Snel zoeken:
422 jrg 140, 02-1997 En gij hoort daarvan

Deuteronomium 17:4
‘En gij hoort daarvan’

Bovenstaande woorden zijn ontleend aan Dt17:4. We willen ons in dit artikel afvragen wat met deze woorden bedoeld is. Zou het betekenen dat iedere gelovige die van kwaad hoort in een of andere vergadering, geroepen is dat (persoonlijk of met anderen) te onderzoeken? Als dat juist blijkt te zijn, waar moet hij dan met zijn bevindingen heen? Hoe gaat de verdere afhandeling in zijn werk?

Het Oude Testament is voor ons net zo goed Gods Woord als het Nieuwe Testament. Het Oude Testament geeft ons echter geen directe aanwijzingen hoe we als Gemeente hebben te handelen.Voorschriften uit het Oude Testament aan Israël gegeven, kunnen we niet zonder meer overbrengen naar onze tijd en op de Gemeente toepassen. We zullen die voorschriften moeten bezien in het licht van de aanwijzingen die het Nieuwe Testament ons geeft.
Nog sterker geldt dit voorgebeurtenissen. Daaraan mogen geen regels ontleend worden voor nieuwtestamentisch handelen. Deze gebeurtenissen kunnen, als het om de Gemeente gaat, als illustratie dienen bij aanwijzingen die het Nieuwe Testament geeft.

Het kader
Het gaat in Dt17:4 niet zomaar om zonde, maar om iets fundamenteels: een man of vrouw die ‘doet wat kwaad is in de ogen van de Here, uw God, door zijn verbond te overtreden; die andere goden gaat dienen en zich daarvoor nederbuigt, voor de zon of de maan of heel het heer des hemels, wat Ik verboden heb’ (vs.2,3).
Het voorschrift van Dt17:2-7 moet geplaatst worden binnen het kader van andere richtlijnen die God gegeven heeft voor derechtspraak in Israël. Aan dit gedeelte gaat bijv. Dt16:18-20 vooraf. Daar staat dat in de steden van IsraëlÎl rechters en opzieners moesten worden aangesteld. Elke stad had haar rechters en opzieners. Dezen waren belast met de rechtspraak. De rechtspraak was dus geen zaak van het ‘gewone’ volk, maar van de opzieners.
Iedere Israëlietkon als getuige van kwaad optreden. Meer nog: hij mocht het kwaad waar hij getuige van was niet in de doofpot stoppen. Hij moest de zondaar openlijk terechtwijzen (Lv19:17) en bij ernstig kwaad (zoals bij een ‘vervloeking’) dit te bevoegder plaatse aangeven (Lv 5:1; vgl. Sp29:24).
Degenen die bevoegd waren recht te spreken en het recht te handhaven, waren de rechters en opzieners over wie Dt16:18-20 spreekt. Zij waren het rechtscollege dat bij een aanklacht tegen iemand het onderzoek moest plegen. Het ‘u’ en ‘gij’ van Dt17:4 is weliswaar enkelvoud, maar het slaat niet op elke Israëliet, maar op de rechter of het rechtscollege.
Het rechtonder het volk (zie 16:18b) werd gehandhaafd als alle rechters in hun eigen stedenhet recht handhaafden. De ‘poort’ van Dt17:5 is de stadspoort van de stad waarvan de rechters de zaak in behandeling kregen. Als in een stad de afval van de Heer niet gestraft werd, dan moest tegen zo n stad worden opgetreden, zoals in Dt13:12-16 staat aangegeven. Dit kon zich zelfs uitbreiden tot een optreden tegen een hele stam of een aantal stammen. Een voorbeeld van een dergelijk optreden zien we in Ri19,20 (zie ook Jz22:9-34).

