Snel zoeken:
123 jrg 114, 01-1971 Het IsraŽlprobleem 01

Zacharia 9:9
De vergeestelijkingstheorie op retour

IsraŽl staat de laatste jaren in het middelpunt van de politieke belangstelling. De nog jonge staat haalt bijna elke dag de voorpagina van de grote nieuwsbladen. Maar dat niet alleen, ook de kerkelijke pers houdt zich intensief met het IsraŽlprobleem bezig. En dat niet slechts wat het politieke en maatschappelijke vlak betreft.
Langzamerhand is men namelijk gaan beseffen, dat IsraŽl meer dan enkel een staatkundige toekomst heeft. De theorie dat het oude volk van God als zodanig voorgoed heeft afgedaan en dat alle onvervulde profetieŽn van het oude testament in geestelijke zin op de ďkerk van de nieuwe bedelingĒ toegepast moeten worden, bevredigt velen niet meer. Men is zich opnieuw op deze profetieŽn gaan bezinnen. De resultaten van dit onderzoek zijn in ververschillende publicaties neergelegd.
Over deze vernieuwde belangstelling voor wat de Schrift zegt aangaande IsraŽl kunnen we niet anders dan ons van harte verheugen. Toch moeten we daarbij twee kritische kanttekeningen maken:

1. De vernieuwde bezinning in de kerkelijke theologie is door de druk van de
omstandigheden ontstaan en is niet het resultaat van opzichzelfstaand
Schriftonderzoek.
2. De resultaten ervan zijn vaag, waar het er om gaat de toekomst, die IsraŽl
op het geestelijk vlak blijkbaar heeft, in overeenstemming te brengen met
de positie van de kerk.

Deze beide stellingen vragen om een toelichting.

De verkeerde bril

Wat het eerste punt betreft is het zo, dat de vestiging van de staat IsraŽl, de frappante afloop van de zesdaagse oorlog en andere omstandigheden in het Midden Oosten de vraag opriepen: Is er met de Joden toch meer aan de hand dan wij altijd hebben gedacht?
Op zichzelf behoeft dit nog geen bezwaar te zijn. God kan bepaalde omstandigheden gebruiken om onze ogen te openen voor een zaak, die we lang over het hoofd hebben gezien of jaren lang verkeerd hebben beschouwd. Hier is echter meer in het geding. Velen beginnen dus in te zien, dat de ďvergeestelijkingstheorieĒ, die eeuwenlang door het Calvinisme is geponeerd, niet houdbaar is. Maar heeft men zich nu ook ernstig bezig gehouden met de vraag hoe deze wankele theorie ooit heeft kunnen ontstaan? Als hernieuwd Schriftonderzoek aantoont dat een bepaalde opvatting niet meer houdbaar is, dan blijkt dat ze het product is van menselijk denken en niet de vrucht van de Geest van God, ďdie in alle waarheid wil leidenĒ (Joh. 16:13). Nu weten wij wel dat dit denken de Schrift als uitgangspunt nam, daarvoor is het per slot van rekening theologie en geen heidense filosofie. Ook nemen we niet aan, dat men moedwillig een verkeerde theorie de wereld heeft ingestuurd. De zaak is eenvoudig deze, dat men bij het beschouwen van de Schriftgegevens de verkeerde bril heeft opgehad. En dus rijst de vraag of de theologen, die nu de vergeestelijkingsmethode van de hand wijzen, zich daarvan wel rekenschap hebben gegeven. Een oude theorie verwerpen en een nieuwe opstellen is ťťn ding, nagaan door welke bril men in het verleden blijkbaar heeft gekeken, is een tweede. En wanneer dit laatste wordt verzuimd, komt men weer tot een product van menselijk vernuft. De nieuwe theorie is dan aangepast aan de omstandigheden en niet zonder meer gebaseerd op het Woord van God. Naar onze overtuiging is dit in het onderhavige geval helaas gebeurd. De verkeerde bril die de vergeestelijkingstheologen op hadden, was hun onbijbelse opvatting over het wezen van de kerk en de theologen van nu hebben die bril nog steeds niet afgezet. Daarmee belanden we dan bij onze tweede stelling.

