Snel zoeken:
031 jrg 103, 02-1960 De Filippiërs en het evangelie

Filippenzen 
Gemeenschap aan het evangelie (hfdst. 1:5)

De apostel Paulus had veel reden om met blijdschap voor de Filippiërs te bidden. Vanaf het ogenblik dat ze bekeerd waren, namen ze actief deel aan de prediking van het evangelie. Zo moet het in feite met elke gelovige zijn. Niet ieder heeft de gave van evangelist, maar wel kan ieder bij het verbreiden van het evangelie de behulpzame hand bieden, al is het alleen door in het gebed achter dit werk te staan en van zijn of haar belangstelling te doen blijken. Vaak ziet men dat pasbekeerde gelovigen veel meer de gemeenschap aan het evangelie tot uitdrukking brengen dan zij, die de Heiland reeds jaren kennen. Er bestaat voor ons het gevaar, dat naarmate onze bekering verder achter ons ligt, we de nood van de verloren zondaar niet meer zo gevoelen. We staan altijd bloot aan lauwheid, geestelijke vermoeidheid, verslapping. Dan hebben we een opwekking nodig om te blijven volharden. Hier vinden we er één in het voorbeeld van de Filippiërs. Paulus schreef namelijk: "met blijdschap het gebed doende, over uw gemeenschap aan het evangelie van de eerste dag af tot nu toe". Hij had het volste vertrouwen, dat de Heer het goede werk, dat Hij in de Filippiërs begonnen was, zou voleindigen tot op de dag van Jezus Christus, want de apostel had een vaste plaats in hun hart veroverd. Hij was ervan overtuigd, dat ze waarlijk bekeerd waren en hem zouden blijven steunen bij de prediking van het evangelie. In de dag van Jezus Christus zou dat blijken en zouden ze daarvoor loon ontvangen.

Verdediging en bevestiging van het evangelie (Hfdst. 1:7,16)
Niet alleen hun bekering en hun deelname aan de evangelieprediking gaven de apostel deze overtuiging. Er was nog iets, dat de echtheid van hun geloof en hun volharding toonde. Evenals de apostel Paulus ondervonden ze dat de prediking van het evangelie verdrukking en banden met zich meebrengt. Al zaten ze niet zelf in de gevangenis, ze zagen het toch in het lot van hun geliefde apostel. De Heer gaf hun echter dezelfde genade als Paulus om dit te doorstaan. Er was echter nog meer, Paulus had de roeping om het evangelie te verbreiden, maar op de prediking van het evangelie werden door de boze aanslagen gedaan. Satan trachtte de verbreiding ervan tegen te gaan door vervolging, maar ook door de verkondiging van valse leer. Daarom moest het evangelie ook verdedigd worden. Zo'n verdediging vinden we bijvoorbeeld in de Galatenbrief. Er bestaat een groot gevaar dat deze taak verwaarloosd wordt. Men volstaat met de prediking van het evangelie, en, om alle moeilijkheden te vermijden, bemoeit men zich niet met 'leer'. De gevolgen zijn vaak dat de pasbekeerden ten offer vallen aan allerlei dwaalleer. De gelovigen te Filippi ontvingen echter dezelfde genade als de apostel om de waarheid van het evangelie te verdedigen tegen de listige aanslagen van de boze. Niet alleen is er 'negatief' werk te doen: aanslagen afweren, nee, er is gelukkig ook een verblijdender taak, die evenzeer verricht moet worden: de bevestiging van het evangelie. De apostel zag ook deze opdracht als een genade van God aan hem gegeven. Dat hij dit werk niet verzuimd heeft, blijkt uit de aanleiding tot de tweede zendingsreis: "Laat ons nu wederkeren en de broeders bezoeken in elke stad, waarin wij het woord des Heren verkondigd hebben om te zien hoe zij het hebben" (Hand. 15:36) en uit de brieven, die hij aan de verschillende gemeenten zond. Ook aan deze genade hadden de Filippiërs deel. Ze waren niet tevreden met een oppervlakkige evangelieprediking, ze zagen er op toe, dat het evangelie ook aan de harten bevestigd werd.

