Snel zoeken:
205 Wat is er aan de hand deel 1

In twee artikelen wil ik aangeven wat er aan de hand is in de Vergaderingen in Nederland en Duitsland en hoe de toestand van verdeeldheid in de vergaderingen van gelovigen die plaats vond in de negentiger jaren van de 20ste eeuw en die nog steeds voortduurt is ontstaan. Bij voorbaat wil ik stellen dat dit geen opwekkende artikelen zijn.

Inleiding; de oorzaken van de scheuring
Bij de beoordeling van de loop van de geschiedenis van een volk, een groep of wat dan ook, moet je onderscheid maken tussen oorzaak en aanleiding. Onder de oorzaak of oorzaken verstaat men de dieperliggende, langsluimerende reden voor een bepaalde ontwikkeling. Onder de aanleiding verstaat men de directe gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen die de start aan een bepaalde ontwikkeling hebben gegeven. Om een voorbeeld te ne: de oorzaak voor het ontstaan van de eerste wereldoorlog is gelegen in de onderlinge rivaliteit tussen Duitsland en Frankrijk en dat vooral na de vernederende nederlaag die Frankrijk leed in de oorlog van 1870/1871. De directe aanleiding voor het ontbranden van de strijd was de moord in Sarajewo.
Een dergelijk onderscheid kunnen we ook maken wat de ontwikkeling in de vergaderingen in Nederland betreft. Er heerste min of meer ondergronds een controverse tussen broeders die erg strikt waren in hun denken en zij die meer gematigd waren. Deze controverse kwam pijnlijk aan het licht in 1949 toen br. J.N. Voorhoeve, die ‘de vergaderingsuitgever was’ dement werd en er op de conferentie in Alphen werd aangekondigd dat er een lectuurcommissie gevormd was om het uitgeven van boeken van de broeders veilig te stellen. Dit gaf aanleiding tot een onverkwikkelijke discussie.

Twee vergaderingsbladen
Het feit dat er vanaf 1946 een tweetal vergaderingsbladen circuleerden: te weten bvan ouds af de Bode des Heils met daarnaast “Uit het Woord der Waarheid” was al tekenend. Dat de vijfhoofdige redactie van het laatste blad in 1950 uit elkaar spatte gaf aan dat onder de redaktieleden geen harmonie gevonden werd.
Toch was er in de vergaderingen een grote mate van eenheid in gezamenlijk optreden, maar helemaal koek en ei was het niet en dat bleek bij diverse moeilijkheden die zich voordeden.
De ontwikkelingen in de Achterhoek vanaf eind 1979 en dan speciaal in Doetinchem leidden tot plaatselijke scheuringen en gaf aan dat er nogal wat broeide. Ondanks verschillen in ‘aanvoelen’ werd ‘in het land’ de uiterlijke eenheid bewaard. Men aanvaardde namelijk de beslissing van een vijftal vergaderingen die een duidelijke keus maakten voor de ‘uitgetredenen in Doetinchem’. Ook de leidende broeders in het land stelden zich (zij het niet altijd even van harte) achter deze beslissing. Er was nog een zodanige mate van eenheid in principes dat door de uitgeverijen Medema en Uit het Woord der Waarheid’ een gezamenlijke uitgave plaatsvond van het geschrift van br.W. Kelly getiteld: ‘De eenheid van de Geest’, waarin Kelly onder invloed van wat hij meemaakte zich gematigder opstelde ten opzichte van het ontvangen van gelovigen uit andere kringen dan velen in zijn tijd deden.

Verdeeldheid in de Achterhoek Op den duur ontstond er echter onvrede omdat zich in de Achterhoek een geest van onverdraagzaamheid openbaarde (o.a. in Aalten) waarin men niet mee kon gaan. Dit leidde ertoe dat onder de vertegenwoordigers van de vijf vergaderingen verschil van gedachte ontstond over het beleid dat men gevoerd had. Dat gaf de nodige verwarring.
De misstanden die aan het licht kwamen leidden ertoe dat verschillende ‘leraars’ zich gingen afvragen of we wel op het goede spoor zaten met onze ideeën over afzondering. Hierover werd gesproken en dat was voor velen schokkend. Hierbij speelde voor een vijftal leraars in ons midden het optreden van broeders uit Duitsland in Oostenrijk een grote rol (zie verderop). Zij uitten hun kritiek hierop en dat gaf beroering. Twee van hen schreven een stuk over het sektarisme in Duitsland en dat verslechterde de verhouding met diverse leidende broeders in dat land.