Toepassing
Zoals gezegd mogen oudtestamentische voorschriften alleen dienen alsillustratie van nieuwtestamentische beginselen. Het Nieuwe Testament geeft ons aan dat we met de heiligheid van God rekening hebben te houden. God kan het kwaad in de Gemeente net zomin tolereren als het kwaad destijds in IsraëÎl. De uitspraak: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ komen we zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament tegen (Lv19:2; 20:26; 1Pt1:16)..Met dit algemene beginsel hebben we persoonlijk en als Gemeente te rekenen Dit principe zien we geďllustreerd (a) in de regels die aan Israël werden gegeven, en (b) in de handelwijze van God met zijn volk als er kwaad optrad.
Daarbij moeten we echter bedenken dat de voorschriften waarover we het hierboven hadden, niet te maken hebben met kleine vergrijpen waarbij een rechter een straf kan opleggen, maarmet afval van God in moreel of leerstellig opzicht, waarop de doodstraf moest volgen. Het wegdoen van de boze uit Israël gebeurde door de doodstraf te voltrekken.
Dit kunnen we niet letterlijk naar onze tijd overbrengen. Wij voltrekken geen doodstraf. 1Ko5:13 geeft aan dat verharde zondaars - en dit in contrast met Gl6:1 - uit het midden van de gelovigen moeten worden weggedaan. Indirect geeft 2Jh aan dat we geen omgang moeten hebben met een dwaalleraar. Er moet dus tucht zijnop leer en wandel Dat beginsel wordt door de aangehaalde gedeelten van het Oude Testament geďllustreerd.
Als in de gemeente een boze uit het midden wordt weggedaan, dan passen we als het ware een geestelijke doodstraf toe; vergelijk de uitdrukking doet de boze uit uw midden weg (1Ko5:13) met de overeenkomstige uitdrukking in Dt13:5; 17:7,12; 19:19; 21:21; 22:21,22,24; 24:7.
Let wel dat het niet gaat om verschillen in inzicht, waarbij men in oprechtheid argumenten voor zijn mening ontleend aan de Schrift. Nee, het gaat om ernstig kwaad dat afval van de Heer inhoudt.
In de gemeente heeft God oudsten/opzieners gegeven, die in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor de handhaving van de tucht in de gemeente en voor de ordelijke gang van zaken. De term ‘opziener’ houdt dat in. Wat dat betreft kan Dt16:18 ook als illustratie dienen. Onder Israël lag de rechtspraak niet in de handen van ‘jan en alleman’ , maar in de handen van de rechters en opzieners. Zo is het ook in de Gemeente. Een tekst als Hd15:7 ondersteunt dat zijdelings. Iets anders is dat de opzieners hun bevinding en hun oordeel aan de gehele gemeente voorleggen. Alle gelovigen ter plaatse scharen zich achter de opzieners en stemmen in met de tucht (mits schriftuurlijk uitgeoefend), zodat het een beslissing van de hele gemeente wordt.

Conclusie
Nu komen we tot een conclusie. Uit Dt17:2-7 kunnen we niet afleiden dat iedere gelovige die ergens in een andere gemeente van kwaad hoort, geroepen is dit te gaan onderzoeken. Het onderzoek is volgens dat gedeelte (in samenhang met Dt16:18) de verantwoordelijkheid van de rechters en opzieners.
Wel is iedere gelovige verantwoordelijk om een broeder van wiens kwaad hij weet heeft, terecht te wijzen. Als dit geen effect heeft, zal hij zijn bevindingen te bevoegder plaatse deponeren, d.w.z. bij de oudsten/opzieners van de desbetreffende gemeente. Dezen hebben de taak de zaak te onderzoeken. Zij kunnen die alleen verder in behandeling nemen als er minstens een tweevoudig getuigenis is, volgens het beginsel (zowel van het Oude als het Nieuwe Testament) dat het woord van twee of drie getuigen als waar aangenomen moet worden.
Wil de vergadering waar de boosdoener ‘thuishoort’, niet handelen, dan is consequent breken met het kwaad uiteindelijk de enige weg.
Jz22:9-34 en Ri19,20 geven een illustratie van het feit dat er met kwaad gehandeld moet worden. Die gedeelten kunnen we niet gebruiken om aan te geven hoe dat moet gebeuren. Dan zouden we namelijk een afvaardiging van de wereldwijde Gemeente op de been moeten brengen.
Aan een plaatselijke gemeente is alleen gezag toegekend wat haar plaatselijk handelen betreft. Ze heeft alleen gezag op eigen terrein. Geen enkele gemeente heeft gezag over een andere gemeente. Ook een aantal gemeenten (of vergaderingen) met elkaar hebben dat niet. Evenmin kent de Schrift een synode, algemene vergadering van afgevaardigden van de plaatselijke gemeenten, of iets dergelijks. Een plaatselijke gemeente heeft echter wel de taak en het gezag de praktische omgang met een vergadering waarin afval van God wordt getolereerd, te verbreken. Men geeft dan ook geen aanbevelingsbrieven naar zo n vergadering mee, noch ook accepteert men van zo n kring aanbevelingsbrieven.
Als gemeente X tot afval gekomen is en Y heeft haar standpunt t.o.v. X bepaald, dan zal ze andere vergaderingen daarvan op de hoogte stellen. Als er werkelijk van kwaad sprake is dat afval van de Heer inhoudt dan zal de Geest de eenheid van handelen bewerken doordat ook andere vergaderingen (en andersoortige gemeenten) zich van het kwaad afzonderen en de praktische omgang met deze in feite opstandige vergadering verbreken.
Nogmaals: het moet dan gaan om kwaad dat afval van de Heer betekent, en niet om verschil van inzicht waarbij geen opstand tegen de Heer in het spel is, en niet slechts om bepaalde ontwikkelingen die wij alleen maar persoonlijk of samen betreuren.