Snel zoeken:
301 jrg 129, 01-1986 Over de Betekenis van Mattheüs 18:18-20 (3)

Mattheüs 18:18
IN DE VORIGE TWEE ARTIKELEN OVER DIT ONDERWERP HEB IK GEPROBEERD AAN te tonen, dat de reikwijdte van de bovengenoemde verzen niet beperkt is tot de kring van de apostelen. Daarmee is de eerste vraag die de briefschrijver stelde bevestigend beantwoord. Hier volgt dan nu zijn tweede vraag:

Aannemende, dat vraag 1 bevestigend is te beantwoorden, dan komt direct het volgende probleem aan de orde. Door de grote verdeeldheid en afval is er nergens meer een 'Gemeente te X' functioneel aanwezig.
Vraag 2. Mag men nu toch stellen, dat ditzelfde gezag verbonden is met besluiten van een plaatselijke 'vergadering' (dus een deel van de plaatselijke gemeente)? Opm. Opnieuw wordt algemeen dit bezwaar wèl als doorslaggevend beschouwd t.a. v. het kunnen aanwijzen van oudsten/opzieners!

Legt de verdeeldheid ons lam?
Deze vraag confronteert ons met het bedroevende feit van de grote verdeeldheid op wat wel 'het christelijk erf’ genoemd wordt. Laten we goed beseffen dat wij mét alle christenen de gemeenschappelijke schuld van deze verdeeldheid dragen, en dat we in bepaaldè opzichten er ook heel direkt aan hebben meegewerkt! En de grote vraag is of we aan die verdeeldheid nog wel 'lijden'. Het kan namelijk ook zo zijn dat we ons knusjes opsluiten in eigen kring en ons misschien nog zelfvoldaan op de schouder kloppen, want bij ons is het zo slecht nog niet. . . . We kunnen prat gaan op onze kennis en pijnlijk mank gaan.aan het betonen van liefde. Waar vinden we onder ons nederigheid, geloofsblijheid, kinderlijk vertrouwen op de Heer, verdraagzaamheid? Ik zeg niet, dat die bij ons helemaal niet aanwezig zijn, maar waarom spreekt men wel over onze bijbelkennis, maar hoor je anderen zelden spreken over wat er van de vrucht van de Geest in ons midden gevonden wordt? Ligt het niet daaraan, dat die dingen ons niet specifiek kenmerken? En bij deze opmerkingen steek ik echt de hand in eigen boezem. Maar dan nu de vraag van onze broeder. Het probleem waar het om gaat komt eigenlijk neer op de vraag of - en zo ja in hoever - de verdeeldheid onder de christenen ons lamlegt zodat we naar bepaalde bijbelse beginselen niet meer kunnen handelen. Want laten we wel wezen: in Matth. 18: 17 is sprake van 'zeggen aan de gemeente' en 'als hij niet hoort naar de gemeente'. Als die gemeente als zodanig niet te vinden is of niet bij elkaar te krijgen is, wat moet je dan met zo'n Schriftuitspraak?


De onmogelijkheid van een redenering wordt soms al duidelijk door de redenering door te trekken tot in al zijn consequenties. Als we de kwestie tussen twee broeders niet aan kunnen pakken omdat we het geschil niet aan de totale gemeente ter plaatse kunnen voorleggen, dan kunnen we natuurlijk ook niet het avondmaal vieren, watn dat is een bij uitstek gemeentelijke aangelegenheid. De eenheid van de gemeente als lichaam van Christus wordt immers door het deelhebben aan het ene brood voorgesteld (I Kor. 10: 17). In I Kor. 11: 18 wordt gesproken over 'als gemeente samenkomen', en direkt daarop spreekt de apostel over de viering van het avondmaal. Welnu, als we niet als gemeente kunnen samenkomen, moeten we dan ook maar nalaten het avondmaal te vieren 'totdat Hij komt'? En hoe staat het dan met de dienst van de gaven? De gaven zijn gegeven met het oog op de opbouw van de gemeente, het lichaam van Christus. Gedeeltelijk liggen die gaven op het vlak van de persoonlijke dienst van de een tot de ander, maar in I Kor. 14 is sprake van een samenkomen als gemeente en een werkzaamheid van de gaven in dat verband. Moeten we dat dan ook maar opgeven? In feite zouden we alles moeten opgeven wat we 'als gemeente' in 'in gemeentelijk verband' doen. Zouden we die consequenties werkelijk moeten trekken? Dat lijkt op zich toch al niet erg waarschijnlijk. . .

Een praktisch voorbeeld
Een praktisch voorbeeld kan helpen om de onmogelijkheid van de redenering aan te tonen. We weten dat de eerste christenen te Jeruzalem op verschillende plaatsen samenkwamen. Veronderstel dat men op een van die vergaderplaatsen zich losmaakte van de andere gelovigen te Jeruzalem en er heel eigen gronden van vergaderen ging instellen, zou dat dan betekenen, dat deze afwijking, waardoor een scheuring werd veroorzaakt, de gelovigen op de andere vergaderpunten het in het vervolg onmogelijk maakte te blijven vergaderen zoals ze gewend waren? Ook hier voelt men, dat dit onmogelijk de bedoeling kan wezen.

