Snel zoeken:
426 jrg 140, 06-1997 Abraham een voorbeeld van vertrouwen op God (2)

Lot komt in de problemen als de koningen van de streek in opstand
komen tegen Kedarlaomer, de koning van Elam. Hij wordt door de
noordelijke legers na hun overwinning op de vijf koningen van
het Zuiden als gevangene meegevoerd. Als Abram niet in vertrouwen op God ingegrepen had, was Lot tot het eind van zijn leven slaaf geweest en was hij zijn bezit voorgoed kwijt geweest. Maar als Abram van het lot van
Lot hoort, gaat hij met een handjevol mensen, 318 in getal (Gn14:14), de
vijanden achterna en bevrijdt hij zijn neef. Het godsvertrouwen van Abram straalt hier weer in volle helderheid.

Abram wijst beloning af
Op de terugweg ontmoet hij de merkwaardige figuur van Melchizedek, de koning van Jeruzalem, die door de schrijver van de Brief aan de Hebreeőn duidelijk als een type van de Heer Jezus wordt gekenschetst. Deze zegent Abram en daarop volgt de ontmoeting van Abram met de koning van
Sodom. Die wil Abram belonen, maar de aartsvader weigert dat. Hij wil niet door mensen rijk gemaakt worden, maar door God (Gn14:21-24). Weer een bewijs van zijn godsvertrouwen. Zijn bondgenoten legt hij het afwijzen van een deel van de buit echter niet op. Zij mogen hun deel
nemen. Een bewijs van de grootheid van karakter van deze geloofsheld.
Hijzelf verwacht alles van God, maar hij dwingt anderen niet tot het innemen van eenzelfde houding.

Deze zal uw erfgenaam niet zijn
Na een hoogtepunt in het geloofsleven kan er soms een inzinking komen. We zien dat bijvoorbeeld bij Elia na de gebeurtenis op de Karmel. God
verschijnt aan Abram en zegt: Vrees niet, Abraham, Ik ben uw schild, uw loon zal zeer groot zijn.  Abram heeft het loon van de wereldse heersers
afgeslagen, nu geeft God hem de belofte van een veel groter loon. Maar
wat heeft dat loon te
betekenen als Abram geen nakomeling heeft? Hij heeft dan maar »»n
erfgenaam, namelijk zijn knecht Eliőzer (Gn15:1-4). De Heer reageert op
deze overweging van Abram met de verzekering dat een lijfelijke zoon zijn erfgenaam zal zijn.

Het voorstel van SaraÔ
Het duurt echter jaren en nog steeds is de belofte van God niet vervuld. Dan, als ze tien jaar in Kanašn vertoefd hebben, stelt SaraÔ aan Abram voor dat hij de slavin Hagar tot bijvrouw zal nemen, zodat op die manier de
belofte van God in vervulling zal gaan. Dit voorstel is in overeenstemming met de gewoonte van die tijd, maar daarmee is het nog niet
gesanctioneerd door God. Ook wij lopen gevaar te handelen naar de
gewoonten van de wereld of in overeenstemming met de tijdgeest. Dat is echter niet naar de gedachten van God en loopt altijd op een fiasco of een drama uit. Abram gaat in op het voorstel van zijn vrouw (Gn16:1-4) en
Hagar wordt zwanger. Daarmee komen er al problemen, want Hagar
veracht haar meesteres. SaraÔ legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij
Abraham. Ze vernedert Hagar en deze vlucht, maar komt toch weer terug
en baart IsmaŽl.

Het verbond
Na de symbolische 'verbondssluiting ' van Gn15:7-21 geeft God nu heel
duidelijk aan met Abram een verbond te sluiten waarvan de besnijdenis
het teken is. Dit gaat gepaard met de bekende naamsverandering en de
stellige belofte dat uit Sara een zoon geboren zal worden. Abraham kan
het haast niet meer geloven. Na de geboorte van IsmaŽl zijn nu al weer
dertien jaar verlopen.
Abraham stelt God voor om toch maar IsmaŽl als zijn zoon te
beschouwen, maar de Heer wijst dat af. Na enige tijd verschijnt God weer aan Abraham en herhaalt de belofte heel concreet: over een jaar zal Sara een zoon hebben. Sara lacht, net als Abraham eerder deed (Gn17:17). Ze kan het niet geloven. Ter verantwoording geroepen, ontkent ze gelachen
te hebben. Gelukkig dat God haar niet doet naar haar gedrag! Ze zal
straks lachen maar dan niet van ongeloof maar van vreugde (Gn21:6).

Abrahams voorbede voor Sodom en Gomorra
Bij dezelfde gelegenheid kondigt God aan Abraham de ondergang van
Sodom en Gomorra aan (Gn18:16-33). De grootheid van karakter en het
eloofsvertrouwen van Abraham komt uit in zijn voorbede voor Lot en in zijn wijze van bidden waarin hij afdaalt tot de mogelijkheid dat er misschien
nog tien rechtvaardigen in Sodom gevonden worden. Zijn bidden is
ontroerend en navolgenswaard. Ook dat kunnen we van deze vader van
de gelovigen leren. God verhoort het gebed van Abraham en redt Lot.
Maar wat een treurig einde is het leven van deze man. Hij is weliswaar
een rechtvaardige (2Pt2:7,8), maar geen voorbeeld wat zijn levenswandel betreft.

