Snel zoeken:
314 jrg 130, 03-1987 Met menselijke overwegingen kom je bedrogen uit

MET MENSELIJKE OVERWEGINGEN KOM JE BEDROGEN UIT

Welbewust is in de titel van dit artikel gesteld dat we "met menselijke overwegingen" bedrogen uitkomen en niet dat we met "verstandelijke overwegingen" in het slop komen. De schrift leert ons namelijk dat we wel degelijk ons verstand hebben te gebruiken. Er staat zelfs dat wij God behoren lief te hebben met "geheel ons verstand"(Matth. 22:37). Van Petrus, die uit de gevangenis is bevrijd, wordt gezegd, dat hij "nadat hij alles overlegd had" naar het huis van Maria ging. Wanneer de apostel Paulus in 2 Kor. 10:5 schrijft, dat hij alle overleggingen neerwerpt, blijkt uit het verband, dat het gaat om overleggingen die tegen de gedachten van God ingaan. Overleg, afweging met het verstand is op zichzelf niet verkeerd. Ons verstand moeten we echter onder controle stellen van het geloof en het Woord van God. Verstandelijke overwegingen die getuigen van gebrek aan vertrouwen in Gods leiding en zorg of die in strijd zijn met Gods Woord, zijn uit de boze. Zķlke overwegingen bedoel ik met de uitdrukking "menselijke overwegingen"

Het voorbeeld van Jerobeam.
Na koning Salomo werd het ene rijk IsraŽl verdeeld in een noordelijk rijk van tien stammen en een zuidelijk rijk van twee stammen. Over het noordelijk rijk stelde het volk Jerobeam, de vroegere dienaar van Salomo, aan. Het zuidelijk rijk viel ten deel aan Rehabeam, de zoon van Salomo. In dit laatste rijk lag de stad Jeruzalem, waar de God van IsraŽl verkozen had te wonen en waar de tempel was gebouwd. Aan Jerobeam had God door Ahia de profeet beloofd, dat zijn koningshuis even duurzaam zou zijn als het huis van David, wanneer hij Ė en uiteraard ook zijn opvolgers Ė de Here zouden dienen. Godsdienstig gezien bevond het noordelijk rijk zich in het nadeel ten opzichte van het zuidelijk rijk: het bevatte namelijk geen godsdienstig centrum waar de bewoners naar toe konden gaan om God te dienen. Integendeel, ze moesten zich daarvoor naar de tempel te Jeruzalem begeven. Ja, alle mannelijke IsraŽlieten waren volgens de wet zelfs verplicht bij drie feestelijke gelegenheden naar Jeruzalem op te trekken, te weten bij het paasfeest en het feest van de ongezuurde broden, bij het feest der weken, later pinksterfeest genoemd, en bij het loofhuttenfeest(Deut. 16). Dit voorschrift gold uiteraard ook Jerobeam, maar dat was voor hem teveel gevraagd. Zelfs had hij er zware bedenkingen tegen dat zijn onderdanen dit voorschrift zouden opvolgen. Hij overlegde namelijk als volgt: "Als mijn volk optrekt naar Jeruzalem om God te dienen, komt het weer in kontakt met Juda en met het koningshuis van David. Het zou dan kunnen overwegen om de scheiding tussen de rijken ongedaan te maken door terug te keren tot het huis van David"(vergelijk 1 Kon. 12:26). Dit zou betekenen, dat ze Jerobeam als koning weer aan de kant zouden zetten. Deze gedachte van Jerobeam was verstandelijk gezien niet zonder grond. Het zat erin, zouden we zeggen. Jerobeam had zich echter moeten laten leiden door het woord van God, die niet liegen kan. Hij had niet "bij zichzelf" te rade moeten gaan en zich door puur menselijke overwegingen moeten laten leiden. Zoveel geloof kon Jerobeam echter niet opbrengen; in feite was hij zelfs een ongelovige. Ja, hij ging verder met zijn menselijk overleg en bouwde niet ťťn, maar twee godsdienstige centra in zijn rijk. Als je je dan tůch door menselijke overwegingen laat leiden, doe het dan gůed, dacht Jerobeam. Twee centra maakten het IsraŽl wel heel gemakkelijk om "honkvast" te blijven. Als Jerobeam te Bethel en te Dan een altaar voor de Here God had opgericht om er een offerdienst in te stellen zou hij ook al fout gehandeld hebben(zie Joz. 22:23), hij gaat echter veel verder en richt op deze beide plaatsen gouden kalveren op en richt er een offerdienst in. Hieruit blijkt, dat hij de les die God in de geschiedenis van het gouden kalf bij de SinaÔ gegeven heeft(zie Ex. 32), naast zich neer legt. Jerobeam laat zich dus niet alleen leiden door menselijke, puur verstandelijke overwegingen, maar ook door zondige, van God afvallige gedachten. Maar alleen de eerste waren al voldoende om zijn koningshuis niet te bevestigen. Zo kwam hij met zijn menselijke overwegingen bedrogen uit.

