Snel zoeken:
128 jrg 114, 06-1971 Het IsraŽlprobleem 06

Romeinen 11:14
Wat IsraŽl te wachten staat (vervolg)

De staat IsraŽl en de bijbel

We hebben de verhouding tussen de kerk en het herstel van IsraŽl besproken. Het aan de volken geschonken heil had mee ten doel om de jaloersheid van IsraŽl op te wekken. In de tijd waarin God barmhartigheid aan de volken bewijst, waarin dus de kerk gevormd wordt, bewerkt deze naijver toorn bij IsraŽl, dat geen begrip had voor de barmhartigheid (Rom. 10:19). Behoudens bij een overblijfsel dat wel gelooft en bij wie de jaloersheid verlangen naar het heil heeft opgewekt (Rom. 11:14). Voor IsraŽl als natie zal de naijver echter pas een positief resultaat opleveren als het getuigenis uit de volken voorbij is en God Zich weer in barmhartigheid over IsraŽl ontfermt.

Nu rest ons nog de vraag hoe we de terugkeer van de Joden met als uitvloeisel daarvan de stichting van de staat IsraŽl hebben te beschouwen. Velen zien in deze terugkeer het begin van de vervulling van de bijbelse profetieŽn aangaande het herstel van IsraŽl. Toen na de zesdaagse oorlog de oude stad Jeruzalem bevrijd werd, was dat voor hen aanleiding om te zeggen dat Jeruzalem nu niet meer door de volken werd vertreden. Dus zouden de tijden der volken voorbij zijn naar het woord van de Heer Jezus Zelf:
ďJeruzalem zal door de volken vertreden worden, totdat de tijden der volken vervuld zullen zijnĒ (Luk. 21:24).
IsraŽls definitieve verlossing zou nu nog maar een kwestie van tijd zijn. We wijzen deze gedachte echter met klem van de hand en zullen aantonen waarom. Daarbij zal blijken hoe men tot verkeerde en te haastig getrokken conclusies komt als men meer let op de omstandigheden dan op dat wat Gods woord eigenlijk zegt; en als men bepaalde uitspraken op zichzelf gaat beschouwen zonder te letten op het geheel van het profetische woord.

Staat IsraŽl voorwaardeÖÖ geen vervulling

Het zal velen misschien raar in de oren klinken als we stellen dat de terugkeer van de joden naar Palestina en de stichting van de staat IsraŽl op geen enkele wijze de vervulling is van de in de bijbel aangekondigde terugkeer van IsraŽl en het daarmee gepaard gaande herstel. Toch zeggen we hiermee niets teveel om de doodeenvoudige reden dat de profetische beschrijving van IsraŽls herstel een totaal ander beeld te zien heeft dan dat wat de achter ons liggende jaren hebben getoond. We zullen dit in een aantal punten aangeven, die ieder voor zichzelf kan uitwerken.
Vooraf moeten we waarschuwen voor een ander uiterste, namelijk dat 1948 etc. helemaal niets met IsraŽls aangekondigde herstel te maken zou hebben. Wat in de achter ons liggende periode is gebeurd, vormt geen vervulling van de bijbelse profetieŽn, maar het is de noodzakelijke voorwaarde voor die vervulling. Daarover echter later meer.

We gaan nu na wat de Schrift zegt over de terugkeer van IsraŽl:

a. De terugkeer waarover de Schrift spreekt is een terugkeer na bekering en
belijdenis van schuld. (Lev. 26:33-46); Deut. 4:27-31; 28:64; 30:6; Jer.
29:11-14; Hos. 3:3-5.
b. Die terugkeer omvat niet alleen de twee stammen, maar ook de tien stammen.
Daarbij zullen die weer ťťn geheel vormen in het land Jes. 11:12; Jer.
3:18; 30:3; Ezech. 37:22.
c. Dan zullen de volken IsraŽl terugbrengen en IsraŽl dienstbaar zijn. Jes.
14:1, 2; 49:22, 23; 60:9, 10; 61:5,6.
d. Deze terugkeer wordt vergeleken met de uittocht uit Egypte. De machtige
hand van God zal worden gezien over de volken. En zijn gericht zal
merkbaar zijn onder het volk zelf. Want evenals in de woestijn eertijds
zullen de goddelozen en weerspannigen onder IsraŽl worden uitgeroeid.

Er zouden nog meer kenmerken op te sommen zijn, maar deze zijn voldoende om aan te tonen dat de terugkeer die we in het verleden hebben meegemaakt niet de vervulling is van de profetische aankondigingen.

Huis van Juda en huis van IsraŽl

Er is wel eens gesteld, dat de bijbel spreekt van twee terugvoeringen:

a. de terugkeer van de Joden, of wel van het huis van Juda vůůr de grote
verdrukking en in ongeloof;
b. de terugkeer van de tien stammen of wel het huis van IsraŽl na de grote
verdrukking en gepaard met bekering.

Deze voorstelling is aanvechtbaar, omdat er nergens in de bijbel een aparte terugkeer van het huis van Juda in ongeloof wordt aangekondigd. De terugkeer van Juda in ongeloof is niet voorzegd, maar wordt in de Schrift verondersteld. In dit verband is het nuttig de profetie van EzechiŽl en die van Zacharia eens te vergelijken. Deze beide dragen namelijk wel heel sterk een verschillend karakter, wat samenhangt met de omstandigheden waaronder zij hun profetieŽn uitspreken.

EzechiŽl

EzechiŽl profeteerde aan het begin van de Babylonische ballingschap en bevond zich bij de reeds weggevoerden in het landschap Babel. Jeruzalem was nog niet gevallen. Er woonde nog een gedeelte van de twee stammen in het land. Over hun toekomst profeteert hij echter bijna niet. Bij hem ligt de nadruk op het weggevoerde volk. Hij ziet IsraŽl in de woestijn (hfdst. 20), in de ďgravenĒ (hfdst. 37). Hij spreekt niet over het deel van het volk dat in het land bepaalde beproevingen zal doormaken onder de antichrist. Hij houdt zich Ė wat de toekomst betreft Ė bezig met de terugkeer uit de volken. Zijn profetie heeft dan ook in het bijzonder te maken met de tien stammen, die in zijn tijd al bijna twee eeuwen in ballingschap waren, en die nooit meer in het land zijn teruggekeerd. Maar hij houdt zich niet uitsluitend bezig met de tien stammen. Ezech. 37:11, 12 vergeleken met vs. 20-22 maakt duidelijk dat hij alle stammen verstrooid ziet buiten het land en hen gezamenlijk ziet terugkeren. Hij profeteert in dat gedeelte niet over een terugkeer van alleen de tien stammen, die dan ťťn worden met de reeds teruggekeerde twee stammen.
Bovendien gaat het niet aan om overal waar EzechiŽl spreekt van ďhuis IsraŽlsĒ daaronder altijd en alleen de tien stammen te verstaan. Dat hij het huis van Juda en het huis van Israťl onderscheidt, is duidelijk. Hoofdstuk 4 geeft daarvan het bewijs. Daar is sprake van de ongerechtigheid van het huis van IsraŽl (vs. 4, 5) en die van het huis van Juda (vs. 6; zie ook hfdst. 9:9).
Sterker is echter dat hij ook de term: ďhet gehele huis van IsraŽlĒ gebruikt. Met die uitdrukking kunnen moeilijk de complete tien stammen bedoeld zijn (zie hfdst. 3:4), waar het nota bene gaat om het oordeel over Jeruzalem en wat daarmee verbonden is (zie ook hfdst. 11:15 en 12:10).

Beslissend zijn evenwel een paar andere plaatsen, te weten:

Ezech. 8. Ė Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de afgodendienst te Jeruzalem (vs. 3). Zij echter, die deze afgoderij plegen worden aangekondigd als ďhuis IsraŽlsĒ (vs. 6), terwijl vs. 17 weer spreekt over ďhuis van JudaĒ.

Ezech. 11 Ė Hier wordt eerste gesproken over de inwoners van Jeruzalem en wat die zeggen, waarna in vs. 5 het ďhuis IsraŽlsĒ wordt genoemd, dat tegen de Here gesproken heeft en in de stad Ė Jeruzalem dus Ė velen gedood heeft. In dit gedeelte wordt niet de tegenstelling: huis van Juda Ė huis van IsraŽl Ė gemaakt, maar: huis van IsraŽl Ė inwoners van Jeruzalem (hfdst. 11:15).

Het afwisselend gebruik van de termen ďhuis van JudaĒ en ďhuis van IsraŽlĒ heeft zeker zin. Maar slechts waar beide in hetzelfde verband voorkomen kunnen we zeggen dat het eerste de aanduiding is voor de twee stammen en het tweede die voor de tien stammen. In de andere gevallen slaat het meestal op het hele volk.

Zacharia

Zacharia profeteerde na de Babylonische ballingschap en onder het teruggekeerde volk te Jeruzalem. Hij bevindt zich dus in het land. In zijn profetie ligt de nadruk op wat het teruggekeerde volk in Palestina zal ondervinden. Welnu, wil Zach. 11:15 tot en met 14:7 vervuld kunnen worden, dan moet de toestand die er was in de dagen van de profeet zelf en die in het jaar 70 na Chr. met de verdrijving van de joden door de Romeinen is ďverstoordĒ, weer hersteld zijn. Met andere woorden: er moeten weer joden in het land wonen, die te Jeruzalem de tempeldienst verrichten, enz.
Die voorwaarde moet vervuld zijn, wil er een antichrist kunnen optreden, die de tempeldienst verandert in een cultus ter ere van zichzelf.
Ditzelfde valt op te merken aangaande de toekomstrede die de Heer Jezus op de Olijfberg gehouden heeft. Hij spreekt daar over de heilige plaats, over de gruwel der verwoesting die er geplaatst zal worden, over ďhen, die in JudeaĒ zijn. In het jaar 70 en de daarop volgende tijd zijn de joden echter verdreven uit Palestina. Willen de woorden van de Heer in vervulling gaan, dan moeten de joden dus terugkeren. Zomin als echter de Heer over deze terugkeer spreekt, zomin doen de profeten dat.

Deze terugkeer, die geen vervulling van een bepaalde voorzegging is, maar voorwaarde om de profetieŽn in vervulling te doen gaan, hebben wij in de jaren na de tweede wereldoorlog meegemaakt.