Snel zoeken:
370 jrg 135, 06-1992 Het zoete en het bittere van het profetisch Woord

Het zoete en het bittere van het profetisch Woord

Het eten van het Woord
Als een boek ons zo boeit, dat we het in ťťn keer uitlezen en we het later nog eens een paar keer lezen, dan zeggen we wel dat we het Ďverslondení hebben. Een dergelijke beeldspraak treffen we ook in de Bijbel aan. Van Jeremia is de uitspraak bekend: ĎZo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, uw woord was mij tot vreugde en blijdschap mijns harten; want uw naam is over mij uitgeroepen, HERE, God der Heerscharen (Jer.15:16).
Op het moment dat de profeet deze uitspraak doet, zit hij blijkens vers 10 in een geestelijk dal. Hij ondervindt smaad als profeet des Heren (vs.10, 15), en voelt zich door God in de steek gelaten (vs.17,18). Maar daarbij herinnert hij zich hoe hij eens het woord des Heren ontving. Ook al moest hij over oordeel en gericht spreken,toch was het Woord van de Heer hem tot vreugde. Het was immers het Woord van de God wiens naam over hem was uitgeroepen, aan Wie hij dus toebehoorde. Die God had hem als profeet geroepen, en hoewel hij zich voor die roeping te jong had geacht (Jer.1:6), had hij zich toch als profeet voor de Heer beschikbaar gesteld. Hij gaf daarbij het Woord des Heren niet zomaar door, nee, hij liet het op zich inwerken en door die ervaring gekenmerkt, hield hij de boodschap voor aan het volk. Het was voor hem een zoete vreugde dat de Heer tot hem en door hem wilde spreken, ook al was het een bittere boodschap van oordeel. Soms werd het spreken over oordeel hem te veel en dacht hij erover te zwijgen, maar het woord werd dan als een brandend vuur in zijn hart, hij kon het niet inhouden (Jer.20:7-9).
Deze passage uit Jer.15 is voor ons zeer leerrijk. Ook wij moeten het voor enkel vreugde achten dat God tot ons wil spreken en ons zijn gedachten wil bekend maken. Zijn Woord moeten we ons zo eigen maken, dat we het als het ware opeten. Als we het dan doorgeven, geven we het door als iets dat onszelf heeft aangesproken, iets dat ons geraakt heeft

EzechiŽl en de boekrol
Nog tweemaal wordt in de Schrift de beeldspraak van eten van het woord gebruikt, te weten in Ezech.2:8-3:3 en in Openb.10:10. In deze twee gevallen gaat het om het eten van een boek(rol) in een profetisch gezicht.
EzechiŽl krijgt een oproep om te horen naar wat God tegen hem zou zeggen, met daarbij de vermaning niet weerspannig te zijn, zoals het weerspannige volk IsraŽl. Vervolgens wordt hem gezegd, dat hij zijn mond moet opendoen en moet eten wat God hem geeft. Daarop ziet de profeet dat er een hand naar hem uitgestoken is, waarin zich een boekrol bevindt. De rol wordt voor de ogen van EzechiŽl uitgerold, en het blijkt dat deze aan de voor- en aan de achterkant beschreven is. Dat geeft aan dat de Heer heel wat mee te delen heeft. De taak van EzechiŽl zal zijn deze boodschappen aan het volk door te geven. Het feit dat de rol zů volgeschreven is, houdt ook in dat het om een belangrijke boodschap gaat, die maar niet in een paar woorden te zeggen valt. De inhoud van het geschrevene wordt weergegeven met de woorden: Ďklaagliederen,, gezucht, gejammerí.
Menselijkerwijs gesproken zou er wel reden zijn om te weigeren de boekrol te eten. Een boekrol, of die nu van papyrus of van perkament is, is nu niet direct smakelijk voedsel. En als de inhoud dan bestaat uit jammerklachten, verhoogt dat de eetlust ook niet. Waarschijnlijk krijgt de profeet daarom nůg eens te horen, dat hij de rol moet opeten.

Eerst eten, dan spreken Nadat EzechiŽl de rol heeft opgegeten, moet hij tegen het huis IsraŽls gaan spreken. Hij moet dus de inhoud van de rol helemaal in zich opnemen alvorens hij een woord tot zijn volksgenoten zegt. Het belang van deze handeling wordt nog onderstreept door de woorden:ĎLaat uw buik deze rol, die Ik u geef, in zich opnemen en vul er uw binnenste meeí. EzechiŽl gehoorzaamt aan die Goddelijke opdracht. Hij eet de boekrol en in zijn mond was die zo zoet als honing. Dat is dezelfde smaak als van het manna (Ex.16:31). Het kennisnemen van het Woord van God is als honing in onze mond. Zijn bevelen zijn een weldaad ( vgl. Ps.19:11;119:103). Dat was tenminste bij EzechiŽl zo en dat hoort het bij ons ook te zijn. Zelfs wanneer de boodschap niet zo vreugdevol is
Het Ďeten van de woordení wil zeggen, dat de profeet Gods Woord in zijn hart moet opnemen, zoals vs. 10 zegt. Het merkwaardige van dat vers is, dat er eerst gesproken wordt over Ďopnemen in het hartí en daarna over het íhoren met de orení. Dat is de omgekeerde volgorde, maar daarmee wordt alle nadruk gelegd op datgene waar het horen voor dient, namelijk dat het opgenomen wordt in het hart. Vanuit zijn hart moet dat woord door EzechiŽl gesproken worden tegen het volk. Het moet een stuk van hemzelf geworden zijn. Zo moet Gods Woord ons geheel doordringen, als we dan erover spreken, zeggen we geen geleerd lesje op, maar brengen we een boodschap die we zelf verwerkt hebben.

