Snel zoeken:
116 jrg 112, 11-1969 IsraŽl en het evangelie 04

Romeinen 11:1
Hoofdstuk 11

Heeft God zijn volk verstoten? (vs. 1-10)

IsraŽl heeft de prediking van gerechtigheid-op-grond-van-geloof afgewezen. Daarmee werd vervuld wat de profeten voorzegd hadden. Als gevolg daarvan werd het heil aan de volken aangeboden, wat eveneens door diezelfde profeten was aangekondigd (hfdst. 10).
Dat roept echter een nieuw probleem op: hoe is dan nu de verhouding tussen God en IsraŽl?
Deze uiterst belangrijke kwestie, die in onze tijd wel bijzonder actueel is geworden, gaat de apostel in hoofdstuk 11 bespreken.
Hij opent zijn verhandeling met een vraag, die de kern van het probleem raakt:
ďHeeft God zijn volk verstoten?Ē
Dat wil zeggen: Heeft God de band met IsraŽl totaal en voorgoed doorgesneden? Is IsraŽl voor Hem een afgedane zaak?
Helaas heeft deze gedachte in de christenheid sterk terrein gewonnen. Tot in de vorige eeuw werd ze bijna algemeen aanvaard. Men heeft de Kerk het geestelijk IsraŽl genoemd en dit volk-zelf totaal afgeschreven. Alle profetieŽn die spreken van een glorieuze toekomst voor IsraŽl (om alleen maar Jesaja 11 te noemen) eigende men zich met behulp van de ďvergeestelijkingsmethodeĒ toe en alle vloeken liet men voor het oude bondsvolk. Ondanks duidelijke schriftuitleggingen van bekwame mannen Gods in de vorige eeuw en ondanks de gebeurtenissen in het midden-oosten in onze eeuw, wordt deze theorie nog in een groot gedeelte van de christenheid taai vastgehouden.
Deze opinie is echter lijnrecht in strijd met wat Paulus hier betoogt. Hij beantwoordt de vraag: ďHeeft God zijn volk verstoten?Ē ontkennend met een stelling: ďVolstrekt nietĒ. En hij staaft dat antwoord met een aantal bewijzen, die we naar hun aard in vieren kunnen indelen:

1. De geschiedenis van na de pinksterdag bewijst dat God zijn volk niet
verstoten heeft.
2. Het doel van IsraŽls val sluit die verstoting uit.
3. De verbinding van IsraŽl met de vaderen gedoogt geen verstoting.
4. Het profetisch woord ontkent deze verstoting.

Er is een ďoverblijfselĒ

Als God zijn volk verstoten had, zou geen enkele IsraŽliet deel gekregen hebben aan het heil, dat vanaf de pinksterdag wordt verkondigd. Maar Paulus, de voorvechter van het evangelie, is zelf een IsraŽliet, uit het geslacht van Abraham, van de stam van Benjamin. Hij, de ďgeregistreerdeĒ jood, is dus het levend bewijs van het tegendeel. En daarin staat hij niet alleen. De eerste gemeenten in Judea bestonden immers uitsluitend uit Joden! Zoals er in de dagen van Elia een restant God diende: ďzevenduizend die de knie voor Bašl niet gebogen hebbenĒ, zo is er ook nu een overblijfsel, een rest, naar de verkiezing van de genade. God heeft dus zijn volk ďdat Hij gekend heeftĒ Ė dat laatste houdt de betrekking als zijn volk in Ė niet verstoten. Maar de rest, die behouden wordt, bestaat niet voor God op grond van werken, maar leeft door genade. Wat IsraŽl door eigen krachtinspanning trachtte te verkrijgen, heeft het niet verkregen. Het overblijfsel verkreeg het op grond van genade en de overige IsraŽlieten zijn verhard geworden. De apostel laat niet na duidelijk aan te tonen dat deze verharding in wet, psalmen en profeten (Deut. 29:4; Ps. 69:23, 24; Jes. 29:10) is voorzegd).

