Snel zoeken:
483 jrg 146, 06-2003 Op stap door het eerste boek van SamuŽl 27 (12:6-25)

1-SamuŽl 12:6
VERVULDE WENSEN< EEN BEWIJS VANGODS zegen?
1 Sm 12: 6-25

Vervulde wensen een bewijs van Gods zegen?

Hoe zit het met de vervulling van onze wensen? Je hoort weleens de uitspraak: ďGod heeft mijn gebed, mijn wens vervuld, dus het zat wel goed met mijn gebedí. In de meeste gevallen zal dat wel zo zijn, maar niet altijd..

Menselijke overwegingen kunnen een rol spelen
Het volk wenste een koning. We hebben gezien dat daarvoor een drietal redenen waren aan te voeren. Ik herhaal ze nog even: 1) de zonen van SamuŽl; waren geen goede richters (8:1-5); 2) Een koning met een paraat leger kon een vijand direct het hoofd bieden en dat gaf zekerheid; 3) de dreiging van Nahas, de koning van de Ammonieten, maakte de zaak wel zeer urgent (12:12).
Menselijkerwijs gesproken was voor elk van die redenen wel wat te zeggen, maar het waren puur menselijke overwegingen. SamuŽl vraagt het volk hoe God in het verleden voor hen gezorgd had. Als de vijand kwam en het volk overheerste, was dat vanwege hun zonden. Als ze niet afgeweken waren, zouden ze helemaal geen moeilijkheden met de omliggende volken gehad hebben.
Maar niettemin: God voldeed aan hun wens en gaf hun een koning. Dat was evenwel geen garantie dat ze voortaan veilig zouden zijn, want als de koning samen met het volk van de Heer afweek zou de hand van God Zich tegen hen keren, precies zoals dat was in de tijd van de Richteren(vs.13-15).

God maakt duidelijk dat de wens van het volk fout was
Vervolgens laat God zien dat de wens van het volk absoluut niet goed is. Het was de tijd van de tarweoogst. Het was dan gewoonlijk rustig weer, maar op het roepen van SamuŽl komt er een vreselijke donderbui. Het volk beseft dat het gezondigd heeft en het vraagt om de voorbede van SamuŽl (vs 16-18).
De zonde van het volk betekende niet dat God het volk zou verstoten, en evenmin zou SamuŽl ophouden voor het volk te bidden. Maar daarmee is niet alles gezegd. Met een ernstige waarschuwing sluit SamuŽl dit onderhoud met het volk af. Ze wilden een koning, maar het koningschap is geen garantie voor een ongestoorde toekomst.

Garandeerde het koningschap rust en vrede?
Kijken we naar de geschiedenis van het volk dan zien we dat het onder een koning beslist niet beter uit waren dan in de tijd van de Richteren toen God soms 40 jaar rust gaf. Met Saul ging het al heel gauw mis. De regering van David (de vooruitwijzing naar de Messias) springt eruit, evenals het begin van de regering van Salomo, maar onder deze koning begint het verval en de tijd van de koningen is beslist geen succes in vergelijking met de tijd van de richters.
Vervulling van onze wensen en gebeden kan dus niet automatisch betekenen dat die wensen en gebeden daarom Ďgoedí zijn. Persoonlijk kan ik me niet herinneren dat bepaalde wensen van mij vervuld werden en dat ik achteraf tot de ontdekking kwam dat die wensen eigenlijk niet goed waren. Dat is geen verdienste van mij, want ik weet wel dat God bepaalde wensen niet heeft vervuld en dat ik achteraf moest zeggen: ĎGelukkig maaríí. Want als ik mijn hart onderzocht, moest ik tot de ontdekking komen dat er in mijn wensen een behoorlijk stukje eigenbelang verscholen zat. In Fp4: 6 staat dat we al onze verlangens bekend mogen maken bij God. Vaak is erop gewezen dat er niet staat dat God die wensen ook allemaal of altijd vervult, maar daaraan ga ik nu even voorbij. Ik wil er alleen bij opmerken dat deze tekst niet inhoudt dat we ons niet hoeven af te vragen of onze verlangens wel stroken met de wensen van God. Zelfonderzoek moeten we nooit uitsluiten.

God geeft ons nooit op
Als we daarin gefaald hebben verstoot God ons net zomin als het volk IsraŽl. Zelfs met een vervulling van verkeerde wensen is de zaak niet hopeloos, als we ons falen maar eerlijk voor God belijden. Met een wat vrije toepassing van vers 23 kunnen we zeggen dat wij een leidsman in de hemel hebben, die nooit ophoudt om voor ons te bidden en die ons de goede en rechte weg wil wijzen. Maar van onze kant moeten we er wel voor waken om kwaad te doen door te menen dat we het zonder God wel kunnen redden.