Snel zoeken:
B1 LES 11 - Jezus Christus en de Schriften

De Heer Jezus heeft in Zijn gesprekken met de Joden nooit het gezag van de Schriften discutabel gesteld, integendeel, Hij verweet hen hun gebrek aan kennis van de Schrift en hij wees hen er op dat ze zich aan het gezag van de Schrift niet onderwierpen. Redeneringen als: 'De Bijbel bevat slechts Gods Woord' of: 'Alleen de boodschap van de Bijbel is Goddelijk', treffen we bij Hem niet aan. Integendeel, de wijze waarop Christus over de Schrift spreekt, laat duidelijk zien, dat Hij het hele Oude Testament van A tot Z volkomen betrouwbaar voorstelt. Laten we dat eens nagaan door te bezien hoe Jezus Christus de Schriften gebruikt.

01. Wat antwoordt de Heer de Farizeeën als deze Hem vragen of het geoorloofd is een vrouw te verstoten om allerlei redenen? (Mattheüs 19: 4)........ Dit is heel duidelijk een verwijzing naar Genesis 1 vers......

02. Vervolgens lezen we in vers 5: 'Daarom......'. Dit is een aanhaling uit Genesis 2, namelijk vers...... Hiermee vallen dus alle theorieën, die onze schoolkinderen te slikken krijgen als zouden er in Genesis 1 en Genesis 2 twee verschillende, onderling tegenstrijdige scheppingsverhalen samengevoegd zijn.

03. Zeer belangrijk is ook het slot van vers 8, waar de Heiland zegt: 'maar......'. De Heer zegt niet: 'van het begin is het zo niet geleerd', 'voorgesteld', of iets dergelijks, maar: 'van het begin is het zo niet geweest'. De schepping van Adam en Eva en de instelling van het huwelijk is dus een historisch feit.

04. Als de Heer spreekt over de wederkomst van de Zoon des mensen, vergelijkt Hij die dagen met de dagen van...... (Mattheüs 24 vanaf vers 32). In hetzelfde verband haalt Hij het oordeel van de...... aan, die 'allen wegnam'. De mededelingen van het Oude Testament hierover zijn dus volkomen betrouwbaar.

05. Op dezelfde wijze dekt de Heer met Zijn gezag de betrouwbaarheid van wat in Genesis 19 wordt meegedeeld aangaande de ondergang van...... (Lukas 17: 28-32) en de gebeurtenis met de vrouw van...... Hetzelfde geldt van de geschiedenis van David te Nob, zoals Mattheüs 12 vers...... laat zien en van het bezoek van de...... bij Salomo (Mattheüs 12: 42).

06. Bijzondere aandacht verdient de wijze waarop de Heer over Jona spreekt. We lezen in Mattheüs 12: 40: 'Want gelijk......, zo zal de Zoon des mensen...... De betrouwbaarheid van het laatste hangt dus af van de realiteit van het eerste. Veronderstel dat het verhaal van Jona in de vis niet méér is dan een legende of een sprookje, dan zou Jezus Christus in onze tijd gezegd kunnen hebben: 'Zoals Hans en Grietje ontsnapten aan de heks, zo zal?, 'enz. Laten we de zin maar niet afmaken!

07. Bovendien spreekt de Heer over 'het...... van Jona' (Mattheüs 12: 39; 16: 4). Kun je van een sprookje, legende, overlevering of dergelijke zeggen, dat het een...... is? Bovendien zou dan dit verhaaltje zijn ontknoping vinden voor de rechterstoel van God, want zo staat er (Mattheüs 12: 41): 'De mannen van...... en het veroordelen'.

08. