in de Heer vormen, een geestelijk huis waar
los van enige aardrijkskundige plaats of aardse tempel, de Vader slechts
op geestelijke wijze wordt aangebeden;

c. dat ze niet beschreven worden als de bruid van het Lam.

We behoeven slechts de schriftgedeelten, die spreken van de grote verdrukking, op dit punt te onderzoeken, om het tweede gevolg vast te stellen.
Omdat we daarbij het terrein van de toekomst van Israël betreden, volstaan we met een korte samenvatting van de zes Bijbelplaatsen, die hierop betrekking hebben.

Israël en de schare uit de volken

Jer. 30:7 spreekt van een tijd van benauwdheid voor Jakob.
Dan. 12:1, 2 handelt ook over een periode van grote benauwdheid voor het volk van Daniël, dus voor Israël.
Matth. 24:21 en Mark. 13:19 vermelden beide de uitdrukking “grote verdrukking”. Ook hier maakt het verband duidelijk, dat het om de Joden gaat, want er is sprake van “de gruwel van de verwoesting in de heilige plaats”; van “hen die in Judéa zijn” en van “de sabbat”.
Openb. 3:10 duidt deze periode aan met de term “uur van de verzoeking” en behelst de belofte dat de gemeente er voor bewaard wordt, en dus niet die verzoeking op aarde meemaakt.
Openb. 7 spreekt weer letterlijk van “de grote verdrukking” en laat zien dat er dan twee groepen heiligen op aarde zijn n.l. 144000 verzegelden uit Israël en een grote schare uit de volken.
Verder getuigen zowel het oude als het nieuwe testament van een toekomstig herstel van Israël, dat via deze periode van verdrukking en benauwdheid plaats vindt.
Ten slotte laat het boek “de Openbaring” zien, dat de gelovigen in de verdrukking een eredienst hebben, die verband houdt met de tempel te Jeruzalem (Openb. 11).

Hiermee is aangetond, dat ook aan het tweede noodzakelijke gevolg is voldaan: tevens zijn er aan de reeks bewijzen, die aantonen, dat de gemeente vóór de grote verdrukking van de aarde wordt opgenomen in de hemel, twee zeer duidelijke argumenten toegevoegd.

Een kleine correctie

In het voorgaande hebben we de tijd na de opneming van de gemeente zonder meer de grote verdrukking genoemd. Dit is echter niet helemaal juist. De eigenlijke grote verdrukking begint pas nadat de antichrist zijn waar karakter openbaart en zijn masker van huichelarij afwerpt. Hij zal dan de joodse eredienst aan de kant zetten en zich als God laten verheerlijken in de tempel (Matth. 24:15; 2 Thess. 2:4). Daarmee vangt de verdrukking aan, die

a. een halve jaarweek (Dan. 9:27)
b. tijd, tijden en een halve tijd (Dan. 7:25; Openb. 12:14)
c. 42 maanden (Openb. 11:2; 13:5)
d. 1260 dagen (Openb. 11:2; 12:6) zal duren.

De gemeente niet in het oordeel

Nadat de gelovigen zijn opgenomen, moeten zij openbaar worden voor de rechterstoel van Christus. Veelal stelt men dit gelijk met het oordeel over de volken, dat in Matth. 25:31-46 wordt beschreven. Zoals we later ook nog zullen aantonen, is dit onjuist. Het hemelse karakter van de gemeente maakt op zichzelf al duidelijk, dat ze nooit met de volken op één lijn gesteld kan worden.
De gemeente is gegrondvest op Christus, de Zoon van de levende God (Matth. 16:16,18). Door dood en opstanding heeft de Heer bewezen de Zoon van God te zijn (Rom. 1:4). Op Hem als de gestorven en opgestane Heer, is de gemeente gebouwd. Ze staat dus volkomen “buiten de tijd”. Ze bevindt zich al aan de andere kant van de dood op “opstandingsbodem”. We zijn met Christus gestorven en opgewekt. Hoe kunnen we dan voorwerpen van het oordeel zijn? Hoe zou er nog uitgemaakt kunnen worden, of we tot de schapen óf tot de bokken behoren? Verder hebben we een hemelse roeping (Hebr. 3:1; Fil. 3:14) en hemelse zegeningen (Ef. 1:3). Ons burgerschap is daar (Fil. 3:20). We zijn met Christus gezet in de hemelse gewesten (Ef. 2:6). Het kan dus niet anders of de gemeente staat boven het oordeel. Dat zegt de Schrift ook nl.:
“Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld” (Joh. 3:18).
“Voorwaar, voorwaar ik zeg u: wie mijn woord hoort en gelooft Hem die mij gezonden heeft, heeft het eeuwige leven en komst niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven” (Joh. 5:24). Bovendien zegt God van de gelovigen:
“Daarom als iemand in Christus is – een nieuwe schepping; het oude is voorbij gegaan, zie het is alles nieuw geworden” (2 Kor. 5:17). Welnu, die nieuwe schepping kan niet meer een voorwerp van oordeel zijn.

