Snel zoeken:
470 jrg 145, 08-2002 Op stap door het eerste boek van SamuŽl 15 (4:1-11)

1-SamuŽl 4:1
JE KUNT GOD NIET VOOR JE KARRETJE SPANNEN
1Sm4:1-11

De IsraŽlieten oorlog gaan voeren met de Filistijnen. Het zijn niet de Filistijnen die met oorlogshandelingen beginnen, maar de IsraŽlieten. we lezen met geen woord dat de Heer hen tot deze strijd oproept. Kennelijk zijn ze de overheersing door de Filistijnen beu (zie vers 9) en zullen ze het juk van dit kustvolk wel eens afwerpen. God had hun toch het hele land beloofd....?! .Dit is uiteraard mijn belichting, maar ik geloof dat ik daarmee de plank niet ver mis sla ,en vooral niet gezien het vervolg van deze gebeurtenis.
De eerste les die we dan kunnen trekken, is dat we op geestelijk terrein geen aktiviteiten moeten ontwikkelen onafhankelijk van God, in eigen kracht. Paulus geeft daarvan een prachtig voorbeeld als het gaat om zijn plannen om naar Korinthe te gaan. Hij zegt dat hij daarbij niet lichtvaardig gehandeld heeft en zich niet iets naar het vlees had voorgenomen (2Ko1:17). Hij handelde niet buiten God om

De strijd wordt geen succes. De IsraŽlieten worden verslagen en wat doen ze dan? Gaan ze de schuld bij zichzelf zoeken? Nee, de oudsten van IsraŽl vragen min of meer beschuldigend:íWaarom heeft de Heer ons de nederlaag laten lijden?í. Hier valt de tweede les te trekken: als er iets mis gaat moeten we niet de schuld bij God zoeken als zou Hij zijn woord niet waarmaken, maar we moeten bij onszelf te rade gaan en onderzoeken wat er bij ons mis is.

De IsraŽlieten laten de ark van de Heer uit Silo halen. Als die in hun midden is, zal de Heer wel de overwinning geven, ja moeten geven. Hij zal toch niet toestaan dat de ark in handen van de vijand valt?! Ze willen als het ware God voor hun karretje spannen. Maar God laat Zich niet dwingen om te handelen naar hun ideeŽn. Integendeel, het wordt een groot fiasco. Ze lijden een zware nederlaag en de ark wordt door de Filistijnen veroverd. In de tijd vlak voor de ballingschap hielden de IsraŽlieten het voor onmogelijk dat God zou toelaten dat de tempel verwoest zou worden door de vijand. Ze zeiden overmoedig: ĎDes Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit!í (Jr7:4). Maar God liet zich niet aan de tempel Ďvastknopení. Hij gaf het heiligdom prijs in de hand van de BabyloniŽrs. Hierin ligt een derde les, namelijk dat we God niet kunnen binden aan onze ideeŽn of opvattingen, hoe bijbels die ook mogen lijken. We zeggen dat we als gemeente samenkomen in de naam van de Heer Jezus. We claimen dat de Heer in ons midden is. Maar als wij puur sectarisch gaan handelen, dan kunnen we dat wel vergeten. Dan is Hij niet in ons midden, maar staat Hij buiten de deur, net als bij Laodicea. Als wij belijden dat ons samenkomen geleid wordt door de Geest en alles wat er gebeurt op rekening van de Geest schrijven, maar we staan niet werkelijk open voor de leiding van de Geest,dan kunnen we het wel vergeten. Als we dan het gemis bemerken en we gaan met menselijke middelen de sfeer in de vergadering opkloppen, dan kunnen we het ook wel vergeten. Nee, willen we kunnen rekenen op de aanwezigheid van de Heer en op de leiding van de Geest, dan moet er onder ons een verootmoediging gevonden worden, zoals we die in 1Sm7 :2-9 aantreffen. Dan alleen maakt de Heer zijn beloften waar. Laten we het goed onthouden dat we God niet voor ons karretje kunnen spannen. Dat kunnen we niet in ons persoonlijk geestelijk leven en evenmin in Ďonzeí samenkomsten.