Snel zoeken:
454 jrg 143, 05-2000 Zeven aspecten van het geloofsleven

2-TimotheŁs 2
Inleiding:
In de benamingen en beelden die Paulus in 2 Tm 2 ten aanzien van zijn medewerker TimotheŁs gebruikt, worden zeven aspecten van het geloofsleven van de christen belicht, te weten:

Kindschap
a) TimotheŁs is een geestelijk kind van Paulus en daardoor ook een kind van God.
(1 Tm 1:2; 2 Tm 1:2; Tt 1:3; Fm :10; 1 Ko 4:15 en Gl. 4:19 ; Fp 2:22).
b) Elke gelovige is kind van God en dus erfgenaam (Rm 8:16,17; 1 Jh 3:1,23). Vergelijk kindschap (leven) en zoonschap (volwassenheid, verantwoordelijkheid): Gl 3:5-7; Ef 1:5.
Als kind hebben we voeding nodig om te groeien. Onze kracht vinden we in de genade.
Als kind worden we +vermaand en aangemoedigd door de vader en gekoesterd door de moeder (vgl. 1Th 2:11 en 7 met Dt. 8:5 en Js 49:15)

Soldaat
Een gelovige is een soldaat. Hij strijdt de goede strijd van het geloof (1 Tm 1:18;).; hij lijdt verdrukking in de zin van ontbering (vgl. 2 Tm 1:8; 4:5); hij heeft geen zorg voor levensonderhoud e.d. ; hij is afgestemd op het belang van hem die hem in dienst genomen heeft en hem loon uitkeert (vgl. recht op soldij 1 Ko 9: 6,7; tevreden er mee zijn, Lk 3:14).

Kampvechter (verwant met ons woord 'atleet')
Christenen zijn mensen die aan een geestelijk toernooi, een geestelijke vier-, vijf- of zeskamp deelnemen. Kenmerk: je houden aan de regels, vgl 1 Tm 1:8 het woord: 'wettig'. De christen (dienstknecht) heeft gedragsregels voor zijn dienst (1 Ko 9:24-27; Hb 10:32,33; 12:1,2; Fp 1:27; 3:12-14; 4:3; 2 Tm 4:7-8;1 Tm 4:10; Ko 2:1; 1 Tm 6:12. Eventueel uitbreiden met soorten kronen of kransen.

Landman
Een boer moet werken, wil hij vrucht zien (Sp 20:4; 24:30), maar heeft dan ook recht om van de vrucht te eten. Hij heeft geduld nodig om te wachten op de oogst (1 Ko 9:7; Jk 5:7,8 vgl. Dt 11:14; 20:6; Ps 126:5,6;Sp 27:18; Jr 5:24; Jl 2:23. En alle teksten die slaan op arbeid van Paulus, zoals Hd 20:35; 1 Ko 4:12; 15:10, enz)..

Arbeider
Een arbeider moet goed werk verrichten, vakbekwaam zijn en ijverig (Mt 9:37,38; 10:10; 20:1-16; Lk 10:2,7; 1 Ko 3:6-9 en 10-15 1 Tm. 5:18).
In afkeurende zin wordt gesproken in: Lk. 13:27; 2 Ko 11:13; Fp 3:2. Het gaat om een loonarbeider (Jk 5:4) of een zelfstandig werknemer (Hd 19:25)

Vat
Vat of instrument, zie Hd 9:15; Rm 9:22; 2 Ko 4:7; 1 Pt 3:7. Een vat kan zijn tot eer of tot oneer. Het eerste vraagt om heiligheid , reiniging , onttrekking aan ongerechtigheid en aan personen die door ongerechtigheid gekenmerkt worden (zie 2 Tm 3:5).

Slaaf
Een arbeider is gehuurd,een slaaf is gekocht - eigendom.. Hij moet dus onderworpen zijn, ijverig , niet naar de ogen zien, niet stelen, niet twisten maar vriendelijk zijn.
We zijn geen slaven wat de zonde betreft (Jh 8:34,35),wat onze familieverhouding betreft (Gl 4:7), en wat kennis van de gedachten van de Here Jezus betreft (Jh 15:15). Wat het laatste aangaat is er intimiteit als vrienden. We zijn wel slaven met het oog op eigendom en toewijding. Zie Lk 17:10; Hd 4:29; Rm 6:16,18,22; 1 Ko 7:22; 1 Pt 2:16; Gl 1:10; Ko 4:12; zie ook de aanhef van diverse brieven en het boek de Openbaring). We zijn slaven van een vervolgde Heer - dat houdt vervolging in ( Mt 10:24,25; Jh 13:16;15:20).

HET GROTE VOORBEELD,/b> IN ALLE ZEVEN OPZICHTEN ISJEZUS CHRISTUS