Snel zoeken:
153 jrg 117, 07-1974 Is de wereld te veranderen? 1

Psalmen 139:23
Kritisch commentaar

In de Leeuwarder Courant stond een interessant hoofdartikel van redacteur N., dat als opschrift droeg: “Vasten en feesten”. Ik neem er twee passages uit over, die ik graag van commentaar wil voorzien.

“Verandering moet bij ieder mens zelf beginnen. Wie verandering wil, moet zichzelf, zijn eigen overtuigingen, waarden en normen aan een niets ontziend onderzoek durven onderwerpen. Hij moet ook leren zich in het denken en handelen van anderen te verplaatsen. Gelovigen blijven vaak te veel detaillisten en kruideniers van het nieuwe rijk. Ze proberen telkens weer af te dingen van de alomvattende bevrijding, die al begonnen is. Vreemd, dat mensen die geloven in de bekeerbaarheid van de mens vaak niet geloven in de veranderbaarheid van de wereld.

Er is geen scheiding te maken tussen de persoonlijke bevrijding en de bevrijding van de hele mensheid, de samenleving. Jezus van Nazareth is mens geworden op deze aarde, is afgedaald in de historie van het lijden van de mens. Het ging Hem om de bevrijding van de hele aarde. “De hemel”, zo schreef Teilhard de Chardin, “staat niet tegenover de aarde, maar wordt geboren uit de verandering van de aarde”.

De heer N. verwondert er zich dus over, dat er mensen zijn die wél geloven in de bekeerbaarheid van de mens, maar niet in de veranderbaarheid van de wereld. Is de conclusie, dat als de mens bekeerbaar is, ook de wereld te veranderen moet zijn, dan zo vanzelfsprekend? Los van wat de bijbel over de wereld zegt, maakt een eenvoudig voorbeeld al duidelijk, dat een dergelijke conclusie niet opgaat.
Bij een huis heb ik niet alleen te maken met de kwaliteit van het gebruikte materiaal, maar ook met de constructie van het geheel. Je kunt het materiaal veranderen en verbeteren, maar daarmee heb je nog niets aan de constructie veranderd. En het zal het eerste huis niet zijn waarvan de restaurateur moet zeggen: “Gooi het tegen de vlakte, haal alles wat bruikbaar is eruit en bouw de zaak helemaal opnieuw op”. Materiaal en constructie zijn nog altijd twee zaken.
En mensen zijn beslist niet identiek met wereld of samenleving. Hier denk ik aan een bekende regel uit de psychologie, dat een geheel meer is dan de som van de samenstellende delen.
Zo is de wereld heel wat meer dan de optelsom van idem zoveel miljard mensen.

Een ander bekend feit laat eveneens zien, dat bovenvermelde conclusie van de heer N. niet opgaat. Namelijk dat een massa zich anders gedraagt dan elk individu uit die massa in de gegeven situatie gedaan zou hebben. Er zijn legio voorbeelden van mensen, die zich achteraf schamen voor wat ze als onderdeel van een geheel hebben gedaan. De afgelopen oorlog heeft daarvan een duidelijk bewijs geleverd. Trouwens, over oorlog gesproken…. Vraag ieder mens of hij oorlog wenst! Op een paar uitzonderingen na verfoeit ieder dit mensonwaardig bedrijf. En toch ontstaat er oorlog en jagen mensen, die in het gewone leven geen vlieg kwaad zouden doen, elkaar dan een stuk lood in het lijf.

De roep om een veranderde, betere wereld wordt op het ogenblik luider gehoord dan ooit. Dat heeft zijn redenen. De mens is tot de ontdekking gekomen, dat hij al producerend en consumerend zijn eigen ondergang bewerkt. Vervolgens heeft de laatste wereldoorlog, sterker nog dan de eerste, een groot onlustgevoel achtergelaten. En de dreiging van weer zo iets spoort de mens aan om te zoeken naar betere normen voor de samenleving. Daar komt nog bij, dat de noden van een groot deel van de mensheid door de moderne communicatiemiddelen nu veel indringender op ons afkomen dan vroeger.
Noodzaak, gepaard aan idealisme, doen de mens dan spreken over en werken voor een leefbaarder wereld.

Aan de christenheid gaat dit alles niet voorbij. Integendeel ze wordt er sterk door beïnvloed. Daarom zien we twee dingen: de ongelovigen nemen bijbelse termen over om er hun ideeën en strevingen mee aan te duiden; christenen doen het omgekeerde door de oude, vertrouwde bijbelse termen te vullen met een andere of gereduceerde inhoud. Daarbij wordt bekering beperkt tot levensverandering, de term gerechtigheid laat men alleen slaan op rechte maatschappelijke toestanden op aarde, en met verlossing en bevrijding duidt men het loskomen van slechte leefgewoonten aan of het omverwerpen van koloniale structuren. Ongemerkt wordt zo de boodschap van het heil uitgehold en brengt men een evangelie, dat om de bijbel te citeren “geen evangelie” is.

Met alle respect voor de heer N., moet ik stellen dat hij aan dit proces hard meedoet. Hij spreekt in zijn artikel over bekering, ja zelfs over “nieuwe mens” en “oude Adam”, maar hij vult deze begrippen niet met de bijbelse inhoud. Daarin staat hij, zoals reeds aangegeven, niet alleen. Onze jonge mensen krijgen op school met dit soort omturning te maken en de ouderen komen het in allerlei publicaties tegen. Het is dan ook dringend nodig duidelijk te maken wat de bijbel onder bekering verstaat.