Voor de tweede maal dezelfde halve leugen
Als we ons eigen hart niet kenden, zouden we zeggen dat het toch
ondenkbaar is, dat Abraham voor een tweede keer de leugen vertelde die hij Sara in Egypte voorgesteld had. Hij doet dat echter wel in Gerar bij
koning Abimelech (Gn20:1-18). Jammer! De gevolgen zijn er naar. Net als de vorige keer en zoals te verwachten was, raakt Abraham in de
problemen. Opnieuw moet God ingrijpen om erger te voorkomen. Maar nu biecht Abraham op dat hij deze halve leugen al in zijn hart bedacht had t
toen hij uit zijns vaders huis vertrok. Nu pas komt de wortel van het kwaad aan het licht. Abraham geloofde God, hij vertrouwde God wat zijn
toekomst
betreft, maar wat de gevaren op zijn levensweg
aangaat, werd hij soms door mensenvrees beheerst.
Nogmaals: kennen wij dat ook niet? Werpen we hier de eerste steen, of zullen we liever beschaamd tot onszelf inkeren?

Hagar en IsmaŽl verdreven
Als Isašk gespeend is (dat wil zeggen dat hij niet meer gezoogd wordt,
maar een kleuter is geworden), richt Abraham een feestmaal aan. Daarbij echter komt de haat van IsmaŽl tegen de ware erfgenaam uit. Hij steekt de draak met Izašk . Sara accepteert dat niet en eist van Abraham dat deze Hagar en IsmaŽl zal wegjagen. Abraham is dat niet naar de zin,
IsmaŽl is per slot van rekening zijn zoon! Hij moet echter van Godswege
aan de eis van Sara voldoen. In onze (westerse) ogen mag dat wreed
lijken, destijds was het niet zo vreemd. En gelukkig voor Hagar en IsmaŽl
heeft God voor hen gezorgd (Gn21:8-21).

Abraham en Abimelech
Abimelech van Gerar erkent dat God Abraham gezegend heeft en verzoekt om een 'niet-aanvals -verdrag'. Abraham gaat daarop in, maar eist wel
dat Abimelech zijn (d.w.z. Abrahams) recht op de put bij Berseba erkent
(Gn21:22-34). Hij laat zich de zegeningen die God hem nu al in het land
gegeven heeft, niet ontroven.

Het hoogtepunt van Abrahams geloof
Gn22 beschrijft ontegenzeglijk het hoogtepunt van het geloof van
Abraham. De aartsvader krijgt de opdracht zijn eniggeboren zoon te
offeren op een van de bergen die God hem wijzen zou.
Over ,de typologische zin van dit 'offer' zou veel te zeggen zijn. We bepalen ons echter weer tot de praktische kant ervan. Stel u even voor dat een dergelijke eis aan ons gesteld zou worden. Je moet er niet aan denken,
zeggen we. Maar Abraham moest er wel aan denken: hij moest het offer
brengen en hij deed dat. Abrahams geloof werd hem tot gerechtigheid
gerekend toen hij God op Diens woord geloofde wat de belofte van een
groot nageslacht betreft. Zoals al gezegd, beroept Paulus zich hierop om het principe van rechtvaardiging op grond van geloof te illustreren (Gn15:6; Rm4:2,3,9). Jakobus beroept zich echter op het feit dat Abraham zijn
zoon wilde offeren en stelt dat het geloof van Abraham uit de werken
volmaakt werd. Daardoor 'toonde' Abraham zijn geloof (zie Jk2:18,20,21-24). Van Abraham staat dat hij bereid was Isašk op te offeren omdat hij
erop vertrouwde dat God machtig was hem uit de doden op te wekken
(Hb11: 18,19). Wat een geloof!

De begrafenis van Sara
In de aankoop van een graf voor Sara in het land Kanašn komt opnieuw
het geloof van Abraham uit. Hij geloofde dat God aan zijn nageslacht het
land zou geven en daarom wilde hij Sara daar begraven. Hij ontving bij
zijn leven geen voetbreed van het land (Hd7:5). Het graf moest hij kopen. Deze daad van Abraham laat zich ook verbinden met het feit dat hij geloofde in de opstanding.

Vertrouwen in de keuze van een vrouw voor Isašk
Ten slotte is er nog de geschiedenis van het zoeken van een vrouw voor
Isašk. Abraham wil voor zijn zoon geen vrouw uit de Kanašnieten. Hij
zendt zijn knecht naar zijn familie in Haran. Zou de zending niet gelukken, dan mocht de knecht Isašk onder geen beding terugbrengen naar Haran.
Nee, Isašk hoorde in Kanašn te blijven, want dat land had God aan
Abraham en zijn nageslacht beloofd. Abraham spreekt echter zijn
vertrouwen uit in God, die de knecht zou geleiden op de weg en die hem
nabij zou zijn in het vindenvan eewn vrouw voor Izašk. Maar zelfs als dat niet zou gelukken, dan mocht Isašk niet teruggebracht worden naar Haran (zie Gn24:1-8). God heeft dit vertrouwen van Abraham niet beschaamd zoals uit het vervolg van Gn24 blijkt. Van Abraham zegt God dat hij tegen
hoop op hoop heeft geloofd en dat hij niet getwijfeld heeft aan de belofte
door ongeloof. Integendeel: 'Hij werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God heerlijkheid gaf en ten volle verzekerd was, dat wat Hij beloofd heeft, Hij
ook machtig is te doen ' (Rm4:18-24). Wat een voorbeeld voor ons!