Het voorbeeld van Mozes.
Als contrast met het zondige voorbeeld van Jerobeam wenden we ons nu tot het navolgenswaardige voorbeeld van Mozes. Wanneer iemand zich door puur verstandelijke, dus menselijke overwegingen had kunnen laten leiden, dan was het Mozes wel. En...hij had daarbij ook nog religieuze overwegingen een rol kunnen laten spelen. God had hem immers op wonderlijke wijze doen terechtkomen aan het hof van Farao. Zijn besturing daarin was onmiskenbaar. Zou het dan niet de bedoeling zijn, dat hij, Mozes, zijn positie aan het hof gebruikte om zijn volk verlichting te geven in hun slavernij?! Door zo'n overweging had hij zich gemakkelijk kunnen laten leiden, maar dat doet hij niet. In Hebr. 11:24Ė26 lezen we wat er in het hart van Mozes is omgegaan en dat zijn heel andere overwegingen. Er staat, dat toen hij volwassen geworden was, hij weigerde een zoon van Farao's dochter genoemd te worden. Meestal verbinden we dit met Mozes' optreden op veertigjarige leeftijd, toen hij zijn broeders ging opzoeken en daarbij een Egyptenaar doodsloeg. In Hebr. 11 wordt die relatie echter niet gelegd. Het is dus ook mogelijk dat hij al vůůr die tijd weigerde als zoon van Farao's dochter beschouwd te worden. Hoe dit ook zij, hij heeft beslist afstand genomen van zijn positie aan het hof. Als reden geeft Hebr. 11 op, dat hij liever met het volk van God slecht behandeld wilde worden dan tijdelijk van de zonde te genieten. Een leven als prins aan het hof hield dat laatste namelijk in. De verstandelijke overweging om aan het hof te blijven en op die wijze invloed ten gunste van zijn volk uit te oefenen zou tot consequentie hebben dat Mozes het met een heilige wandel op een akkoordje had moeten gooien.
Er zijn heel wat christenen, die wat hun positie in de wereld betreft, zich door zulke overwegingen laten leiden. Ze menen echt, dat ze voor de rechten van God en voor de vrijheid van de christenen moeten opkomen en dat op een wijze waarbij ze er niet onderuit kunnen om Ė zoals ze dat zelf noemen Ė "vuile handen te maken". Zoiets kan echter nooit de bedoeling van God zijn. Mozes heeft niets afgedaan aan de besturing van God in zijn leven, maar hij heeft bij zijn overweging gťťstelijke argumenten ingebracht, en hij heeft begrepen dat "vuile handen" terwille van verlichting van het lot van zijn volk een te hoge(of beter gezegd: een God niet welgevallige)prijs was. Als Mozes zich door genoemde overwegingen had laten leiden, zou dat met zich meegebracht hebben, dat hij zijn volk met pijn en moeite misschien een beetje verlichting had kunnen bezorgen, maar nooit een totale verlossing uit de slavernij. Uit de geschiedenis blijkt immers, dat de Farao beslist niet van plan was IsraŽl vrij te laten. De situatie zou dan zo geweest zijn, dat Mozes een vrij gemakkelijk leventje aan het hof gehad zou hebben, terwijl zijn broeders in slavernij bleven verkeren. Mozes gevoelde dat dit niet de bedoeling van God was. In Hebr. 11 lezen we dan ook, dat zijn keus hierdoor werd bepaald, dat hij met het volk van God slecht behandeld wilde worden boven een gemakkelijk, maar zondig leven aan het hof. Mozes begreep, dat hij bij Gods volk hoorde. Hij wilde dezelfde positie innemen als zij in de regering van God innamen(verg. Gen. 15:13Ė16).

