Snel zoeken:
444 jrg 142, 03-1999 Wat niet geboden is...

Wat niet geboden is....


Wat niet geboden is, is verboden;
wat niet verboden is, is geoorloofd


Op een receptie kreeg ik een gesprek met een gelovige die zich afvroeg welk van de beide stellingen, die als kopje boven dit artikeltje staan, nu juist is. We hadden daar geen tijd en gelegenheid er dieper op in te gaan, maar met dat vraagstuk had ik me al langer bezig gehouden en ik besloot er een artikel aan te wagen. Naar mijn overtuiging zijn beide stellingen eenzijdig en daardoor onjuist. De moeilijkheid is echter om dit vanuit de Bijbel duidelijk te maken.

Dus.....verboden?
Wat het eerste betreft, voelen we al wel aan dat er iets niet klopt. Met die stelling vervallen we in puur wetticisme en elk eigen initiatief drukken we er de kop mee in. Nu zijn er zaken waarbij wij ons zonder meer hebben te houden aan wat Gods Woord ons voorschrijft. Er zijn echter ook terreinen waar God niet een uitdrukkelijk gebod heeft gegeven. Er staat nergens dat we bij evangelisatie muziek moeten gebruiken, maar is het daarom verboden? En wat te zeggen van de vele zaken waar de Bijbel zich niet over uitspreekt omdat ze nog helemaal niet aan de orde waren. Er staat immers nergens dat je van de giro gebruik mag maken of van een computer... Dat zou dus verboden zijn... Nogmaals ieder voelt wel aan, dat je dan in een isolement komt te leven en een toeristische attractie wordt net als de Amish in Amerika.

Mag alles?
De tweede stelling deugt echter ook niet. We handhaven dan ook een soort wetticisme: we vragen ten aanzien van een bepaalde zaak of er ergens een verbod in de bijbel staat. Staat dat er niet dan achten we ons vrij te doen wat wij willen. Vroeger probeerde ik duidelijk te maken dat deze stelling niet deugt met een sullig voorbeeldje als: ‘Er staat nergens dat je je voorhoofd niet blauw mag verven, maar ben je daarom vrij om het te doen?’. Zijn er namelijk geen andere normen voor ons handelen dan gebod of verbod? Denk eens aan 1Ko10:24 waar staat: ‘Alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig’(1). Dit vers bewijst dat er een andere norm is dan een uitdrukkelijk gebod of verbod. De vraag moet zijn of iets nuttig is, of ik er een ander mee dien.

Maar er is meer....
Onlangs las ik een heel bekende geschiedenis in het Oude Testament en toen flitste het door me heen: dat is een sprekend voorbeeld van de onjuistheid van de stelling dat alles wat niet verboden is, mag. Het is het voorbeeld van de volkstelling van David. Staat er ergens in de Bijbel dat God David verboden had het volk te tellen? Nee, dat staat er met geen woord. Staat er dan in algemene zin dat het volk nooit geteld mocht worden? Al evenmin! Sterker nog: indertijd had God Mozes zelfs geboden het volk te tellen (Nm1:2).

Maar toen David aan Joab gebood het volk te tellen, had deze ruwe krijgsman, die voor een moord niet teruggedeinsd was, meer besef dat er iets niet deugde met die zaak dan de koning (zie 1Kr21:3; 2Sm24:3).
Na de telling kwam ook David tot de ontdekking dat zijn daad fout was en hij erkent:: ‘Ik heb zwaar gezondigd, doordat ik dit gedaan heb’.

Wat is ons motief?
Dit voorbeeld van de volkstelling leert ons dat God niet puur onze daden beoordeelt, maar ons motief. Als David het volk had laten tellen om daarmee God te eren, was er niets loos geweest, maar hij deed het uit hoogmoed . Hij deed het niet om te weten hoe groot de legerscharen van God zouden zijn, maar hoe groot zijn leger, zijn macht wel was.
De stelling: wat niet verboden is, is geoorloofd deugt dus niet. De uitspraak: ‘Maar er staat toch nergens dat het niet mag’, komt meestal voort uit een geest van: ‘dat willen doen waar wij zin in hebben’. De vraag moet echter zijn; ‘Wat zij willen, is dat tot eer van de Heer?’ en: ‘is het nuttig voor anderen?’. Dat moet ons motief zijn. Maar dat is wel een uitspraak waarbij we onszelf op de onderzoekstafel moeten leggen. Doen we, doe ik, alles alleen omdat God erin geëerd en een ander er door gediend wordt? Of speelt mijn eigen ‘ik’ een rol mee...ook al is het maar een bijrolletje..? Pijnlijke vraag.
________
1 Even terzijde: dit vers bewijst weer eens dat je een bijbeluitspraak nooit puur op zichzelf mag uitleggen, maar het verband waarin hij staat, moet laten meetellen. Onder ‘alles’ mag je hier niet letterlijkalles verstaan, want dan zou het ons geoorloofd zijn te zondigen