Een stortvloed van lektuur:de aanleiding tot verdeeldheid
Er was dus al wel onrust in Nederland en dat o.a. over de houding van de broeders W.J. Ouweneel (WJO); H.P.Medema (HPM); Dato Steenhuis (DS) en ten dele ook over die van de brs. Johan Ph Fijnvandraat (JPhF) en Jaap G Fijnvandraat (JGF). De onrust in Nederland is echter pas algemeen ontstaan door de stortvloed van lektuur die vanaf voorjaar 1994 over de hoofden van de broeders en zusters in ons land is uitgestort. Dat betreft:

a.’een brief van 21-03-1994 gericht aan de vergaderingen in Nederland, verzonden vanuit Hückeswagen en ondertekend door 22 broeders uit verschillende landen. Zij schrijven daarin dat ze de dienst van een vijftal broeders in Nederland, te weten de brs. J.G. F, J.Ph. F, H.P. M, W.J. O en D. S (die ze alle vijf over één kam scheerden) niet meer kunnen aanbevelen en geen gemeenschap in de dienst met hen kunnen hebben. Als voornaamste reden wordt opgegeven dat voornoemde vijf broeders meer en meer overhellen naar het standpunt van de zogenaamde ‘open broeders’. Ook spreken zij hun zorg uit over het toenemen van het waarde toekennen aan de (christelijke) wetenschappen, zoals Theologie en Filosofie, zoals dat in verschillende Nederlandse publikaties (van WJO) naar voren komt. Zij achten het hun plicht de broeders en zusters in Nederland hiervoor te waarschuwen. Op deze brief kom ik deel 2 terug.

b. een brief van 25-11-1995 uit den Helder die een oproep bevat -met een beslissingstermijn van drie maanden- om zich af te zonderen van de verg. te Heiloo, de ‘Meiberg te Aalten en van de brs. J.G. F, J.Ph. F, H.P. M, W.J. O, D. Steenhuis en ‘hun’ vergaderingen. Aan deze brief is voorafgegaan een correspondentie vanaf 1990 in verband met de uitsluiting van br. en zr. Hans en Wil Oppenhuizen te Den Helder. Deze uitsluiting werd door de vergaderingen Amsterdam, Zaandam en Heiloo aangevochten.

c een schrijven van 04--01-1996 van 26 brs<,/b>. die aangeven dat zij geen reden zien de gemeenschap te verbreken waartoe Den Helder oproept. Zij geven een beoordeling van de punten die in de brief van Den Helder naar voren worden gebracht.

d. Een geschrift van 8 kantjes opgesteld door de brs.WJO, HPM en DS ( dat eerst aan enkele belangstellenden was gericht, maar dat in verband met de brief onder a genoemd eveneens naar alle vergaderingen is gestuurd. De broeders spreken hun grote zorg uit over het onder ons steeds meer optredende sectarisme, exclusivisme en isolationisme. Zij wijzen op diverse zaken die hebben plaatsgevonden zoals de kwestie Lofer, de uitsluiting van Wolfgang Bühne(WB) in Worbscheid e.d en roepen de gelovigen op terug te keren tot de Schrift.

e. Een brief gedateerd mei 1994 van 26 broeders uit Duitsland, die afstand nemen van ‘de brief van de ‘22’ en hun vertrouwen uitspreken in de dienst van de vijf genoemde Nederlandse brs.

f. De brochure ‘Gevaarlijke verschuivingen’ (van 24-1-1995) op naam van br. H. Wijnholds en aanbevolen door een zestal broeders waarin dat wat de brs. WJO, HPM en DS volgens hen nu leren, vergeleken wordt met dat wat ze vroeger onderwezen.