De ďkerkelijkeĒ visie

Men ziet dus in, dat IsraŽl nog een toekomst heeft, maar weet niet goed te rijmen met de positie van de kerk. De oorzaak hiervan is gelegen in de kerkvisie die men huldigt. Deze visie was het juist, die de vergeestelijkingstheorie in het leven heeft geroepen. In het begin van dit artikel gebruikte ik de term ďde kerk van de nieuwe bedelingĒ en dat niet zonder opzet. In de calvinistische theorie is deze uitdrukking algemeen gangbaar. Wat houdt ze echter noodgedwongen in? Dat er ook een kerk van de oude bedeling zou zijn. En zo ziet men het ook. Daarbij maakt men wel een onderscheid wat de verschijningsvorm van de kerk gebreft, maar een wezenlijk verschil in positie tussen de gelovigen van de oude dag en die van de periode na het kruis. Erkent men niet. Volgens de calvinistische opvatting Ė en daarin staat ze niet alleen Ė bestaat de kerk op aarde vanaf Adam tot aan de jongste dag. Zo vormde volgens dit schema IsraŽl vanaf de SinaÔ tot Golgotha, de kerk. En hier liggen de wortels van de vergeestelijkingstheorie!

Na het kruis toch heeft IsraŽl als kerk afgedaan, zo zei men.
De kerk kreeg een nieuwe verschijningsvorm en bestond vanaf dat ogenblik uit joden en heidenen, die door het geloof in Jezus Christus tot de nieuwtestamentische gemeente werden samengevoegd. Terugkeer tot de oudtestamentische toestand, waarbij alle onvervulde profetieŽn nog eens letterlijk aan IsraŽl zouden worden vervuld, zat er volgens dit systeem natuurlijk niet ďinĒ. Dat zou namelijk in strijd zijn met de ďgroeiĒ van de kerk, die men in de overgang van oude naar nieuwe bedeling meende te zien. Hoe kon de kerk terugkeren tot een fase, die noodzakelijkerwijs slechts een tijdelijk karakter droeg? IsraŽl had zijn taak volbracht: het had naar de belofte de Messias voortgebracht; het had die Verlosser ook verloochend en daardoor was het pad geŽffend voor de kerk om over de enge begrenzing van het joodse volksbestaan heen, haar vleugels uit te slaan tot ďaan de einden der aardeĒ.

Maar die onvervulde profetieŽn dan?

Natuurlijk was men er niet blind voor, dat er nog een reeks profetieŽn onvervuld waren gebleven. Wat moest men daarmee aan? De oplossing was niet moeilijk, blijkbaar moesten die niet letterlijk verklaard en op IsraŽl toegepast worden. Integendeel, onder joodse voorstellingen en begrippen, zo redeneerde men, werd in deze heilsprofetieŽn de gelukkige toestand van de nieuwtestamentische kerk geschilderd.
Helemaal gelukkig met deze oplossing was men evenwel ook niet, want de toestand van de kerk dekte bij lange na de inhoud van die profetieŽn niet. Maar voor dat probleem was ook een oplossing: de uiteindelijke vervulling van deze voorzeggingen zou tot stand komen met e vestiging van het nieuwe Jeruzalem. Met andere woorden: deze profetieŽn zagen in hun diepste zin op de eeuwige toestand. Wie van het bovenstaande een bevestiging zoekt, behoeft slechts de bekende ďKorte VerklaringĒ op gedeelten als Jes. 2 en 11 (1e dr. Blz. 35, 107); Jes. 60 en 66 (blz. 260; Zach. 14 blz. 187) e.d. na te slaan.

En de vloeken?