Gestruikeld om te vallen? (vs. 11-15)

IsraŽl ergerde zich aan het kruis. Het struikelde over Christus, de rots der ergernis (Rom. 9:33). Was het God dan om hun val te doen? Was die vla het doel? Nee, maar hun val, die ze aan zichzelf te wijten hadden, maakte vrij baan om het heil aan de volken te schenken. Dat echter niet alleen, God gebruikt dit laatste weer om IsraŽl tot jaloersheid te verwekken, tot verlangen naar het heil. Maar dan is IsraŽl dus geen afgedane zaak voor God. Het doel dat God met de verkondiging van het heil onder de heidenen heeft, sluit deze gedachte uit! Ja, zelfs in het heden heeft God de band met IsraŽl niet totaal doorgesneden, want Paulus probeert nu al op de een of andere manier enigen uit IsraŽl tot jaloersheid op te wekken, opdat ze behouden mochten worden. Wat zal het echter zijn als god werkelijk zijn doel bereikt en IsraŽl als volk het volle heil ontvangt? Als hun ďverliesĒ de rijkdom van de volken inhoudt, wat zal dan hun ďvolheidĒ een zegen voor de wereld betekenen! Als hun ďverwerpingĒ de verzoening voor de wereld inhoudt, wat zal hun ďaannemingĒ dan wel niet zijn?
In deze tijd worden de volken gezegend omdat IsraŽl de zegen verwierp en God daarom hen verwierp. Maar dat is niet de positie die IsraŽl naar Gods beloften moet innemen om tot zegen van de volken te zijn! God heeft aan de vaderen beloofd, dat Hij in hun nageslacht de volken zou zegenen (Gen. 26:4; 28:14). Maar dat wil niet zeggen door hun ongehoorzaamheid, door hun val en verwerping. Nee, God wil de volken in de zegen van IsraŽl laten delen, zů moest IsraŽl tot zegen zijn. En zů zal het ook gebeuren. Het profetisch woord getuigt dat er van de berg Sion zegen zal uitgaan tot de volken (Jes. 2:2-5; 11:10; 19:24; 27:6; 60:1; 62:1, 2 enz. enz.). IsraŽl bevindt zich nu echter in een dal. Maar als daardoor al zegen tot de volken opstijgt, wat zal het dan wezen als het zo diep gevallen volk weer wordt opgericht en er van zijn verheven positie zegen stroomt. Dat moet ťn voor IsraŽl ťn voor de volken gelijk staan met leven uit de doden1
De apostel gaat hier, niet nader in op dit herstel van het volk, hij kondigt het alleen aan: hij stelt hun ďaannemingĒ tegenover hun ďverwerpingĒ. IsraŽl is dus niet verstoten: niet wat het heden betreft, want Paulus zoekt enigen uit hen te behouden; en niet wat de toekomst aangaat, want dan zullen ze als volk aangenomen worden.

De wortel is heilig (vs. 16-24)

Het derde argument tegen de gedachte dat God zijn volk verstoten heeft, vindt zijn grond in de verbinding tussen IsraŽl en de vaderen. Om dit duidelijk te maken voert de apostel een vergelijking in, die iedere IsraŽliet wel moest aanspreken. Als namelijk de eerstelingen van het koren heilig zijn Ė hier doelt hij op de eerstelingen, die aan de Heer gewijd werden (zie Ex. 23:19; 34:26; Lev. 23:10) Ė dan is ook het deeg dat er van bereid wordt heilig (vergel. Lev. 2:12; 23:17; Num. 15:17-21). De apostel werkt de vergelijking niet uit, zijn bedoeling is zo duidelijk dat dit niet nodig is. Slechts met ťťn zin (vs. 28) komt hij erop terug. Met de eerstelingen bedoelt hij de vaderen, die god heeft uitverkoren en aan wie Hij zijn beloften heeft gegeven. Met het deeg: het volk dat uit hen ontsproten is. Daarna gaat Paulus over op een ander beeld, dat geschikt is om naast de verbinding met de vaderen ook de gedeeltelijke en tijdelijke verwerping van IsraŽl te illustreren (zie voor een dergelijke overgang van het ene beeld op het andere: 1 Kor. 3:9, eerst akkerwerk, daarna gebouw). Hij spreekt nu over de olijfboom, ťťn van de bekende symbolen voor IsraŽl.
Als daarvan de wortel heilig is, zijn de takken het ook. De wortel stelt hier weer de vaderen voor en de takken het volk. Zijn nu alle takken afgehouwen? Nee, sommige. De apostel gebruikt hier niet ďvelenĒ om ze sterker te laten uitkomen, dat er geen totale verstoting van het volk bestaat. Zoals gezegd, moesten deze beelden een IsraŽliet wel bijzonder aanspreken, maar we moeten niet vergeten dat de apostel zich vanaf vers 13 tot de volken wendt. Bij hen kon namelijk de gedachte postvatten, dat zij met uitsluiting van IsraŽl deel hadden gekregen aan het heil, dat God via Abraham heeft beloofd met de woorden: ďIn u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend wordenĒ. De volken moeten echter beseffen, dat ze tot een wilde olijfboom behoorden en dat ze slechts geŽnt zijn op de wortel van de ďtammeĒ. Ze hebben dus geen enkele reden om zich te verheffen boven IsraŽl. God heeft niet de volken willen zegenen en door de volken de ďvaderenĒ, dan zouden zij als takken de wortel dragen. Het is net omgekeerd. Zij danken de zegen aan Abraham enz. De wortel draagt hen!