Niet op zijn kop zetten, maar bijstellen
Voor insiders zegt het bovenstaande kopje genoeg. Voor buitenstaanders die deze twee artikelen lezen - wat overigens niet de opzet ervan is- geef ik als toelichting dat het gaat om ontwikkelingen in het midden van de zogenoemde ‘vergadering van gelovigen’ die de verontrusting van diverse ‘broeders’ en ‘zusters’ hebben opgewekt. Voor hen wil ik trachten duidelijk te maken wat er nu eigenlijk ‘in ons midden’ aan de hand is.Dat is niet dat bepaalde broeders alles op zijn kop willen zetten, maar dat ze willen bijstellen wat in de loop van de tijden verkeerd is gegaan. Tevens wil ik daarbij een verantwoording geven van mijn standpunt te midden van de ontwikkelingen die zich in de laatste jaren hebben voorgedaan. Bij een verantwoording loop je als schrijver het gevaar jezelf te willen verdedigen. Ik wil echter geen verdediging schrijven, maar een verduidelijking. Daarbij speelt ook een rol, dat verschillende broeders in binnen- en buitenland zich afvroegen welke positie ik te midden van de diverse ontwikkelingen nu eigenlijk inneem. Het geeft mij ook de gelegenheid om fouten van praktische aard die ik -en anderen met mij- hebben gemaakt, openlijk te erkennen.
We zijn namelijk soms scherp in onze uitlatingen geweest en hebben vergeten dat we met zachtmoedigheid - zelfs vijanden, dus zeker broeders-moeten terechtwijzen. We hebben niet altijd genoeg geduld betracht met hen die verontrust waren. Waar we zelf na een langere tijd van overweging onze inzichten in een bepaald opzicht hebben bijgesteld, verwachtten we van anderen dat ze direct de juistheid van onze belichting, d.w.z. onze correcties zouden inzien. We hebben beslist fouten gemaakt, maar dat neemt niet weg, dat de zaak waarvoor we stonden en staan een eerlijke zaak is. We hadden geen geheime bedoelingen, we wilden zoals gezegd het vergaderingsleven niet ‘ op zijn kop zetten’. We willen het wel ‘bijstellen’.

Hielden we ons wel aan Gods Woord?
In de loop van de tijd zijn we namelijk gestuit op zaken, die eerst vragen bij ons opriepen, maar waarmee we later beslist niet meer uit de voeten konden. Daardoor gingen we ons afvragen of wij als ‘broeders’ die zo sterk de nadruk leggen op handelen naar Gods Woord’, dat in alles ook wel werkelijk deden. Wat de grote lijnen betreft was dat geen punt. Het vergaderingsstandpunt, dat ons onderscheidt van elk kerkelijk systeem onderschrijven we nog net zo van harte als vroeger. Maar wat de details betreft zijn we gestuit op allerlei regels en regeltjes, die ik wel eens vergeleken heb met de ’kleine lettertjes’ van de verzekeringspolis. Dit heeft er toe geleid dat we allerlei uitleggingen en vooral toepassingen die onder ons gangbaar zijn geworden onder de loep genomen hebben en we kwamen tot de ontdekking dat ze in diverse gevallen de toets van de Schrift niet konden doorstaan. Op die dingen wil ik in dit schrijven de aandacht vestigen. Daarbij wil ik tevens aangegeven hoe ik tot het meer genuanceerde, maar principieel niet andere standpunt ben ik gekomen, dat ik nu inneem. Met deze verantwoording heb ik ook een volgende generatie op het oog, die gediend is met een weergave van wat er zich zoal heeft afgespeeld.

