Snel zoeken:
383 jrg 136, 06-1993 Een toonbeeld van genade

Jeremia 3
Een toonbeeld van genade


In Jer.3:1-4:4 lezen we van de onverdiende genade, die God aan zijn volk IsraŽl wil bewijzen en zal bewijzen. Dit gedeelte bevat voor ons een ernstige waarschuwing om niet van de Heer af te wijken, maar laat ook zien dat er bij God altijd herstel mogelijk is als we ons van een verkeerde weg tot Hem bekeren.

Volgens de wet was er voor het ontrouwe volk IsraŽl (de tien en de twee stammen geen terugkeer tot God mogelijk

Jer.3:1: ĎIndien een man zijn vrouw verstoot en zij gaat van hem weg en wordt de vrouw van een andere man, zal hij dan nog tot haar terugkeren? Zal niet dat land ten zeerste ontwijd worden?í.
Volgens Deut.24:1-5 was het ten strengste verboden, dat een man de vrouw die hij verstoten had weer zou trouwen.

Jer.3:1:Juda heeft Ďontucht gepleegd en dan tot God terugkeren?í.
Volgens de wet was dat dus onmogelijk. Maar God laat genade gelden en roept het volk op zich te bekeren. Hij wil het weer aannemen. Noch IsraŽl, noch Juda geven (daar en toen) echter gehoor aan deze oproep

Jer.3:7-10:Aan de ontrouw van Juda is die van IsraŽl vooraf gegaan. Ondanks de oproep om terug te keren, ging IsraŽl ('Afkerigheid') door met de afgoden te dienen. Gods oordeel kwam en het volk werd weggevoerd, verstoten door de Heer. Ondanks die waarschuwing bekeerde Juda ('Trouweloze'} zich niet.

Jer. 3:11-13: In vergelijking met Juda heeft IsraŽl zich ĎgerechtvaardigdĎ. God wil het volk genadig zijn en roept: ĎKeer weder Afkerigheid, IsraŽlĎ. God wil niet altijd blijven toornen. Voor herstel is echter erkenning van ongerechtigheid voorwaarde.

Jer. 3:14,22: Zoals een vrouw ontrouw wordt aan haar vriend, zo is het volk ontrouw geworden aan God (vs.19,20). Toch blijft God roepen: ĎKeer weder, afkerige kinderen, Ik zal u van uw afdwalingen genezení.

Jer. 4:1,4: Maar dan moet er ook werkelijk bekering plaats vinden. Ze moeten hun hart 'besnijden'. Daaraan ontbrak het echter. Het afkerige IsraŽl werd dan ook niet teruggebracht uit de gebieden waar het heengevoerd was en het trouweloze Juda ging eveneens in ballingschap. Na 70 jaar vond er een gedeeltelijke terugkeer plaats, maar geen definitief herstel. Wat een beschamende les voor ons, want we zijn geen haar beter en handelen als christenheid precies zo als IsraŽl destijds.
Toch komt er een definitief herstel

Jer.3:22-23: Eenmaal zal het volk zich bekeren en zeggen: ĎZie hier zijn wij, wij komen tot u, want Gij zijt de Here, onze God. Voorzeker, bedrog brachten de heuvelen, het gedruis op de bergen (het vertrouwen op hulp van vreemde legers tegen de vijand werd beschaamd); voorzeker, in de Here, onze God, is IsraŽls heil!

Jer.3:18: In die dagen zal het huis van Juda naar het huis van IsraŽl gaan, en zij zullen

Na schulderkenning en oordeel over het kwaad is er bij God herstel mogelijk, zelfs voor Ďde verstoten vrouwí! Dit gedeelte mag voor ons geen reden zijn om te zeggen, dat we dus wel kunnen afwijken, omdat God ons toch wel weer genadig is`. Nee, het is juist een aansporing om bij de Heer te blijven opdat Hij ons niet behoeft te tuchtigen, zoals Hij dat zijn aardse volk heeft gedaan. Anderzijds bevat het de vertroosting, dat als we afgeweken zijn, God ons graag herstellen wil.