Snel zoeken:
467 jrg 145, 05-2002 Opstap door het eerste boek van SamuŽl 12 (3:1-10)

1-SamuŽl 3:1
HOOR, HEER, WANT UW KNECHT SPREEKT
1 Sm 3:1-10

Het woord van de Heer was schaars
Het begin van dit gedeelte in 1 2Sm vermeldt dat de jonge SamuŽl in dienst was van de Heer. Mooi is dat! In een goddeloze omgeving dient SamuŽl de Heer. Hij liet zich door de zonen van Eli niet meeslepen in het doen van verkeerde dingen. Zoals eerder opgemerkt zorgt Eli beter voor SamuŽl dan hij eertijds voor zijn zonen deed. Zijn falen in het verleden maakte echter wel dat God deze oude priester niet kon gebruiken voor het doorgeven van het Woord van God. En de toestand daar bij het Gods huis was zo, dat de Heer nog slechts af en toe zijn woord kon laten horen en iemand nog slechts zelden door een gezicht een mededeling kreeg.
Hoe zit dat bij ons? En nu doel ik niet op het ontvangen van geÔnspireerde boodschappen, maar op het brengen, het uitleggen en toepassen van Gods woord. Gebeurt dat nog wel Ďovervloedigí? Soms wordt er wel genoeg gesproken in de samenkomst, maar wordt er ook veel Ďgezegdí? Is het werkelijk een boodschap van de Heer die men zelf verwerkt heeft en nu doorgeeft aan ďhet volk van de HeerĒ?

De lamp van God brandde nog
In de nacht, terwijl het licht van de lamp van God nog niet was uitgegaan en Eli en SamuŽl zich ter ruste hadden begeven, riep de Here God SamuŽl. De uitdrukking dat de lamp van God nog niet was uitgegaan ,vraagt wel om een toelichting. De vraag is namelijk of deze mededeling letterlijk of figuurlijk is bedoeld, of dat beide aspecten ermee bedoeld worden? Gaan we uit van het eerste dan moet de bedoeling zijn dat het licht van de kandelaar in het heilige nog brandde. Van die lamp staat in Ex27:20 dat die voortdurend moest branden. Uit vers 21 kunnen we afleiden dat dit ĎvoortdurendĒ betrekking heeft op de tijd van de nacht. Tijdens de hele nacht moest de lamp branden. De priesters hadden daarvoor te zorgen: er moest voldoende olie zijn. De priesters hadden de taak elke avond de lampen aan te steken, die dan tegen de morgen uitgingen (vgl.2Kr13:12). De mededeling houdt zo beschouwd in dat SamuŽl tegen het einde van de nacht door de Heer geroepen werd. Tegen het aanbreken van de morgen brak, om zo te zeggen, het woord van de Heer door. Het Ďdaglichtí zou voor IsraŽl weer gaan schijnen. Het profetisch woord zou weer worden vernomen. Met deze laatste opmerking begeef ik me al iets op het symbolische vlak. Er is echter ook wel wat voor een diepergaande symbolische betekenis te zeggen,en wel dat zelfs in de donkere tijd waarin deze geschiedenis ons verplaatst God zijn getuigenis onder en door het volk nog niet had uitgeblust. Ik denk daarbij aan een uitspraak uit 2Kr12:12 waar staat dat er in de tijd van Rehabeam nog wel iets goeds in Juda werd gevonden. God rekent met zijn volk niet abrupt af. Hij is geduldig en lankmoedig en merkt het goede dat er gevonden wordt nog wel op. Wij zijn soms heel snel en radicaal in ons oordeel en schrijven Ďeen getuigenisí dat in onze ogen niet voldoende licht geeft rap en radikaal af, maar zo doet de Heer niet. Natuurlijk kan God een kandelaar wegnemen zoals volgt uit Op2:5, maar laten we dan bedenken dat dat wat Klein-AziŽ betreft pas eeuwen later is uitgevoerd. Het voorgaande betekent niet dat we met wat niet deugt bij anderen maar rustig kunnen meegaan, en evenmin dat we het kwaad in eigen kring niet zouden hebben te oordelen, maar we moeten er op bedacht zijn om met geduld en bezonnenheid te oordelen en Ďnavolgers van Godí te zijn ( Ef.5:1).
Wellicht is er iets te zeggen voor beide betekenissen: de letterlijke en de symbolische kunnen m.i. heel goed samengaan.

In de nacht hoort SamuŽl zijn naam roepen. Hij staat op en haast zich naar Eli, maar die heeft hem helemaal niet geroepen en zegt dat de jonge dienstknecht van de Heer weer moet gaan slapen. Dan hoort SamuŽl opnieuw zijn naam roepen. (Er staat dat God SamuŽls naam herhaald geroepen heeft: ĎSamuŽl, SamuŽlí . Zie voor andere plaatsen waar we zoín dubbele aanspraak vinden : Gn22:11; Gn46:2 ; Ex3:4; 1 2Sm:10; Lk10:38; Lk22:31; Hd9:14); vgl. Mt23:37; Lk13:33; Js29:1) Weer gaat hij naar Eli en opnieuw stuurt deze hem terug. SamuŽl wist niet wat er aan de hand was. Hij kende de Heer nog niet als de God die hem riep. Zoiets had hij no niet meegemaakt. Als hij dan voor een derde keer naar Eli toegegaan is omdat hij zijn naam hoorde roepen, begrijpt deze wat er aan de hand is en geeft hij SamuŽl de opdracht dat hij als hij weer hoort roepen, moet zeggen: ĎSpreek Heer want uw knecht hoortí. En ja hoor, God roept de jonge dienstknecht opnieuw en SamuŽl zegt ootmoedig: ĎSpreek Heer. uw knecht hoort!í Luisteren naar wat God te zeggen heeft, daarop komt het aan!!

Spreek,Heer want uw knecht hoort
In de titel boven dit artikel heb ik de uitspraak ĎSpreek Heer, uw knecht hoortí omgedraaid omdat wij zo moeilijk luisteren naar wat de Heer ons te zeggen heeft. Wij praten soms veel meer dan dat we luisteren. Dat is in een gesprek met medemensen het geval, maar het komt ook voor in onze conversatie met God. Dat vooral als we menen dat God Zich om ons niet bekommert. We kunnen dan als het ware zeggen of denken: ĎHeer, luister nou toch eens naar meí. We zitten met een moeilijk geval en vragen ons af waarom God niets doet. Ik denk bijvoorbeeld aan tegenslag op ons werk, aan ziekte, aan verstoorde familieverhoudingen. In plaats van te spreken zouden we misschien eens wat meer naar God moeten gaan luisteren om te vernemen wat Hij ons duidelijk wil maken. Hij kan tot ons spreken Ďin de stille omgangí die we met Hem mogen hebben. Ook wil Hij spreken door zijn woord, door de Bijbel. Hoe dan ook, laten we toch gekenmerkt worden door de houding die we bij SamuŽl opmerken. Een houding van: ĎSpreek Heer, want uw knecht hoortí.