De les van de twaalf stenen.
Het bovenstaande mag al wel in een bepaalde richting wijzen, maar we vragen toch liever of we in de Schrift geen aanwijzingen vinden, die ons richting geven. Welnu, die aanwijzingen zijn er gelukkig. Hoe treurig het ook is, dat er zich onder het volk Israël een scheuring heeft voorgedaan, we mogen toch dankbaar zijn dat we van de verdeelde situatie onder Israël iets kunnen leren, dat van belang is voor ons onderwerp. Toen het koninkrijk van Israël verdeeld werd in het twee- en tienstammenrijk en een groot gedeelte van het volk niet meer opkwam naar Jeruzalem om de feesten des Heren le vieren heeft God nooit tegen de Judeeërs gezegd, .dat ze de dienst bij het heiligdom nu maar moesten stopzetten, en dat de twaalf toonbroden, die spraken van de eenheid van het volk, maar verwijderd moesten worden. Nee, de dienst ging door, en de toonbroden bléven voor Gods aangezicht; en zolang Juda daarin trouw was, zegende de Here het tweestammenrijk.

Meer nog dan dit spreekt het voorbeeld van Elia op de berg Karrnel. Dat Mozes bij de Sinaï een altaar bouwde van twaalf stenen (Ex. 24: 4) is te begrijpen, want de twaalf stammen waren toen als een eenheid bij elkaar. Dat Jozua twaalf gedenkstenen in het midden van de Jordaan en te Gilgal liet oprichten (Jozua 4 : 5,8,9,20) is ook te begrijpen, want nog steeds vormden de twaalf stammen een eenheid. Maar. . . dat Elia op de Karrnel te midden van het tienstammenrijk een altaar bouwde van twaalf stenen - dát was iets bijzonders. Dat laat zien, dat Elia geen rekening hield met de verdeeldheid. Ja, dat God de eenheid van het volk bleef zien ondanks de verdeeldheid. Het commentaar bij die daad van Elia is ook zo mooi. Het luidt: 'Elia nam de twaalf stenen naar het getal van de stammen van de zonen van Jakob, tot wie het woord des Heren gekomen was: Israël zal uw naam zijn (I Kon. 18: 31).
Jakob werd Israël genoemd, ‘strijder Gods’. Dat was zijn nieuwe naam, die niet duidde op wat hijzélf was, maar op wat Gód van hem maakte. Die naam droeg ook het volk. Het volk Israël is het volk, zoals God het verlost heeft en zoals het voor God bestaat. Dat volk bestaat uit twaalf stammen, niet meer en niet minder, met of zonder verdeeldheid! Zie ook nog Ezra 6: 17; 8: 35; 2 Kron. 29: 24. Op dat feit baseert de Heer Jezus Zich als Hij met het oog op de toekomst spreekt over de twaalf stammen van Israël (Matth. 19: 28). Daarvan gaat Paulus uit als hij zegt: 'waartoe onze twaalf stammen. . . hopen te komen' (Hand. 26: 7). En in overeenstemming daarmee richt Jakobus zijn brief aan 'de twaalf stammen in de verstrooiing' Gak. I : I). De Heer Jezus zag de twaalfstammen. Zo goed als Elia, Paulus en Jakobus zich baseerden op de eenheid van het hele volk, zo goed mogen wij dat doen wat de eenheid van de Gemeente betreft.

Verdeeldheid voorzegd
Maar er is meer. De verdeeldheid van de Gemeente is geen verrassingselement, dat ons - bij gebrek aan richtlijnen - voor het blok zet. Integendeel, de verdeeldheid is voorzegd. Paulus heeft aangekondigd, dat er wel ‘sekten’ moesten wezen, want daardoor kon God de beproefden openbaar maken. Hoewel het hier nog niet om daadwerkelijke scheuringen gaat, betreft het toch wel partijvorming die de eenheid schaadt. Die partijvorming heft echter niet alles op wat Paulus aan de Gemeente heeft voorgeschreven; nee, nú zou openbaar worden wie niet aan die partijvorming deelnamen. Nu zouden blijken wie zich op de grondslag van de ene ongedeelde Gemeente baseerden (‘is Christus gedeeld?’). Welnu, dat geldt ook voor onze tijd met haar grote verdeeldheid. Voor God is de Gemeente niet gedeeld en het is voor. ieder die trouw wil zijn, mogelijk zich op de grondslag van de éne Gemeente te vergaderen. Gods beginselen aangaande de Gemeente zijn niet veranderd, en ze worden door de verdeeldheid niet buiten werking gesteld.

Zeg het de Gemeente
In Matth. 16:18 spreekt de Heer over het bouwen van ‘zijn Gemeente’. Wat wordt er daar onder die Gemeente verstaan? Het zal wel geen tegenspraak ontmoeten als we stellen dat daar de totale Gemeente vanaf de Pinksterdag tot aan de opname mee is bedoeld, de Gemeente, die elders het lichaam van Christus en het huis van God wordt genoemd. Wordt nu in Matth. 18: 17 met de woorden ‘zeg het aan de Gemeente’ op de Gemeente in dat aspect gedoeld, of op de Gemeente bestaande uit alle gelovigen op een bepaald moment op aarde? Het zal evenmin tegenspraak ontmoeten als we deze vraag ontkennend beantwoorden. Het is namelijk onmogelijk het geheel van alle gelovigen op aarde met een bepaalde boodschap te bereiken. Het kan niet anders dan dat hier gedoeld wordt op de Gemeente zover ze in een bepaalde plaats aanwezig is. Die plaatselijke gemeente is plaatselijk de vertegenwoordigster van de héle Gemeente. En het in kennis stellen van de gelovigen ter plaatse van een bepaalde zaak betekent dat het ‘de gemeente gezegd’ wordt. Ook deze overweging geeft steun aafl de gedachte, dat het voor gelovigen mogelijk is te handelen als uitdrukking van de ene gemeente - mits in overeenstemming met de richtlijnen aan de Gemeente gegeven, ook al is men niet als voltallige Gemeente vergaderd.