Als een dronkenlap voortaan de fles laat staan, dan heeft hij zich bekeerd van zijn dronkenmanleven. Op zichzelf toe te juichen, maar is de man daardoor bekeerd in bijbelse zin? Geen sprake van. Waarom laat hij die fles namelijk staan? Gebeurt dat op advies van de dokter, omdat zijn leven anders wel eens met tien jaar verkort kan worden? Heeft hij daardoor de schrik te pakken? Dan is eigen belang het enige motief. “Ik”, daar draait het bij hem dan alleen om.
Het kan zijn dat hij het drinken opgeeft uit schuldgevoel ten opzichte van vrouw en kinderen. Dat is een heel wat hoger motief, maar als er niet meer in het spel is, reikt het resultaat van zijn omkeer ook niet verder dan tot aan het graf. Je zou je trouwens kunnen voorstellen, dat de man rustig doorgaat met het bedrijven van ander kwaad, waarmee hij zijn gezin niet benadeelt, omdat hij daarmede de samenleving schade doet, kun je zijn omkeer nog geen “bekering” nomen. Het “ik” is nu vervangen door of gecombineerd met “zij”. Maar wat er aan ontbreekt is “Hij”.
De heer N. schrijft terecht: “Wie verandering wil, moet zichzelf, zijn eigen overtuigingen, waarden en normen aan een nietsontziend onderzoek durven onderwerpen”. Maar waar moet ik mijn overtuiging, mijn waarden en normen dan aan toetsen? Aan mijn eigen opinie? Dat is dwaasheid, dan kom ik er altijd goed af. Aan de mening van anderen? Welke moet ik dan kiezen uit de veelheid van opinies? Of heeft God in dezen ook wat te zeggen en heeft Hij zijn mening en zijn waarden en normen bekend gemaakt?
Ik dacht het laatste. Als dan ook in ons zelfonderzoek God niet betrokken is, en Gods maatstaven niet de norm van beoordeling zijn, dan heeft een dergelijk onderzoek maar zeer beperkte waarde. Dan is namelijk door een groot stuk van ons levensterrein de ploeg niet gegaan. Dan mogen we in ons uiterlijk gedrag bepaalde wijzigingen aanbrengen, maar het heimelijk kwaad, dat diep leeft in ons hart, is niet boven gekomen. Dan weten we niets van werkelijk onderzoek, zoals David het uitdrukt:

“Doorgrond mij, o God en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of hij mij een schadelijke weg is en leidt mij op de eeuwige weg” (Ps. 139:23, 24).

De heer N. heeft een dergelijke tegenwerping min of meer in zijn artikel verwerkt. De beide passages, die ik in het begin heb aangehaald, worden namelijk verbonden door de volgende:

Er zijn mensen, die waarschuwen dat de mens en de wereld niet zo centraal mogen worden gesteld. “Er is genoeg gepraat over de mens, het wordt tijd om weer aan God te denken”, zeggen zij met de Russische schrijver Sinyavski. Maar de verhouding tussen God en de mens kan nooit buiten de medemens en de wereld omgaan: Een leerling vroeg aan de rabbi: “Vroeger waren er mensen, die God van aangezicht tot aangezicht hadden gezien. Waarom zijn die er tegenwoordig niemand meer zo diep wil bukken”. Gelovigen moeten naar de aarde bukken en de medemensen de hand toesteken.

Hier raken we de kern van het probleem wat de bekering van de mens betreft. Ik zou met de zin: “Maar de verhouding tussen God en de mens kan nooit buiten de medemens en de wereld omgaan”, vrede kunne hebben, als hier bedoeld was, dat het één niet los staat van het ander. Maar zo is het hier niet gesteld en is het blijkens de geciteerde woorden van de rabbi ook niet bedoeld. Volgens de heer N. Wordt onze verhouding tot God bepaald door onze verhouding tot de medemens. Maar een dergelijke prioriteit geven aan de medemens, boven God, staat de bijbel niet toe. In feite is het een klap in het gezicht van de Allerhoogste, met wie we te maken hebben.

Wie de dingen zó stelt, mag bepaalde woorden en uitdrukkingen aan de bijbel ontlenen, maar hij legt de boodschap van de bijbel naast zich neer. Die boodschap vinden we al in de eerste hoofdstukken van Genesis. Het boek Genesis is dáárom zo belangrijk, omdat het grondbeginselen aangeeft van wat verderop in de Schrift breder wordt ontwikkeld. Het is dan ook niet te verwonderen dat juist dit boek het nogal moet ontgelden. In plaats van over geschiedenis spreekt men tegenwoordig over leermodellen en zó zwakt men de boodschap af, die gegrond is op feiten. Deze willekeurige opvatting over Genesis moet ik in het kader van dit artikel wel laten voor wat ze is. De geschiedenis van de zondeval verplaatst ons in een tijd, toen er van een mensenmaatschappij nog geen sprake was. De zonde van Adam en Eva bestond niet in wangedrag tegenover de medemens, maar in pure ongehoorzaamheid aan God. Zó en niet anders werd de verhouding met God verstoord. Dat de gevolgen van die verstoorde verhouding zichtbaar werden in de later gevormde samenleving, laat Genesis 4 zien. Dat is echter een secundaire zaak. Het is gevolg, geen oorzaak.
Welnu, zo min de verhouding tot God verstoord werd door wangedrag ten opzichte van de samenleving, zo min wordt die verhouding hersteld door verandering van dat gedrag tot een op sociale gerechtigheid ingestelde levenswandel. Eerst moet de verhouding tot God hersteld worden, dan pas kan die tot de medemens in orde komen.