Het zal uw buik bitter maken
Johannes krijgt in visionaire toestand op Patmos eveneens bevel om een boek op te eten. Er wordt gesproken over een boekje (10:2,9). Het gaat kennelijk niet om een boekrol die aan twee kanten beschreven is en waar dus heel veel op staat, zoals EzechiŽl die te eten kreeg aan het begin van zijn loopbaan als profeet. Ook Johannes spreekt trouwens in het begingedeelte van zijn profetie over een boekrol die van binnen en van buiten beschreven is (Openb.5:1). In die rol staat heel het profetisch gebeuren vermeld. Op het moment dat er sprake is van het boekje heeft Johannes al veel bekend gemaakt van Ďwat er hierna moet gebeurení(Openb.4:1). De boodschap die hij in het boekje meegedeeld krijgt,, is veel minder uitgebreid dan wat EzechiŽl aan het begin van zijn loopbaan te eten krijgt en ook veel beperkter dan wat in het boek met de zeven zegelen staat. Overigens is het boekje nu ook weer niet al te klein geweest, want in vs. 8 wordt het een boek genoemd. Al gaat het om een boekje, daarmee is niet gezegd, dat de profetieŽn die het bevat minder belangrijk zouden zijn. De belangrijkheid zit hem in de inhoud, niet in de hoeveelheid.


Niet onvermeld mag blijven dat Johannes het boekje moet nemen uit de hand van de engel wiens ene voet op de aarde en wiens andere voet op de zee rust. Deze engel stelt volgens vele uitleggers Christus voor, die de heerschappij over het droge en de zee claimt. Het boekje behelst datgene wat met de realisatie van zijn rechten in verbinding staat. Evenmin moeten we over het hoofd zien, dat het gaat om een geopend boekje. Daarmee wordt een tweede contrast met de boekrol van hoofdstuk 5:1 aangegeven: deze laatste was verzegeld, en elke keer als een zegel werd verbroken werd de boekrol verder geopend. Dit boekje is geheel geopend. De profetieŽn die het bevat liggen open en bloot in hun totaliteit. De figuren die in de laatste fase een rol spelen, komen in hun samenhang voor het voetlicht en de tijd van vervulling is kennelijk slechts kort.

Bitter in de buik
Net als in Ezech.3:10 wordt in Op.10:9 eerst beschreven wat het effect van het eten in het innerlijk van de profeet bewerkt, namelijk dat het zijn buik bitter maakt. Daarna wordt vermeld dat het in zijn mond een zoete smaak geeft. Eerst wordt dus alle aandacht gevestigd op het effect van de innerlijke verwerking. In vers 10 wordt de normale volgorde aangehouden, daarmee wordt meer de overgang van de eerste ervaring naar de tweede aangegeven. De zin van deze aanduidingen kan tweeŽrlei zijn. Ten eerste dat het vernemen van het Woord van God in eerste instantie een aangename zaak is. Het is zoet de stem van de Heer te verstaan en kennis te nemen van zijn Woord. Verder nadenken over dat Woord bepaalt de profeet echter ook bij de ernst van de oordelen en dat geeft een bittere smaak
Ten tweede kan er een indeling van de inhoud van het meegedeelde mee bedoeld zijn. Het profetisch woord spreekt enerzijds over mooie dingen; het loopt namelijk uit op de verheerlijking van Christus en zijn heerlijk koninkrijk. Anderzijds is de weg waarlangs dit alles verwezenlijkt moet worden een weg van oordeel en gericht is.
Ook wij kennen dat zoete en bittere van de boodschap van Gods Woord. Het overdenken van het resultaat van Christusí werk is zoet voor ons, maar te beseffen wat Christus daarvoor heeft moeten lijden staat gelijk met het gebruik van de bittere saus van het Pascha. Het evangelie is een boodschap die een zoete smaak geeft, want zondaars worden erdoor gered; maar het besef dat velen het evangelie niet aannemen en verloren gaan stemt het hart bedroefd, het geeft een bittere smaak. Het verwachten van de komst van de Heer die ons in het Vaderhuis brengt (Joh.14:1-3) is zoet; het besef dat dan de genadetijd voorbij is betekent bitterheid.
Niettemin is het een voorrecht dat God ons zijn gedachten heeft willen bekend maken. Hij verborg voor Abraham niet wat Hij met Sodom en Gomorra zou doen (Gen.18:17). De Heer door Amos dat Hij niets doet of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten (Amos 3:7). Zo ook heeft God ons zijn gedachten geopenbaard over de toekomst en dat kunnen we nooit genoeg op prijs stellen. Voor aartsvader Abraham betekende dat ook al een zoete ervaring maar die werd vermengd met het bitter van het aangekondigde oordeel, waarbij Lot alles achter te laten had. De aan de profeten bekendgemaakte raad Gods sprak van herstel, maar ook van oordeel.
Het zoete en het bittere van het kennisnemen van het Woord, in het bijzonder van het profetisch woord , horen bij elkaar. Beide ervaringen moeten we beleven en als die door ons goed verwerkt zijn, zullen ze beide doorklinken bij het doorgeven van de boodschap. Laten we het woord Ďetení en laten doordringen in Ďons binnensteí, zodat het daar zijn werk kan doen.