Het was zo rustig
Wanneer men in een kring van gelovigen (welke dan ook) kritiek op een bepaalde ontwikkeling naar voren brengt, wordt dat niet direct op prijs gesteld. Het wekt enerzijds tegenstand op en anderzijds verwarring of zelfs ontreddering. Dat zijn de onvermijdelijke gevolgen. Velen die een leidende positie in zo’n kring innemen zullen zich geroepen voelen de rust te bewaren en zullen zich tegen een toetsing van het reilen en zeilen in de kring verzetten en dat vooral als men ook nog behoudend van aard is. Anderen die min of meer vanzelfsprekend leidende broeders hebben gevolgd, zullen in verwarring raken en dat in het bijzonder als leiders die ze vroeger blindelings volgden, van mening veranderen. Men voelt als het ware de grond onder zijn voeten wegzinken.
Heel dikwijls worden deze leiders dan beschuldigd van het zaaien van onrust. Het was namelijk vóór hun optreden toch rustig in de kring of groep?
Onrust kan echter noodzakelijk en heilzaam zijn. Aan het slot van een evangelieverkondiging heb ik de luisteraars wel eens een onrustige nacht toegewenst, namelijk als ze nog niet de Heer Jezus als hun Heiland hadden aanvaard. Ik zou dat sommige broeders en zusters, die menen dat we als vergadering ‘op rozen zaten’ ook wel een beetje toewensen. Meteen wil ik daaraan tot hun geruststelling toevoegen dat ze wel eens gelouterd uit die geestelijke strijd zouden kunnen komen. Het zou hun de ogen ervoor kunnen openen waar het in de opwekking van het begin van de vorige eeuw in Ierland en Engeland nu werkelijk om ging.

Open beginselen
Voor ik een schildering geef van mijn persoonlijke ontwikkeling wil ik eerst de beschuldiging onder ogen zien die tegen mij en anderen wordt ingebracht. Het gaat om een ‘neiging tot de beginselen van de open broeders’. Dit is een uiterst vage beschuldiging. Het gaat nog niet om ‘open’ beginselen, maar om de neiging ertoe. Van die ‘open’ beginselen heeft echter nog niemand een duidelijke formulering gegeven. Om mogelijke onrust weg te nemen wil ik daarom uitdrukkelijk het volgende stellen:
a. Willen wij elke controle op het ontvangen van personen aan het avondmaal opheffen? Absoluut niet!
Maar we laten het aan de verantwoordelijkheid van elke vergadering over om daarbij de huns inziens
verantwoorde procedure te volgen
b. Willen we personen met een onzedelijke wandel (zie1 Kor. 5) of een valse leer waarin de persoon en
het werk van Christus wordt aangetast (zie 2 Joh.) ontvangen aan het avondmaal? Absoluut niet!
c. Willen we gelovigen die een zodanige omgang hebben met de onder b genoemde ‘bozen’ zodat ze
gemeenschap hebben met hun zonden, ontvangen aan het avondmaal? Absoluut niet ( zie voor deze
drie punten Ga het na nr. 1’)
d. Vinden wij dat een vergadering het besluit tot wegdoen van een boze door een andere vergadering zo
maar naast zich neer mag leggen? Absoluut niet. Men zal beginnen met het besluit te erkennen. Maar
we geloven niet dat verkeerde besluiten door de hemel erkend worden. Als dan ook een vergadering na
grondig onderzoek (liefst door naburige vergaderingen) en daarop volgende vermaning weigert een
verkeerd besluit in te trekken dan achten we ons aan dat besluit niet langer gebonden omdat we geen
medewerkers aan onrecht mogen zijn (zie voor dit punt: Ga het na nr. 2)

