Snel zoeken:
367 jrg 135, 04-1992 De oude mens (4)

De oude mens (slot)

De brief aan de Romeinen
Wanneer we de brief aan de Romeinen lezen, valt het op dat Paulus diverse keren bepaalde stellingen naar voren brengt op grond waarvan hij dan een conclusie trekt; denk bijvoorbeeld aan Rom.3:5-8,27; 7:16,17; 9:19-21;10:14,15. We hebben bij het volgen van zijn betoog ons verstand nodig. Dat is natuurlijk niet alles, ook hier is de werking van Gods Geest onontbeerlijk. We stonden er al eerder bij stil dat God het verstand van de discipelen ‘opende’(Luk.24:45). Dat verstand was er dus bij ingeschakeld. Zo staat er in 1Joh.5:20, dat God ons het verstand gegeven heeft opdat wij de Waarachtige kennen. Andere vertalingen hebben daar voor verstand ‘inzicht’ staan. Het gaat niet om een nieuw soort verstand waarvoor andere denkprocessen gelden, maar om inzicht dat God gewerkt heeft. En in diepste wezen is dat een kwestie van het hart, dat aanneemt wat God zegt. Dan richt het verstand zich naar de gerichtheid van het hart.

Hij opende hun verstand
Van de Emmaüsgangers staat, dat ze onverstandig van hart waren (Luk.24::25). Ze kenden de profetieën over de heersende Christus maar ze waren blind voor de teksten die spraken over de lijdende Messias. Dat was maar niet een kwestie van de taal van de profeten niet verstaan. De oorzaak was dat hun hart niet bereid was de mogelijkheid aan te nemen, dat de Messias moest lijden en uit de dood opstaan. Daar lag de diepste oorzaak. Hun denken was puur op henzelf gericht. Zij verwachtten een koning met wie ze heersen zouden. Petrus wilde er niet aan, dat de Messias zou lijden en sprak zich ook als zodanig uit. Daarop zegt de Heer: Ga weg achter mij, Satan, want gij bedenkt niet de dingen Gods, maar de dingen der mensen. Het was dus een menselijk overwegen bij Petrus. Daar zat Satan achter, maar Petrus was niet een willoos werktuig van de boze. Nee, deze liet Petrus denken wat precies in de lijn van Petrus lag.
Maar terug naar Luk.24. De Heer opent later het verstand van de discipelen. Er staat niet dat ze een nieuw denkvermogen kregen, maar dat hun verstand geopend werd. In feite wil het zeggen, dat Christus hen oog liet krijgen voor de teksten die over zijn lijden spraken. Hij raakte hun hart aan, zodat het zich op Hem richtte en ze alles in het juiste perspectief leerden zien.

Het denken van Christus
Een belangrijke rol speelt de uitleg van 1Kor.2:16. In die tekst wordt gesproken over ‘het denken van Christus’. De vraag is nu of dit de gerichtheid van het verstand (als scheppingsgave) betreft, die veranderd is of dat het gaat om een ander denkvermogen, dat buiten het gewone verstand om gaat Het Griekse woord nous kan men weergeven met ‘verstand’, ‘zin’,‘gezindheid’, ‘oordeel’, ‘denken’, ‘denkpatroon’, ‘gedachtenwereld’. In de vorige druk van de Voorhoevevertaling alsook in de Statenvertaling en in deN.B.G-vertaling staat hier: wij hebben ‘de zin’ van Christus. Met dat woord ‘zin’ wordt niet het denkvermogen met de denkprocessen aangegeven, maar de gerichtheid van het denken. Zo spreken we van de ‘zin’ van een lijn als we de richting van de lijn bedoelen. Het gaat om het denkpatroon, de lijn waarlangs we denken. Als het om een nieuw denkvermogen zou gaan, zouden we met reden kunnen vragen waar dat denken dan zetelt, welke denkprocessen ervoor gelden en of er een hersenfunktie voor nodig is of niet. Er staat ‘het denken’ van Christus, dat wil zeggen wij denken over de dingen zoals Christus erover denkt. We zien alles in hetzelfde licht als Hij.

