Snel zoeken:
054b Het duizendjarig rijk, je kunt er niet omheen. deel 2

Openbaringen 20
Het verleiden van de volken

18 In het boek Openbaring gaat het niet om de verleiding van individuen om ieder hun eigen zonde te laten bedrijven, maar om de strijd van satan tegen God en diens Gezalfde, de Heer Jezus Christus. Deze strijd omvat o.a. dat satan zich keert tegen de dienstknechten van God op aarde. Ik laat nu in het midden of deze dienstknechten de Gemeente vormen of niet. Op zichzelf is dat wel een belangrijk onderwerp maar het is niet nodig dit uit te werken in verband met het antwoord op de vraag, waarom hier sprake is van 'niet verleiden van de volken'.

We moeten bedenken dat satan in deze strijd tegen God en zijn dienstknechten op aarde, de volken verleidt om zich tegen God te keren, afgoderij te bedrijven en de dienstknechten van God te vervolgen.
Over deze aktiviteit van de volken lezen we bijvoorbeeld in Op 11. Het gaat dan om het woeden van het beest tegen de getuigen van de Heer in de stad 'waar ook hun Heer gekruisigd is'. Over de opstandige volken (naties) is ook sprake in Op 11:18. Vervolgens lezen we in Op.19:19 dat het beest en de koningen van de aarde en hun legerscharen verzameld zijn om oorlog te voeren tegen Hem die op het paard zat en tegen zijn leger. Het beest en de valse profeet worden gegrepen en in de poel van vuur geworpen. Daarna volgt dan Op 20:3 met de mededeling dat de satan gegrepen wordt en gebonden opgesloten wordt opdat hij de volken niet meer verleiden zal. Deze tekst slaat dus terug op de activiteiten van de volken waarover in de voorgaande hoofdstukken van het boek gesproken is. Als satan na de 1000 jaar losgelaten wordt zal hij opnieuw de naties verleiden. Nu is niet meer sprake van het beest, want die is met de valse profeet in de hel geworpen en zijn rijk is te grond gegaan, maar nu wordt gesproken over de volken die aan de vier hoeken van de aarde zijn.

Kortom: Het is dus helemaal in de lijn van het boek dat de binding van satan in Op 20:3 speciaal vermeld wordt in verband met het niet meer misleiden van de volken.

De toetsing van mening A wil ik nog even voortzetten, daarbij komen de volgende punten ter sprake:
- heeft Christus na de hemelvaart zijn Messiaanse heerschappij
aanvaard?
- regeren de ontslapen heiligen in deze tijd met Hem?
- spreekt Op 20: 4 over een geestelijke of een lichamelijke opstanding?
- is er maar een opstanding?

Heeft Jezus Christus zijn Messiaanse regering na zijn hemelvaart aanvaard?

19 We kunnen bovenstaande vraag ook zo weergeven: ziet het regeren waarover Op 20:1-6 spreekt op 'deze' tijd? Zij die opvatting A (zie punt 4) zijn toegedaan beantwoorden deze vraag bevestigend en zien in de uitwerking van het evangelie in de loop van de tijden een Openbaring van dit heersen van Christus. Men beroept zich voor deze gedachte op Mt 28:18 waar we de woorden van de Heer Jezus lezen: 'Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde' waarop direct volgt: 'Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen...'.
Verder is er de mededeling in 1 Ko 15: 20 - 28 dat Christus moet heersen totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. Dat laatste gebeurt pas bij de verschijning van Christus, voor die tijd regeert Hij dus, zo zegt men.

Tegen het bovenstaande is het volgende in te brengen: In Op 3:21 lezen we deze woorden van de Heer: 'Wie overwint, hem zal ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik overwonnen en Mij gezet heb met mijn Vader op zijn troon'. Deze uitspraak houdt in dat met de hemelvaart van de Heer nog niet zijn eigen messiaanse regering is begonnen. Wel heerst Hij samen met zijn Vader, zoals Hij dat in zekere zin ook deed voordat Hij naar deze aarde kwam, maar dit is niet hetzelfde als zitten op zijn eigen troon. Dat laatste moet nog gebeuren.
Christus heeft wel alle macht gekregen, maar Hij oefent die uit in verband met de zijnen die Hij uitzendt in deze wereld om het evangelie te verkondigen. Een illustratie uit het Oude Testament kan dienstig zijn. David was tot koning gezalfd lang voordat hij de troon besteeg. Zijn macht oefende hij uit over allen die naar hem toekwamen Zijn koninklijke heerschappij die hij in principe al bezat, kon hij pas uitoefenen toen hij koning werd (eerst in Hebron, later in Jeruzalem).