Gij staat door geloof

ďMaarĒ, zouden de volken kunnen zeggen, ďde takken zijn toch afgebroken, opdat wij zouden worden geŽnt?Ē ďAkkoordĒ, zegt Paulus als het ware, ďmaar bedenk dan wel, dat de reden van IsraŽls val Ė ongeloof Ė eveneens een reden zal zijn voor jullie valĒ. Want als God de natuurlijke takken niet heeft gespaard toen ze van Hem afweken, zal Hij dan de geŽnte in zoín geval laten staan? Natuurlijk niet! We zien in de handeling van God met IsraŽl en de volken twee dingen: ďgestrengheid over IsraŽlĒ dat gevallen is en ďgoedertierenheid over de volkenĒ, die staan door het geloof. Maar dit is een wederkerige zaak. Als de volken niet bij de goedertierenheid van God blijven, dus tot ongeloof vervallen, dan zullen zij gestrengheid ondervinden. En als IsraŽl niet in zijn ongeloof volhardt, zal het weer geŽnt worden en de barmhartigheid van God ondervinden. En dit laatste is niet alleen een mogelijkheid: ďGod is machtig hen weer in te entenĒ: het is een feit dat zal plaats hebben: ďhoeveel te meer zullen dezenÖĒ. Eveneens is de verwerping van de volken niet slechts een mogelijkheid: ďHij mocht ook u niet sparenĒ; het is ook een feit dat zal plaats hebben. Alleen is er dit verschil: IsraŽls herstel kondigt Paulus aan, dat van de verwerping van de volken niet. Hij laat de volken die conclusie zelf trekken! Dat ligt namelijk in de lijn van zijn betoog: als er natuurlijke takken moesten worden afgebroken om tegennatuurlijke te enten, dan moesten er tegennatuurlijke worden afgebroken om de natuurlijke te enten. Zonder afbreken geen enten! Bovendien kunnen volken zelf in de loop van hun geschiedenis de toets aanleggen of ze ďbij de goedertierenheid van GodĒ gebleven zijn. De historie bewijst het tegendeel, zoals Paulus in zijn latere brieven aangeeft (zie o.a. 1 en 2 TimotheŁs).

Het profetisch woord (vs. 25-27)

Het laatste argument dat de verstoting van IsraŽl weerlegt berust op het profetisch woord of ruimer gezegd: op de openbaring van God. Paulus onthult namelijk een geheimenis, dat kennelijk hemzelf door God is geopenbaard. Het bestaat hierin:

a. De verharding, die we nu bij IsraŽl zien is slechts over een deel
gekomen.(Een ander deel is als overblijfsel naar de verkiezing der genade
aangenomen).
b. Deze verharding duurt niet altijd, maar ďtotdat de volheid van de volken
zal zijn ingegaanĒ.

Als het volle getal van behoudenen uit de volken is bereikt, dan zal IsraŽl weer aangenomen en geŽnt worden. ďZůĒ dat wil zeggen: op die manier gaat de herinlijving van IsraŽl in zijn werk. Dan wordt niet een deel van IsraŽl aangenomen, terwijl een ander deel verhard is, maar heel IsraŽl. Het gelovig deel van IsraŽl in de toekomst, dat de loutering van de grote verdrukking heeft meegemaakt, vormt IsraŽl, de ongelovige IsraŽlieten zijn namelijk door het gericht weggenomen, hetzij in het land (Zach. 13), hetzij op weg er naartoe (Ezech. 20).