De smaad van Christus.
Merkwaardig genoeg zegt Hebr. 11, dat hij de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte. De verdrukking die het volk in Egypte ondervond, stond niet los van hun eigen falen in het dienen van God. Deze zijde(het aspekt van de verantwoordelijkheid van IsraŽl)wordt in Hebr. 11 echter niet belicht. Het lijden dat IsraŽl in Egypte overkwam heeft ook een Šnder aspekt: IsraŽl werd verdrukt, omdat het het volk van God was, waaruit de Christus geboren zou worden. Het bevel van de Farao om alle mannelijke nakomelingen, die geboren zouden worden in de Nijl te werpen zou de ondergang van het volk betekend hebben als hieraan consequent gevolg gegeven zou zijn. Van de belofte van Christus, die uit IsraŽl geboren zou worden, zou dan niets terecht gekomen zijn. Of de Farao dat doorzien heeft mogen we met grond betwijfelen. Dat doet er ook niet toe. De kwestie is dat achter de Farao de satan stond, die in hem een willig werktuig vond om zijn plannen Ė zo mogelijk Ė te verwezenlijken.

De vrouw en de draak.
De bijbel zelf leert ons deze verbinding tussen Satan en het streven van antisemitische wereldmachten te leggen. We zien dat in Openb. 12. IsraŽl wordt in dat hoofdstuk voorgesteld als een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd. Deze vrouw staat op het punt een kind ter wereld te brengen. Vůůr de vrouw staat een grote rode draak, die het kind Ė als het geboren is Ė wil verslinden. Zijn plannen worden echter verijdeld, want het kind wordt weggevoerd naar God en zijn troon. Dit kind is Christus, zoals uit vers 5 duidelijk blijkt(vergelijk Ps. 2:9 en Openb. 19:15). Jezus Christus is geboren uit IsraŽl, dat zich op dat moment echter in de macht van het Romeinse rijk bevond. De machthebbers daarvan hebben, vanaf de kindermoord door Herodes tot en met het proces voor Pilatus, getracht de Messias te doden. Deze akties worden in Openb. 12 bedoeld met de mededeling dat de draak het kind wilde verslinden. Hun toeleg mislukte echter: na zijn dienstwerk volbracht te hebben, waarbij Hij zijn leven aflegde om het wederom te nemen, ging Jezus Christus terug naar God en zette Hij zich met zijn Vader op diens troon (Openb. 3:21). In Openb. 12 wordt het leven van de Heer en zijn verlossingswerk aan het kruis niet vermeld. Het gaat in dat hoofdstuk er alleen om de vijandige aktie van Satan tegen Christus en de vervolging van zijn volk in de toekomst te schilderen. Verleden en toekomst worden met elkaar verbonden in ťťn visioen. De draak die in Openb. 12 beschreven wordt is Satan(vergelijk Openb. 20:2). Het middel waarvan satan gebruik maakt om zijn plannen te volvoeren is echter het Romeinse Rijk. In Openb. 17 wordt dit rijk als een gruwelijk monster beschreven, dat een sprekende gelijkenis vertoont met de draak van Openb.12. We zien dus duidelijk verband tussen de aktie van Satan en het optreden van de wereldmacht, het Romeinse Rijk, dat macht uitoefen de over het Joodse volk. Welnu, zo was in de dagen van Mozes de Satan erop uit IsraŽl te verdelgen opdat van de belofte van de Messias niets terecht zou komen. En daarom spreekt Hebr. 11 over de smaadheid van Christus. Deze uitdrukking bewijst dat er meer in het geding was dan alleen de angst van een Egyptisch vorst voor een vreemd volk in eigen land dat wel eens oppermachtig zou kunnen worden. Zij die de holocaust in de jaren '33Ė'45 van deze eeuw enkel en alleen toeschrijven aan de ontrouw van IsraŽl geven een volkomen eenzijdige belichting van dit vreselijke gebeuren. Ze vergeten, dat er aan deze zaak ook een ander aspekt zit en wel het woeden van Satan tegen het volk waaruit de Christus geboren is. De betekenis van het volk IsraŽl is met die gebeurtenis namelijk niet geŽindigd. God heeft nog veel voor dit volk in petto. Eenmaal zal IsraŽl hersteld worden en zal de zegenrijke regering van de Messias, waarover de profeten uitvoerig gesproken hebben, ingaan.