Met de uitspraak uit Op 3:21 stemt overeen het woord van de Heer weergegeven Lk 22:29, 30 :' En Ik beschik u een koninkrijk, zoals mijn Vader Mij heeft beschikt opdat u eet en drinkt aan mijn tafel in mijn koninkrijk en op tronen zit om de twaalf stammen van Israel te oordelen'. Uit deze teksten blijkt duidelijk dat de Heer het heeft over een toekomstig koninkrijk, dat Hij zijn koninkrijk noemt.

Tenslotte nog iets over 1 Ko 15:23-26. Dat gedeelte gaat over de opstanding en zegt dat in Christus allen levend gemaakt worden, maar dat gebeurt in een bepaalde volgorde. Christus is de eersteling. Hij is opgestaan als eersteling uit de doden. Daarna zullen zij opstaan die van Christus zijn (het gaat dus om gelovigen) bij zijn komst.
Dit 'daarna' omvat nu al een periode van bijna 2000 jaar. Daarna is het einde. Dit tweede daarna hoeft net zo min als het eerste direct te volgen op wat vooraf genoemd wordt, namelijk zijn komst. Het vervolg definieert namelijk het tijdstip. Het einde komt als Hij het koninkrijk aan God de Vader overgeeft en dat vindt plaats als Hij alle gezag en alle kracht te niet gedaan heeft. Want Hij moet regeren totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. Dat onderwerpen van de vijanden wordt in het boek Openbaring aangegeven in hoofdstuk 19:11-21. Maar dat is niet het eind van zijn regering, maar pas het begin.
Het eind is namelijk als de laatste vijand, dat is de dood, te niet gedaan is. Die ondergang wordt niet beschreven in Op 19: 20,21, maar in Op. 20:11-20 en dat na het te niet doen van de duivel en zijn trawanten, beschreven in Op. 20:7- 10.
En.....tussen Op. 19:20,21 en Op 20:7 vv en vers 11 vv vinden we nu juist de vermelding van de regering van Christus gedurende duizend jaren. Zo valt dus alles precies op zijn plaats.

Regeren de ontslapen gelovigen nu al in de hemel?

20. Deze vraag is nauw verbonden met de vorige of Christus zijn messiaanse regering al aanvaard heeft. Als het eerste niet het geval is, is het tweede dat ook niet. We behandelen deze tweede kwestie echter los van de eerste.
Zij die deze vraag positief beantwoorden, beroepen zich erop dat er in vers 4 slechts sprake is van 'zielen' van hen die om het woord van God onthoofd waren.....Johannes zag deze personen niet als volkomen mensen bestaande uit lichaam en ziel en die dus uit de doden waren opgewekt, maar hij zag hun zielen (Korte Verkl. blz 299).
Greijdanus beroept zich op Op 6:9 waar met zielen van hen die 'geslacht waren' onmiskenbaar gedoeld wordt op personen die hun lichaam misten. Vervolgens merkt deze schrijver op dat het hier niet alleen gaat om martelaren, maar ook over alle gelovigen en getrouwen van de Here, die geen gewelddadige dood sterven (K.V. blz. 300).
Zonder dr. Greijdanus onderuit te willen halen, wil ik toch op wat hij en anderen met hem beweren een kritisch commentaar geven:

a Er wordt in de Schrift erg weinig gezegd over de toestand van de ontslapenen. We vinden slechts enkele gegevens in Lk 16:19-31; 23:43; Fp 1: 21-23 en Op 6 :9-11. Deze gedeelten houden in dat de ontslapenen een heerlijke positie innemen, maar nergens staat dat ze een heersende positie innemen;
b De zielen in Op 6 worden niet geschetst als zittend op tronen, maar als zielen onder het altaar en hun wordt gezegd, dat ze rusten moeten totdat hun medeslaven gedood zullen zijn. Deze zielen verkeren in afwachting van hun toekomstige beloning, net zoals er van Christus staat dat Hij zich gezet heeft aan Gods rechterhand 'totdat zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank voor zijn voeten' (Hb 11:13, Ps 110:1);
c Het is so-wie-so een heel vreemde gedachte dat mensen in een ontlichaamde staat, dus als 'incomplete' mensen, op tronen zitten om te heersen.

Dan nu de derde vraag, namelijk:

Spreekt Op 20:4 over een geestelijke of letterlijke, lichamelijke opstanding?

21 d Van de personen genoemd in vers 4 wordt gezegd dat ze 'leefden'. Er heeft dus een verandering van toestand plaatsgevonden. Deze zielen zijn niet in de dood gebleven. In vers 5 wordt dan ook over de eerste 'opstanding' gesproken. Het gaat echt niet aan dit 'zij leefden' toe te passen op het levend gemaakt zijn met Christus waarover Ef 2:5 en Ko 2:13 spreken. In die verzen staat levend gemaakt in Christus tegenover dood zijn in overtredingen en zonden. Anders gezegd tegenover geestelijk dood zijn wordt gesteld het geestelijk levend worden. In Op. 20:4 staat het levend worden of het zij leefden tegenover het onthoofd, dus gedood zijn.
e Evenmin gaat het aan dit een 'geestelijke' opstanding te noemen met een beroep op Ef 2 en Ko 2. Van de overige doden wordt immers gezegd dat ze niet leefden voordat de duizend jaren voleindigd waren, maar na die duizend jaar werden ze wel degelijk levend, en ze stonden wel degelijk op. Welnu zo goed als dat laatste een letterlijk levend worden en een lichamelijke opstanding is, zo goed is het levend worden van de martelaren een lichamelijk gebeuren en hun opstandig een lichamelijke opstanding.
f Een volgende consequentie van de hier bestreden opvatting is dat de ontslapenen niet allen even lang regeren. Degenen die in de eerste eeuwen van het christendom ontslapen zijn, zouden dan al bijna tweeduizend jaar met Christus regeren, terwijl zij die vlak voor de terugkeer van Jezus Christus overlijden maar een heel korte tijd met Hem geregeerd hebben. Dat valt absoluut niet met elkaar te rijmen
g Tenslotte is er tegen deze opvatting nog in te brengen dat het in deze verzen om mensen gaat die als martelaren voor hun geloof gedood zijn. Van de eerste groep wordt gezegd dat ze om het getuigenis van Jezus en om het woord van God gedood waren. Datzelfde getuigenis wordt gegeven van de zielen onder het altaar (6:9). Verder is er sprake van hen die het beest of zijn beeld niet hadden aanbeden. Deze leefden uiteraard in de tijd toen het beest optrad. We vinden hun dood aangegeven in Op 13:15. Deze beide groepen zien we hier verenigd (dat klopt precies met Op 6:11. Welnu, het gaat absoluut niet aan om dit vers toe te passen op alle gelovigen die in de christelijke periode een gewone dood gestorven zijn.
h Tenslotte nog dit: er wordt in vers 4 gezegd dat hun het oordeel werd gegeven. Dat wijst onmisken - baar naar de eindtijd (zie Dn 7:9). Er is dus reden te over om de gedachte af te wijzen dat gestorvenen in Christus een regerende positie bekleden in de tijd vanaf de opstanding van Christus of vanaf de tijd van Diocletianus tot aan de wederkomst .

Nu blijft nog de vraag over:

Is er maar een opstanding?