Hiermee was de zaak nog niet rond. De bedoelde profetieŽn bevatten namelijk niet alleen heilsaankondigingen, maar ook vloeken die uitgestort zouden worden over het ongehoorzame deel van het volk. Wat deed men daar dan mee? Wel, voor zover men die ook niet probeerde te vergeestelijken, liet men ze rustig voor de Joden. Inconsequent? Inderdaad, maar hoe moest het anders?
Deze theologen begingen een gelijksoortige fout als de joden de eeuwen door hebben gemaakt. Vraag een orthodoxe jood of de Messias op de troon van David zal regeren, waarbij IsraŽl verlost zal zijn van de druk van de vijanden en vrede op aarde zal heersen. Hij zal met een volmondig: ďJa, dat geloof ikĒ antwoorden. Wijs hem daarna op Jes. 53 en andere lijdensgedeelten met de vraag of de Messias eerst moest lijden. Dan zegt hij met Petrus: ďDit zal geenszins geschiedenĒ. Omstandig zal hij vervolgens betogen dat we het heel verkeerd zien, in de trans van ďU moet die gedeelten zinnebeeldig (lees: vergeestelijkt) beschouwen. Wij, de IsraŽlieten, zijn de lijdende knecht des Heren. Wij lijden ter wille van de mensheid en zullen daarvoor eenmaal beloond wordenĒ.
Kort samengevat: de jood neemt de heersers- (heils-) profetieŽn letterlijk en de lijdensprofetieŽn symbolisch. De christelijke kerk deed (en doet het helaas nog wel) precies andersom. Zij nam de lijdensprofetieŽn letterlijk en vergeestelijkte de heersersaankondigingen. Een kras staaltje hiervan levert de uitleg van Zach. 9:9, 10. Vers 9: ďZie uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig en rijdende op een ezel, op een ezelhengst, een ezelinnenjongĒ, laat men Ė en dat terecht Ė slaan op de intocht van Christus in Jeruzalem op de zogenaamde palmzondag (zie Matth. 21:5). Maar vers 10: ďDan zal ik de wagens uit EfraÔm en de paarden uit Jeruzalem teniet doen, ook de strijdboog wordt teniet gedaan; en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aardeĒ, wordt op de reeds aangegeven manier vergeestelijkt (zie o.a. de slotopmerking van Dr. J. Ridderbos in de ďKorte VerklaringĒ: Kleine profeten III bij Zach. 14). Deze en meerdere van dit soort profetieŽn zouden dan zien op het nieuwe Jeruzalem. De verwijzing naar Openb. 21 is daarbij wel heel vreemd, want daar staat in vers 1: ďen de zee was niet meerĒ. Als beide profetieŽn op dezelfde tijd slaan, dan is deze tegenspraak onmogelijk op te lossen, of men nu letterlijk aan de zee denkt of dit begrip versymboliseert. Bovendien vertoont deze verwijzing naar het nieuwe Jeruzalem nog een mankement, want dan regeert Christus niet als Messias, integendeel, dat is de tijd, dat Hij het koninkrijk aan God de Vader heeft overgedragen ďopdat God zij alles in allenĒ (zie 1 Kor. 15:20-28).

Hoe lossen de ďIsraŽltheologenĒ het probleem op?

Ook voor de theologen die een andere visie op de toekomst van IsraŽl hebben, bestaat de kerk van Adam af tot aan de jongste dag. Hoe lossen zij dan dit probleem van IsraŽls toekomst op? Leren zij een terugkeer tot de joodse bedeling? Nee, gezien hun kerkopvatting staat die mogelijkheid voor hen niet open. Vrij weergegeven komt hun opvatting ongeveer hierop neer: IsraŽl zal binnen de begrenzing van de kerk en door de kerk de vervulling van deze profetieŽn ontvangen. Dat houdt dus in dat de IsraŽlieten, die zich in de toekomst bekeren, tot de gemeente zullen behoren, maar als lid van het joodse volk de aardse zegeningen zullen beŽrven.
In feite poogt men met deze verklaring twee gedelingen, namelijk de joodse en de christelijke, met elkaar te mixen. We krijgen dan deze ďfraaieĒ constructie: Als lid van de gemeente heeft de gelovige IsraŽliet deel aan de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten (Ef. 1) en als lid van IsraŽl beŽrft hij de aardse die aan Abraham en zijn nageslacht zijn toegezegd. Het onbijbelse van deze redenering zal ieder in het oog vallen, die Kol. 2:11 en Gal. 3:28 raadpleegt, waar heel duidelijk gesteld wordt dat in de christelijke bedeling voor ieder die gelooft geldt: ďdaarin is noch Jood noch GriekĒ. Een jood, die zich tot Christus bekeert, houdt juist op een jood te zijn evenals de heiden een heiden. Daardoor juist zijn deze twee, die vroeger onverzoenlijk tegenover elkaar stonden, met elkaar verenigd. De scheiding, die door het kruis is weggevallen, wordt door deze theologen dus weer via een achterdeurtje binnengehaald.

ďSektarischeĒ opvattingen

Niet alleen de ďbezinningstheologenĒ staan een dergelijke gedachte voor. Ook in diverse groepen en kringen laten soortgelijke ďmixtureĒ gedachten zich horen. Met verwijzing naar Romeinen 11 zegt men dan dat de gemeente de glorierijke toekomst van IsraŽl zal meemaken, want juist door de kerk moeten de IsraŽlieten tot jaloersheid gebracht worden, zodat ze het evangelie aannemen. Tevens vindt men hier de wildste fantasieŽn en berekeningen omdat, zo meent men, sinds de laatste oorlog Jeruzalem niet meer vertreden wordt door de volken en dus de eindfase is ingetreden.