Was ons toelatingsbeleid wel juist?
Over mijn ontwikkeling te midden van de ‘broeders’ heb ik in Ga het na nr.1 het een en ander geschreven. Ik kreeg moeite met ons toelatingsbeleid. Gelukkig heb ik nooit een extreem standpunt ingenomen, daarom hoef ik niet zoveel terug te nemen. Toch heb ik het beleid tot op zekere hoogte gesteund. Een goede vriend die Ga het na nr. 1 gelezen had, beschuldigde me daarom van onoprechtheid. Dat was het echter niet. Je zag niet hoe het dan wel precies moest en je maakte je wijs dat we dus maar moesten doorgaan zoals we het deden. In feite misleidde ik mezelf.
Het startsein tot een echt kritische houding gaf de ontwikkeling in de Achterhoek in de zeventiger jaren. Er was in een tweetal plaatsen onderlinge verdeeldheid over de houding die men moest innemen ten opzichte van gelovigen in een naburige vergadering waar een scheuring was opgetreden. In plaats van in rust uit elkaar te gaan, bejegende men elkaar dusdanig dat de dorpelingen er schande van spraken. Dit was vooral het gevolg van een bepaalde toepassing van de leer van het melaatse huis die door de ene partij aangehangen werd. Men keek elkaar niet meer aan, kinderen wilden niet meer samen het veertig-jarig-bruiloftsfeest van hun ouders vieren, enz. Dit bracht mij ertoe deze leer grondig te testen en in de Bode heb ik daarna een duidelijk kritisch geluid laten horen.

Het melaatse huis
Mijn test begon met het onderzoeken van het boekje ‘Verontreinigt verbinding met kwaad’ van A. E. Booth, want dat ging specifiek over Lev. 13 en 14, dat zijn de beide hoofdstukken waarin uitvoerig over de melaatsheid geschreven wordt. Met wat Booth schreef over melaatsheid aan een persoon kon ik nog wel aardig uit de voeten, maar op zijn betoog over het melaatse huis liep ik totaal stuk. Dat begon al direct met de openingszin op blz. 6 die luidt:
‘In hfst 14 onderwijst God ons over de verbinding met kwaad. De verzen 33-57 slaan op melaatsheid in een huis. Wij twijfelen er niet aan dat het huis ons ‘het Huis van God’ voorstelt, de vergadering van Gods volk waar God woont (1 Tim. 3:15). Verder verwijst dit naar onze - tot een lichaam gemaakte - gemeenschap.
Dit werd zo maar beweerd zonder ook maar een bijbels argument voor deze veronderstelling aan te voeren. Veronderstel dat een rechter zo te werk ging en een verdachte veroordeelde op het loutere feit dat hij niet twijfelt aan diens schuld.
Maar dat niet alleen, het beeld gaat ook helemaal niet op. Als er melaatse stenen in het huis van een Israëliet waren moesten die stenen eruit gebikt worden en het gat met andere stenen worden opgevuld. Welnu, wij kunnen gelovigen die met kwaad besmet zijn uit de gemeente verwijderen, maar kunnen wij de leegte die ontstaat direct met nieuwe bekeerlingen opvullen? Immers nee!

Losse beweringen
Dat laatste is echter nog tot daaraan toe, wat mij het meeste trof, was het totaal ontbreken van een bijbelse fundering voor de gewraakte redenering. Booth twijfelde niet aan zijn stelling, maar ik des te meer. Toen besloot ik andere boeken na te kijken, namelijk van Darby, Kelly, Mackingtosh...broeders van wie ik overigens veel geleerd heb.....en de schok werd alleen maar groter. Geen van deze schrijvers deed ook maar een poging om te bewijzen dat het huis van willekeurig welke Israëliet een beeld is van de Gemeente. Het boekje van Booth is in diverse talen vertaald en in verschillende landen uitgegeven. Geen van de vertalers en geen van de uitgevers is kennelijk gestuit op het totaal ontbreken van een bijbelse fundering. Ik bracht deze kwestie ter sprake in de redaktie van de Bode maar geen van de redactieleden
kon aangeven dat het huis van een Israëliet een type is van een plaatselijke gemeente. Dit betekende voor mij dat ik het boekje van Booth naast me neer legde en ik inzag dat er onder ons ongefundeerde leringen opgeld deden, die ertoe leiden dat men bepaalde vergaderingen eenvoudig aan de kant zette

Mede naar aanleiding van de leer van het melaatse huis werd (en wordt) namelijk door velen een afzonderingstheorie gepropageerd waarbij niet alleen het toelatern van gelovigen tot het avondmaal aan onbijbelse normen werd onderworpen, maar waarbij men de praktische gemeenschap verbrak met alle
vergaderingen en geloofsgemeenschappen die zich hieraan niet conformeerden.