22 Naar mijn vaste overtuiging betreft het in Op.20: 4-6 een lichamelijke opstanding. Nu gaat men er in de christenheid in het algemeen van uit, dat er maar een opstanding is en dat gelovigen en ongelovigen samen opstaan als Jezus Christus terugkomt om te oordelen de levenden en de doden. Men spreekt dan over de opstanding op 'de jongste dag'. In de belijdenisgeschriften wordt dit gebeuren - zij het summier - naar voren gebracht (zie Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 37).

Daartegenover staat de opvatting dat er volgens de Bijbel twee opstandingen zijn en deze zijn
A ten eerste onderscheiden in karakter.
(a) In Joh 5:28,29 wordt namelijk gesproken over a) de opstanding ten leven en de opstanding ten oordeel.
(b) In Hand.24:15 is sprake van a) de opstanding van rechtvaardigen, zowel als van onrecht vaar digen. In Luk.14:14 wordt specifiek gesproken over de opstanding van de rechtvaardigen.

In deze teksten wordt nog geen onderscheid gemaakt in het moment van de beide opstandingen. Maar dit verschil in karakter rechtvaardigt al de opvatting dat er tweeerlei opstanding is

B Deze twee zijn ook onderscheiden in tijd.:
(c) dit volgt uit Mk 9:9; Lk 20:35; Fp 3:11 waar sprake is van de opstanding uit de doden (niet uit de dood, maar van tussen de doden uit). Voor het deelhebben aan die opstanding moet men 'waardig' zijn. Als er maar een opstandig was had deze toevoeging in Lk 20:35 weinig zin, want dan heeft men er deel aan of men waardig is of niet.
(d) verder spreekt de Schrift in Op 20:5,6, en 12 over de eerste opstanding. en
de opstanding van de overige doden.

Fasen van de eerste opstanding

23. Tenslotte nog iets over de fasen van de opstanding uit de doden, die omvatten de opstanding:
a. van Christus de eersteling(1 Ko 15:23) (misschien samen met de velen die met Christus opstonden waarover sprake is in Mt 27:52,53);
b. de gelovigen bij de opname (1 Th 4:15-17) Let op de uitdrukking (de doden in Christus, hier is geen sprake van een algemene opstanding;
c. de twee getuigen te Jeruzalem (Op 11:11);
d. de martelaren uit de verdrukkingsperiode (Op 6:9 en 13:5 verenigd gezien in Op.20:4).

Achtergronden

24. Bij het vraagstuk van het duizendjarig rijk speelt de kwestie van de achtergrond van waaruit men dit vraagstuk bekijkt natuurlijk een zekere rol. Daarbij kunnen we noemen de verbondstheologie en de bedelingenleer.

Het is niet mijn bedoeling deze twee verschillende achtergronden tegen elkaar af te wegen, want dat zou een nieuwe en uitgebreide discussie vergen. Ik geef alleen kort de kenmerken van beide aan:
a. De verbondstheologie gaat uit van de gedachte dat God altijd een verbondsrelatie met de mens heeft, waarbij een volgende relatie principieel niet verschilt van een vorige maar er een uitbreiding of specificatie van is. Hiermee gaat samen de gedachte dat de Kerk of Gemeente op aarde bestaat van Adam af tot aan de jongste dag.
b. De bedelingenleer gaat ervan uit dat God verschillende relaties met de mens aangaat, waarbij een volgende relatie niet zonder meer een vervolg is op de voorgaande. Men onderscheidt in hoofdzaak twee bedelingen, te weten de bedeling van Israel en de bedeling van de Kerk of Gemeente. Gepaard hiermee spelen bij beide opvattingen twee zaken een rol, te weten:
1 heeft het volk IsraŽl behalve een staatkundige toekomst ook nog een geestelijke toekomst. Met andere woorden wacht het volk nog een geestelijk herstel, ofwel hoe moeten we de terugkeer van het volk naar het land IsraŽl en de oprichting van de staat israŽl beschouwen..
2. wanneer is de Gemeente of kerk ontstaan en hoe bezien we de opname waarover sprake is in Jh 14:1-3 en 1 Th 4:15-18.
Deze beide zaken laten we hier verde buiten beschouwing want ze hebben bij de verhandeling over het duizendjarig rijk zoals die hiervoor gegeven is, bijna geen rol gespeeld.