Wel voor de rechterstoel

Hoewel de gemeente niet in het oordeel komt, wordt ze toch wel gesteld voor de rechterstoel. Er zijn twee teksten die dat zeggen:
“Want wij zullen allen voor de rechterstoel van God gesteld worden; want er staat geschreven: “Zo waar ik leef zegt de Heer, voor Mij zal elke knie zich buigen en elke tong zal God belijden. Zo zal dan een ieder van ons rekenschap geven aan God. Laten we dan niet meer elkaar oordelen…” (Rom. 14:10-13).

en:

“Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een ieder ontvangt wat in het lichaam gebeurd is, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad” (2 Kor. 5:10).

Zoals gezegd, mogen we deze rechterstoel van God en van Christus niet vereenzelvigen met de troon der heerlijkheid uit Matth. 25. Het gaat om het algemeen beginsel dat ieder voor God en Christus rekenschap heeft af te leggen. En dat we dus niet elkaar hebben te oordelen, maar dat aan de Heer moeten overlaten.
Ten tweede staat er niet dat we voor de rechterstoel geoordeeld worden, maar geopenbaard, d.w.z. het is niet een kwestie van behouden of niet behouden zijn, maar van rekenschap afleggen van ons leven als behoudenen. In deze teksten is dan ook geen sprake van scheiding in twee groepen.
Ten derde staat er niet dat we of goed of kwaad ontvangen naar dat we goed of kwaad gedaan hebben. Een gelovige ontvangt geen straf, want “de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem” (Jes. 53:5). Deze beide teksten zijn gericht tot gelovigen en hebben tot doel ons te wijzen op onze verantwoordelijkheid, opdat we hier op aarde nauwgezet zouden leven tot eer van God.

Met welk doel voor de rechterstoel?

Met welk doel worden we geopenbaard? Weer twee andere schriftplaatsen werpen dat licht op:

“Want ik ben mij van niets bewust, doch daardoor ben ik niet gerechtvaardigd, maar Hij die mij beoordeelt is de Heer. Oordeelt daarom niet voor de tijd, totdat de Heer komt, die ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht zal brengen en de overleggingen van de harten openbaar maken zal; en dan zal een ieder zijn lof ontvangen van God” (1 Kor. 4:4, 5).

Dit gedeelte bevat dezelfde gedachte als Rom. 14. Niet wij hebben elkaar te oordelen, maar God Zelf zal ons werk aan het licht brengen. Opnieuw blijkt dat het niet gaat om de kwestie van de behoudenis, want het doel van het openbaar worden voor de rechterstoel is het uitkeren van loon! Dan zal een ieder zijn lof hebben van God. En wat gebeurt er met datgene wat niet bestaan kan in het heilig licht van God? Hierover spreekt de tweede tekst, nl. 1 Kor. 3:13-15:

“Ieder werk zal openbaar worden. Want de dag zal het aan het licht brengen, omdat hij in vuur geopenbaard wordt, en hoe ieders werk is, zal het vuur beproeven. Als iemands werk, dat hij daarop gebouwd heeft, zal blijven, zal hij loon ontvangen; als iemands werk zal verbranden, zal hij schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch als door vuur”.

God wil niet alleen redden, maar ook loon uitkeren. Het is de Heer niet onverschillig hoe iemand behouden wordt. De rechterstoel dient om ons werk te beproeven. Wat niet in het licht van God kan bestaan, wordt verteerd door het vuur. Voor wat wel de toets kan doorstaan, ontvangen we loon. Helaas is het mogelijk, dat iemand, zoals Lot vroeger, wel zelf gered wordt, maar als het ware alleen met het vege lijf, als door het vuur heen.
Wanneer precies dit openbaar worden van de gemeente voor de rechterstoel plaats vindt, is moeilijk te zeggen. Aangenomen mag worden dat het gebeurd is als de Heer Zich de gemeente “zonder vlek of rimpel” voorstelt. Dus direct na de opname!

C. De gemeente en de verschijning van de Heer.

Verschijnt de Heer alleen met de engelen?

Dat de Heer Jezus bij zijn verschijning in heerlijkheid, om de volken te oordelen, begeleid wordt door zijn heilige engelen, zal niemand ontkennen. Schriftplaatsen als Matth. 24:30, 31; 25:31 en 2 Thess. 1:7, 8 tonen dat namelijk duidelijk aan. De vraag die ons bezighoudt is echter of alleen engelen de Heer vergezellen of dat ook verheerlijkte heiligen zijn gevolg vormen. Het laatste ligt natuurlijk in de lijn van ons betoog. Als de gemeente vóór de grote verdrukking wordt opgenomen, als ze tijdens die periode in het vaderhuis vertoeft, dan is het alleszins aannemelijk dat ook de heiligen Hem zullen vergezellen als Hij in heerlijkheid verschijnt en die vijanden aan zijn voeten onderwerpt. Dit wordt door de Schrift gerechtvaardigd.