Hand in eigen boezem
Daarbij wil ik beginnen met de hand in eigen boezem te steken. Zoals uit het stuk van de brs. HPM, WJO en DS blijkt, heeft er in Oostenrijk een grote opwekking plaatsgevonden, waardoor ruim 20 vergaderingen zijn ontstaan , die voornamelijk bestaan uit voormalige Roomskatholieken. Voor dit werk heeft de Heer o.a. een tweetal werkers willen gebruiken, te weten br. Walter Mauerhofen (WM)als evangelist en br. Fred Colvin (FC) als leraar. In een van deze vergaderingen, te weten in Saalfelden hebben een drietal broeders uit Duitsland besprekingen gehad. Zo niet uitsluitend dan is toch vooral daardoor een scheuring ontstaan in de vergadering te Saalfelden en zijn een klein aantal gelovigen in Lofer gaan vergaderen los van de andere vergaderingen in dat gebied en in gemeenschap met de vergaderingen in Duitsland. Deze zaak ging verschillende van ons zeer ter harte en na overleg hebben we een onderhoud aangevraagd met een aantal broeders uit Duitsland die bekend waren met het werk in Oostenrijk.
Dat onderhoud vond met het hiervoor aangeduide drietal broeders plaats op 6-11-1991. Het had voor ons een zeer onbevredigend verloop en van hun gezichtspunt uit gezien geldt dat ook voor de drie broeders uit Duitsland.
Daarop hebben we 21-11.1991 aan de drie broeders een brief gezonden waarin wij ons oordeel over de kwestie Lofer hebben gegeven. Deze brief is erg hard aangekomen en ik wil daar in deze verantwoording ongeveer hetzelfde over meedelen wat ik aan de broeders in het werk des Heren in Duitsland heb door laten geven, namelijk dat ik betreur deze brief te hebben ondertekend en dat vanwege:
-de scherpe toon;
-het feit, dat we daarin de namen genoemd hebben van een tweetal broeders in Duitsland en in dat
verband op negatieve wijze de term leiderschap hebben gebruikt;
-het feit dat we in die brief een oordeel uitgesproken hebben over de vergadering te Wenen zonder dat ik
ooit contact met de broeders daar gehad heb;
-het wat provocerende slot van die brief over voortzetting van contact en aanzitten in Oostenrijk.

Naar mijn overtuiging hadden we niet moeten schrijven, maar het gesprek met de drie broeders moeten voortzetten.