Toepassing op onze tijd.
Christus heeft tegen zijn discipelen gezegd: "Zij hebben Mij vervolgd, ze zullen ook u vervolgen". Als christen moeten we bedenken, dat we leven op het terrein van Satan en dat verachting, smaad en vervolging voor ons normaal zijn. Wanneer wij de belaging van onze vrijheden met menselijke machtsmiddelen menen te moeten weerstaan, dan vergeten we dat wij de smaadheid van Christus te dragen hebben. Wanneer we daarbij aanpappen met de wereld en "vuile handen maken" dan volgen wij niet het voetspoor van Christus en niet dat van Mozes. Er is een groot gevaar, dat we ons op dit vlak laten leiden door menselijke overwegingen, waarbij allerlei nuttigheidsfaktoren ingebouwd zijn. We komen dan uiteindelijk bedrogen uit.

Nog een consequentie.
Als Mozes inderdaad zijn positie aan het hof bevestigd zou hebben om zijn volk wat verlichting te geven, zou dat Ė zoals we besproken hebben Ė tot consequentie gehad hebben, dat er geen totale bevrijding van het volk had plaatsgevonden. Zijn handelwijze zou dan betekenen, dat God niet geŽerd zou zijn geworden, zoals door de uittocht uit Egypte wel gebeurd is. Integendeel, Farao zou geŽerd zijn, want zijn aanspraken op IsraŽl zouden min of meer gehonoreerd zijn. Hij was dan de man, die gunst verleende en verlichting gaf. Ook hier kunnen we een vergelijking trekken met onze tijd. We kennen overheden in Godvijandige, diktatoriale landen, die rechten menen te kunnen claimen op de Gemeente van God. Christenen, die zich positief ten opzichte van deze rťgimes opstellen en die trachten er een positie te verwerven om zodoende verlichting voor hun broeders te bewerken, volgen niet het voorbeeld van Mozes. De vergelijking gaat natuurlijk niet helemaal op. Christenen hebben namelijk wel de overheid te gehoorzamen. Dit geldt ook voor christenen, die leven in landen met een dictatoriaal rťgime. En zij hebben niet de opdracht om hun broeders met macht en tegen de zin van de overheid in uit het land van de verdrukking uit te leiden, zoals Mozes uiteindelijk moest doen. Ze hebben te gehoorzamen in zover hen dat niet in conflict brengt met hun gehoorzaamheid aan God. Maar gehoorzaamheid is nog iets anders dan aanpappen met de overheid om daardoor een positie te verwerven waardoor men enigszins invloed ten gunste van de christenen kan uitoefenen. Wat dŠt betreft gaat de vergelijking met Mozes wel op. Zij bewijzen zulke overheden teveel eer door hen te bewegen gunsten toe te staan op het vlak van GemeenteĖzijn waarover de overheid totaal niets te zeggen heeft. In zekere zin geldt dit ook voor christenen in het vrije westen, die inmenging van de overheid in "kerkzaken" accepteren of die bij geschillen onder christenen de overheid te hulp roepen om deze geschillen op te lossen. Men bewijst de overheid dan te veel eer, want in dat vlak van zaken heeft de overheid niets over het volk van God te zeggen.