Bevordering van het evangelie (hfdst. 1:12)
Wij zouden geneigd zijn te denken dat bewegingsvrijheid een eerste vereiste is om het evangelie te verbreiden. De apostel leerde echter de Filippiërs en aan ons, dat God ook verdrukking, banden, daarvoor gebruiken kan, ja, dat vervolging en dergelijke soms meer tot bevordering van het evangelie dienen. De gevangenschap van de apostel had dit mooie resultaat wel op een zeer bijzondere manier. In de eerste plaats werd aan het hele pretorium bekend waarvoor hij gevangen zat. Dat was al een evangelieverkondiging op zichzelf. Maar de broeders te Rome en ook in andere plaatsen werden door Paulus' gevangenschap niet bevreesd en afgeschrikt. Integendeel, de standvastigheid van Paulus en de steun, die hij van God ondervond, gaven hen des te meer moed het woord zonder vrees te verkondigen. Ook hier ligt voor ons een les. We laten ons zo gemakkelijk door allerlei tegenslagen afschrikken, en wat voor tegenslagen zijn dat in ons land dan nog! Terwijl het voor de buitenwereld juist het bewijs is dat we een waardevolle boodschap brengen als we in de moeilijkheden de moed niet verliezen. Laten we rustig voortgaan met de evangelieprediking, ook al komen er maar weinig mensen; met de openluchtevangelisatie, al trachten bromfietsers het gesprokene onverstaanbaar te maken.
Velen predikten, door Paulus' gevangenschap gesterkt, het evangelie onbevreesd. Zij wisten dat de apostel tot verdediging van het evangelie gesteld was (vs. 16). Satan meende door Paulus' gevangenschap de prediking van het evangelie te beknotten, maar de broeders begrepen hun taak en werkten in deze zaak met de apostel mede. Er waren mensen, die uit partijzicht de blijde boodschap verkondigden. Zij konden de grote apostel niet naast zich dulden, want dan zou hun ster niet genoeg schijnen. Ze zochten eigen eer in de redding van zondaren, en ze meenden de apostel te kunnen krenken door het feit, dat op hun prediking mensen tot bekering kwamen, terwijl Paulus nu gebonden was en het evangelie niet kon uitdragen. Ze bereikten hun doel echter niet, want ze kenden de gezindheid van deze volgeling van Jezus Christus niet, die zich altijd verblijdde als het evangelie werd verkondigd, met welke motieven dan ook. Laten we aan hem een voorbeeld nemen!

Wandelt waardig aan het evangelie (hfdst. 1:27)
Er was voor de apostel veel reden tot dank over de gelovigen te Filippi, maar hij wist dat satan altijd op de loer ligt, vandaar dat hij niet vergat hen te vermanen, dat hun wandel in overeenstemming moest zijn met de boodschap die ze verkondigden. Niets schaadt het getuigenis van een christen meer dan een wandel die in tegenspraak is met de woorden die hij spreekt. Bij de Filippiërs zien we dat partijzucht, zoeken van eigen eer, verdeeldheid, de kop dreigen op te steken. Vandaar de vermaning: "dat gij vaststaat in één geest, met één gemoed medestrijdende met het geloof van het evangelie" (hfdst. 1:27). Ook in het tweede hoofdstuk zien we dat. Zulke vermaningen hebben ook wij broodnodig. Niets uit partijzucht doen, de ander hoger achten dan onszelf, de gezindheid van Christus openbaren, valt ons erg moeilijk. Zelfs in het werk dat we door Gods genade voor de Heer mogen doen kunnen we zo gemakkelijk eigen eer op het oog hebben. Ons eigen 'ik' gekruisigd houden in de praktijk van het leven is iets wat we dagelijks moeten leren.
Moge de Heer ons geven een wandel:
"waardig aan de roeping met welke we geroepen zijn" (Ef. 4:1);
"Gode waardig" (1 Thess. 2:12);
"de Heer waardig" (Kol. 1:10);
"waardig aan het evangelie" (Fil. 1:27).

Het geloof van het evangelie
In eensgezindheid moesten de Filippiërs strijden met of voor het geloof van het evangelie. De blijde boodschap stelt ons niet iets zichtbaars voor, maar eist geloof in de verkondiging van dingen die niet gezien worden. En waar de mens geneigd is, als Thomas, het evangelie eerst te aanvaarden nadat hij iets zichtbaars of tastbaars heeft kunnen waarnemen, daar hebben we te strijden voor het geloof van het evangelie. En om een andere vertaling recht te doen: we moeten strijden niet op grond van eigen kracht, maar gedreven door het geloof. Als we dat doen en ons niet laten verschrikken door de tegenstanders, dan is dat voor alle vijanden van het evangelie het bewijs, dat ze hun verderf tegemoet gaan, of ze hun ogen ervoor sluiten of niet. Voor ons echter is het het bewijs, dat we het heil zullen beërven. God betuigt ons erdoor, dat we zelf waardig gekeurd worden voor Christus te lijden. Dat is de strijd die we in het leven van de apostel Paulus kunnen zien en waartoe ook wij geroepen zijn.