Kwestie Lofer
Het voorgaande neemt echter niet weg, dat ik de gang van zaken in Oostenrijk nog net zo betreur als destijds en ik me schaam voor wat er is gebeurd. Ik wil trachten een overzicht te geven van de ontwikkeling daar. Het gevaar van het geven van een eenzijdige voorstelling van zaken, besef ik. Anderzijds beschik ik over zoveel informatie van Duitse zowel als van Oostenrijkse zijde dat ik meen een behoorlijk verantwoorde weergave te kunnen geven. De beoordeling van de feiten komt natuurlijk geheel voor mijn rekening.
* Laat ik dan beginnen met te zeggen, dat door de uitgeverij CSV (Christliche Schriftverbreitung) te Hückeswagen ontzaglijk veel evangelisatielektuur (vooral kalenders) aan de werkers in Oostenrijk ter beschikking is gesteld. Br. WM spreekt daarover ook zijn waardering uit (zie brief van 2 -8-1991)
* Bij een van zijn bezoeken aan Hückeswagen heeft br. WM de suggestie gedaan dat de brs. eens moesten komen kijken naar het werk van de Heer aldaar. Aan dat verzoek hebben een drietal brs., X,Y en Z te noemen (ieder voor zich, soms te samen) gevolg gegeven.
* Dat betekent natuurlijk niet dat brs. uit Duitsland het gebied waar de brs. WM en FC door de Heer gebruikt waren (en werden-ook nu nog!!) als een soort eigen werkgebied mochten gaan beschouwen. Maar dat is in feite wel gebeurd. De drie brs. uit Duitsland hebben wel gezegd, dat ze naar Oostenrijk kwamen en ook verder hun bezoeken gemeld hebben, maar ze hebben niet met WM en FC samengewerkt of hen volledige informatie gegeven wat hun dienst precies inhield. In plaats van eerst met deze beide broeders besprekingen te voeren, hebben ze gewerkt onder de gelovigen in Lofer die de samenkomsten in Saalfelden bezochten. Hun dienst heeft tenslotte (mede?) tot een scheuring geleid. Twee broeders en een paar zusters hebben zich losgemaakt van de andere vergaderingen in Oostenrijk en vergaderden voortaan in praktische gemeenschap met de vergaderingen in Duitsland.
* In onze brief van 21-11-1991 hebben we deze werkwijze ‘schieten onder andermans duiven’ (ins Geschäft pfuschen) genoemd. Dat is een scherpe uitspraak, maar ik kan voor de handelswijze van de drie broeders echt geen andere kwalificatie vinden. Terecht heeft FC geschreven dat men zelfs in de wereld niet zo zou handelen (brief 21-7-91 )
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de drie niet alle dezelfde mate van verantwoordelijkheid voor de scheuring dragen. Daar staat echter tegenover dat geen van de drie zich van de handelswijze van de ander(en) heeft gedistantieerd en dus zijn ze gezamenlijk verantwoordelijk voor de gang van zaken.
* Dezelfde eerlijkheid gebiedt ook te zeggen, dat er in Saalfelden misstanden waren of zich hadden voorgedaan, die zeker correctie verdienden. Eén daarvan was dat men zeer nonchalant met toelating was omgesprongen, waardoor ongelovigen aan het avondmaal waren toe gelaten. Ook gebeurde het dat zusters deelnamen aan de dienst door een lied op te geven. Als de drie broeders zich in hun dienst beperkt hadden tot het corrigeren van deze zaken, zou hun dienst te waarderen zijn geweest. Ze zijn echter verder gegaan en hun dienst leidde tot een breuk. Hierbij moet bedacht dat de gelovigen in Saalfelden volgens een schrijven van 4-11-1991 hun fouten erkennen en hun beleid hebben bijgesteld. Bovendien moet bedacht worden dat volgens FC (zie brief 21-7-1991) de genoemde misstanden zich in de andere vergaderingen in Oostenrijk niet voordeden.
* Zoals gezegd heeft de Heer een tweetal broeders gebruikt om daar vele mensen tot de Heer te leiden. Er ontstonden daar vergaderingen van gelovigen die de intentie hadden te willen vergaderen op de grondslag van de Schrift. Dat in zulke jonge vergaderingen niet alles direct feilloos verloopt is te begrijpen. Dat er geestelijke groei moet plaatsvinden is ook duidelijk. Wij kennen datzelfde op onze eigen zendingsvelden. Daarmee moet echter in alle geduld gehandeld worden. Het is een zaak van de lange termijn. Een van de drie broeders ( br. X te noemen) heeft dit in woorden van deze strekking ook aan FC geschreven (brief 27-07-1991). Deze tijd heeft men de gelovigen in Saalfelden echter niet gegund. Zelfs een verzoek van deze gelovigen om uitstel, werd afgewezen. Per 1 sept. 1991 zou en moest men apart gaan vergaderen. En zo werd binnen enkele maanden een beslissing geforceerd. Br. FC. heeft -alweer zeer terecht- aan br. X gevraagd waar nu het geduld en het nemen van tijd om correcties door te voeren, gebleven was!
* Ter verdediging hebben verschillende brs. aangevoerd dat de brs. uit Lofer die nu met ons vergaderen echt voor hun geweten de beslissing tot afscheiding van de andere vergaderingen genomen hebben. Dat wil ik graag geloven, maar ten eerste wordt een geweten gevormd en daaraan werkt onderwijs mee. Ten tweede zijn deze broeders er niet zelfstandig toe gekomen om apart van de andere vergaderingen in Oostenrijk te gaan vergaderen.
* Een ander punt dat men mondeling en schriftelijk als verontschuldiging heeft aangevoerd, is dat men voor een bezoek aan Oostenrijk was uitgenodigd. Hoe men dit als een verontschuldiging kan aanvoeren is mij een raadsel, want dit maakt de zaak zoveel te erger. So-wie-so meen ik dat wij niet moeten gaan werken om onze inzichten ingang te doen vinden in een gebied waar andere broeders door de Heer gebruikt worden. Maar zeker mag men niet misbruik maken van het vertrouwen van broeders die ons uitnodigen een werk te komen bezien. Ik citeer hier br. WM die gereageerd heeft op deze opmerking van de drie broeders. Hij schrijft (5-9-91):
’Vaak wordt gezegd, dat u .... ....een jaar en twee maanden geleden op mijn uitdrukkelijke wens in Pinzgau gekomen zijn. Bij mijn bezoek in uw huis in Ennepetal werd zeer zeker hierover van gedachten gewisseld, dat er inderdaad de wens bestond de arbeid in het Salzburgerland te leren kennen. Tegen deze wens had ik niets in te brengen, want ik verheugde mij erop , dat tussen ons en de lieve broeders uit Hückeswagen de vriendschappelijk banden bevestigd zouden worden’.
Toen jullie ...gekomen zijn verblijdde ik mij erover dat de korte gemeenschap met de broeders en zusters in Saalfelden en Lofer een positieve in druk op jullie achtergelaten heeft. Tegen zulke bezoeken...heb ik niets in te brengen...
....
Des te meer doet het mij onzegbaar veel verdriet dat ik door uw dienst en die van uw vrienden ontgoocheld geworden ben. Had ik de draagwijdte en de uitwerking beseft toen jullie me bezocht hebben , waarmee ik nu geconfronteerd wordt dan had ik de jonge gemeente in Lofer indringend vermaand hebben jullie niet meer uit te nodigen
.....