Alle heiligen met Hem

Allereerst is er het getuigenis van het oude testament. Zacharia beschrijft hoe eenmaal Jeruzalem omsingeld zal worden door de volken (Zach. 12:2-9; 14:1-7). Dan zal de Heer verschijnen en tegen de vijanden van Israël ten strijde trekken, en zullen zijn voeten staan op de Olijfberg:

De Here, Mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem” (Zach. 14:5).

In overeenstemming hiermee is het getuigenis van de apostel Paulus, als hij de gelovigen te Thessalonika opwekt om onberispelijk te zijn in heiligheid voor onze God en Vader “bij de komst van onze Heer Jezus met al zijn heiligen” (1 Thess. 3:13).
Het is belangrijk daarbij op te merken, dat de engelen nooit “heiligen” worden genoemd. De Schrift spreekt wel van heilige engelen, maar met het woord “heiligen” worden geen engelen, maar gelovigen bedoeld. Zij die een totaal andere toekomstvisie huldigen, moeten dit erkennen.

Met Hem geopenbaard in heerlijkheid

De gemeente is op de meest innige wijze aan de Heer verbonden. Aan de gelovigen te Kolosse schrijft Paulus, dat wij met Christus zijn gestorven en opgewekt en dat ons leven met Christus verborgen is in God (Kol. 2:20; 3:1-3). Wat ons lichaam betreft, zijn we nog op aarde, omdat de Heer nog een taak voor ons heeft, maar in feite horen we in de hemel. De opname van de gemeente brengt ons daar werkelijk.
Wanneer daarna de Heer in heerlijkheid openbaar wordt, dan wordt het Hoofd met zijn lichaam, Christus met zijn gemeente openbaar, want zegt Paulus:

“Wanneer Christus, ons leven, zal geopenbaard worden, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid” (vs. 4).

Er staat dus niet dat wij na zijn verschijning, na een of ander oordeel met Hem verheerlijkt worden. Nee, op hetzelfde moment dat de Heer in heerlijkheid verschijnt, worden de gelovigen met Hem geopenbaard in heerlijkheid. Zo zal vervuld worden wat de apostel op een andere plaats schrijft:

“Wanneer Hij komt zal om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en bewonderd te worden in allen, die geloofd hebben” (2 Thess. 1:10).

Geroepen, uitverkorenen en getrouwen

Gedurende de grote verdrukking zal er een geweldige staatkundige macht op aarde scepter voeren. Dit machtige rijk, zowel als de persoon die aan het hoofd staat, worden in de bijbel aangeduid als “het beest”.
Dit beest zal in de eindtijd alle macht ontvangen van Satan, die op de aarde is geworpen.
Dit God vijandige rijk zal ten slotte zo vermetel zijn ook de strijd aan te binden met Christus, die als Koning der koningen van de hemel verschijnt. We geven dit weer met de woorden van de Schrift:

“Dezen (de koningen van de aarde nl.) zijn één van zin en geven hun macht en hun gezag aan het beest. Dezen zullen oorlog voeren tegen het Lam en het Lam zal hen overwinnen – want het is een Heer der heren en een Koning der koningen” – en het gaat om wat er dan volgt:

“en zij die met Hem zijn, geroepenen, uitverkorenen en getrouwen” (Openb. 17:14).

Als dus Christus strijdt met zijn vijanden, dan zijn de geroepenen en uitverkorenen en getrouwen met Hem. En dat hiermee geen engelen bedoeld zijn, behoeft niet aangetoond te worden!

De legerscharen, die in de hemel zijn

Nog zijn de bewijzen niet uitgeput. Openbaring 19 geeft opnieuw een beschrijving van de eindstrijd tussen het Lam en het beest. Nadat de bruiloft van het Lam is aangekondigd, ziet Johannes hoe de hemel geopend wordt en de Koning der koningen en Heer der heren op het witte paard verschijnt. Ook ziet hij de legerscharen die in de hemel zijn en die het gevolg van Christus vormen. Johannes beschrijft deze legers als volgt:

“En de legerscharen, die in de hemel zijn, volgen hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen” (vs. 14).

Nu wordt ook wel van engelen gezegd, dat ze bekleed zijn met rein, blinkend lijnwaad nl. in hfdst. 15:6, maar daar wordt in het oorspronkelijke niet precies dezelfde uitdrukking gebruikt als hier. Bovendien maakt het verband duidelijk dat hier teruggegrepen wordt op vers 8 van hfdst. 19. Daar wordt van de bruid gezegd dat ze “bekleed is met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen”.
Opnieuw wordt dus aangegeven dat verheerlijkte heiligen met de Heer verschijnen.