Uit Sion zal de Verlosser komen

Paulus beroept zich echter niet alleen op een openbaring, die hem gegeven is. Hij brengt deze openbaring in verband met de profetie uit de oude bedeling. Het behoud van IsraŽl is voorzegd door bijna alle profeten van de oude dag.
Paulus haalt er hier slechts ťťn aan, die moet dus wel bijzonder sprekend zijn:

ďUit Sion zal de Verlosser komen, hij zal de goddeloosheden van Jakob afwenden. En dit is voor hen het verbond van Mij, wanneer Ik hun zonden zal wegnemenĒ (Jes. 59:20, 21).

Let wel, er staat niet dat de Verlosser naar Sion toe zal komen, maar vanuit Sion. Het slaat dus niet op de komst van Christus van Bethlehem, via NazarethÖ naar Jeruzalem om daar te sterven. Dat bracht zegen voor de volken. Nee, straks zal de Heer voor IsraŽl verschijnen, dan zullen zijn voeten staan op de Olijfberg, dan zal Hij vanuit Sion verlossen. De apostel handhaaft dus de oudtestamentische profetieŽn, die spreken van een herstel voor IsraŽl, volledig voor dat volk en geen ander. Ook het verbond laat hij, zoals uit dit citaat blijkt, volkomen op IsraŽl slaan.

Niet door het evangelie van de genade (vs. 28, 29)

Dat dit herstel van IsraŽl niet plaats vindt in de periode dat het evangelie tot de heidenen uitgaat, blijkt behalve uit de openbaring van de verborgenheid Ė totdat de volheid der volken zal zijn ingegaan Ė ook nog uit iets anders. Namelijk hieruit dat de IsraŽlieten wat het evangelie betreft ďvijanden zijnĒ en dat wel ter wille van de volken. God wilde de volken het heil bereiden. IsraŽls verwerping van het heil maakte daarvoor vrij baan, zodoende zijn ze vijanden van God. Via het evangelie, dat nu verkondigd wordt, worden ze dus niet weer geŽnt. Het evangelie bracht en brengt voor IsraŽl alleen vijandschap. God heeft echter een andere grond om zich over hen te ontfermen. Zijn ze wat het evangelie betreft vijanden, wat de verkiezing betreft zijn ze geliefden ter wille van de vaderen. God heeft Abraham, Izašk en Jakob uitverkoren en ter wille van hen zal Hij IsraŽl zijn liefde en erbarming bewijzen: ďwant de genadegaven en de roeping van God zijn onberouwelijkĒ.

Aan allen barmhartigheid (vs. 30-32)

De apostel ontvouwt daarop in kort bestek de weg die God met IsraŽl en de volken gaat. Na de zondvloed zijn via de spraakverwarring de volken ontstaan. Allen vervielen in afgoderij. Zou God weer oordelen of barmhartigheid bewijzen? God deed het laatste. Hoe ging dat in zijn werk? God verkoos via Abraham enz. het volk IsraŽl en bewees hen zijn barmhartigheid. In die tijd ĖďvoorheenĒ Ė geloofden de volken niet in God. Zij bleven het getuigenis van de schepping verwerpen (zie Rom. 1).
IsraŽl week echter van God af en toen Christus kwam ďom zijn volk te verlossen van hun zondenĒ (Matth. 1:21), verwierpen ze de Verlosser. Door het ongeloof van het volk Ė ďvan dezenĒ Ė bewees God toen barmhartigheid aan de volken, zij werden geŽnt.
In de toekomst vindt echter het omgekeerde plaats:
ďZo hebben ook deze (IsraŽl) niet geloofd, dat gij barmhartigheid verkregen hebt, opdat ook zij barmhartigheid zouden ontvangenĒ.
Als namelijk de volken niet bij de goedertierenheid van God blijven en tot ongeloof vervallen, dan zal IsraŽl weer aan de beurt komen. Zowel de volken als IsraŽl hebben elk hun periode van ongeloof en van barmhartigheid en die wisselen elkaar af. Op die wijze heeft God allen onder het ongeloof besloten Ė hier wordt Gods kant van de zaak belicht, dat neemt echter de verantwoordelijkheid van de mens om te geloven niet weg Ė opdat Hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen. Is het wonder dat de apostel na zoín beschouwing van de wegen van God met IsraŽl en de volken, waarin zijn rijkdom aan barmhartigheid en wijsheid tot uiting komt, eindigt met een lofzegging? Laat het ons bij de bestudering van deze hoofdstukken ook zo gaan, dat we besluiten met een: ďHem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid! AmenĒ.