Terecht is naar voren gebracht dat de uitnodiging om naar Oostenrijk te komen was om het werk daar te bezien, maar niet om daar te gaan leren over afzondering waardoor een breuk in de vergadering is ontstaan.

Wat in Lofer is gebeurd, beschouw ik als een zwarte bladzijde in de geschiedenis van de ‘gesloten broeders’ Deze scheuring is absoluut niet tot eer van de Heer. De inwoners van dit Roomskatholieke gebied zeggen nu: ‘Deze kerkverlaters hebben onderling de eenheid niet eens kunnen bewaren’. Wie een beetje besef heeft van wat het begrip ‘eenheid’ voor een katholiek betekent, doordat het hem een steun geeft tegenover protestanten, die zo hopeloos verdeeld zijn, die beseft ook wat een schade met deze scheuring aan het evangelisatiewerk in dat roomse gebied is toegebracht.

Er is gesproken over het bewandelen van een ‘bijbelser weg’, maar dan kun je dus niet spreken van een onbijbelse weg! Het houdt dus in dat de weg van de Oostenrijkse vergaderingen wel bijbels was, maar nog wat bijbelser kon. Moet je echter daarvoor een scheuring doordrijven?!

Nu is met het bovenstaande de kern van het probleem eigenlijk niet geraakt. Die kern is dat deze vergaderingen een wat vrijer toelatingsbeleid kennen dan de doorsnee vergaderingen onder ons.en dat het er wat vrijer toeging dan in de doorsnee vergaderingen in Duitsland Men noemt ze ‘open’ of ‘onafhankelijk”. Zij ontvangen bijvoorbeeld broeders uit andere kringen en..............zij ontvangen ook een broeder, die door broeders uit Duitsland als uitgesloten wordt beschouwd. Op die zaak kom ik ook terug in deel 2.

PS. 2006
Gelukkig kan gezegd worden dat de vergadeirng in Lofer de praktische gemeenschap met de andee vergaderingen in Oostenrijk weer hersteld heeft. Tekenend was het gevolg dat de vergaderingen in Duitsland daarop de gemeenschap met Lofer subiet verbraken.