Verstand niet te hoog aanslaan.
Het verstand van de gelovige is dus ingeschakeld bij het verstaan van de geestelijke dingen. Het verstand van de gelovige is dus ingeschakeld bij het verstaan van de geestelijke dingen. Is de consequentie daarvan nu dat de gelovige met het meeste verstand ook de grootste kennis van de waarheid heeft? Wel, dat is niet een noodzakelijke consequentie, want ons verstand moet verlicht worden door de Heilige Geest willen we de gedachten van God kunnen verstaan. Ook daarbij komt het op het hart aan, op het innerlijk aanvaarden. Dat betekent dat we niet vleselijk gezind moeten zijn, want aan vleselijk gezinde gelovigen geeft God geen inzicht (vgl.1Kor.3:1,2). Ons hart moet dus recht staan voor God. Dat houdt ook in, dat we bereid moeten zijn om naar de wil van God te handelen (vgl. Joh.7: 7).
Kortom: Een gelovige met minder verstandelijke capaciteiten maar met meer toewijding, zal meer van Gods gedachten verstaan dan een gelovige met meer verstandelijke capaciteiten, maar met minder toewijding.
Hierbij zijn nog enkele overwegingen van belang.
Ten eerste dat niemand alle kennis van de waarheid rechtstreeks van God ontvangt. We staan om zo te zeggen op de schouders van het voorgeslacht. We hebben maar heel weinig origineel van onszelf. Het meeste heeft God ons via anderen doen toekomen.
Ten tweede dat bij het nadenken over Gods Woord de één dit facet er in ontdekt en de ander dat. Je ziet dat heel mooi op conferenties. De ene leraar brengt op grond van een tekst dit naar voren en een ander belicht aanvullend een ander facet. Dat heeft met de variatie in verstand te maken waar we het eerder over hadden.
Ten derde is van belang, dat vele gelovigen niet zelf de schatten uit Gods woord kunnen opdiepen, maar dat ze die wel kunnen bevatten als ze door leraars, die God gegeven heeft, daarin onderwezen worden.
Ten vierde:al zouden we alle kennis hebben, maar we missen de liefde, dan zijn we niets (1Kor. 13:3). Liefde en toewijding staan dus heel wat hoger genoteerd dan kennis.

We moeten het verstand niet overschatten, maar evenmin moeten we het waardeloos achten. Het is immers op zijn minst opmerkenswaard dat alle grote leraars onder Gods volk mensen met een goed verstand zijn geweest. Maar het waren tevens mannen van grote toewijding. Daarbij spelen dus twee dingen een rol: ten eerste de verstandelijke capaciteit, ten tweede de geestelijke gezindheid. Het eerste stelt iemand in staat dat wat hij leest in zich op te nemen,te analyseren en uit te leggen. Het tweede stelt iemand in staat in afhankelijkheid van de Heilige Geest de Schrift zo uit te leggen dat Christus centraal staat en de harten van mensen daardoor geraakt worden.
Vanaf het moment dat we tot bekering gekomen zijn, geldt voor ons de vermaning van Rom.6:13: ‘En stelt uw leden niet voor de zonde tot werktuigen van de ongerechtigheid, maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden en uw leden voor God tot werktuigen van de gerechtigheid’. Die leden betreffen ons hele mens zijn; daaronder vallen niet maar onze handen en voeten, maar ook geheel ons hart, onze ziel, onze kracht, ons verstand. Dit is de christelijke opdracht en geve God ons genade om eraan te beantwoorden.

De wil
Nog een enkele slotopmerking over de verandering van de wil bij de gelovige. We hebben het erover gehad dat de wil niet ‘verbroken’ maar ‘omgebogen’ moet worden. We moeten hier natuurlijk niet over een woord vallen. Beide woorden zijn te verdedigen, als we maar goed begrijpen wat ermee bedoeld wordt. Bij ‘ombuigen’ denken we eraan, dat er na de bekering niet een einde moet komen aan onze wil als zodanig, maar dat die wil die door onze zondige begeerten wordt beheerst door Gods Geest zodanig wordt ‘omgebogen’ dat hij gestuurden beheerst wordt door diezelfde Heilige Geest.
Ons wilsvermogen is een natuurlijke gave die de Schepper ons geschonken heeft. Dat wilsvermogen staat bij de ongelovigen dienst van de zonde, en bij de gelovige staat het - als hij tenminste door de Geest geleid wordt - in dienst van God
Ook het woord ‘verbreken’ valt in bepaalde betekenis natuurlijk best te verdedigen. De Schrift gebruikt het namelijk in Ps.51:19, waar David spreekt over een verbroken geest en een verbrijzeld hart. Maar dan moete we dat wel goed begrijpen.
Het gaat hier niet over de wil als zodanig, maar over ons wilsvermogern. Als het anders was, zou David na zijn ommekeer een willoos mens geworden zijn. Nee, het gaat om een zelfoordeel van David dat zijn totale persoon betreft. David heeft zijn zonde leren inzien en buigt zich in zelfoordeel voor God. Hij veroordeelt wat hij wat hij gedaan heeft , maar oordeelt ook zijn innerlijk, zijn ik, Zijn door zonde beheerste wil moest worden ‘verbroken’ en weer een door Gods Geest gestuurde wil worden. In feite is dit hetzelfde als wat hier boven met ombuigen is bedoeld.
Als wij een verkeerde weg zijn gegaan, dan past ons een zelfde verslagenheid en gebrokenheid. Als die er is, richt God ons op en kunnen we God weer dienen met een vaste wil om niet meer het kwade te doen, maar het goede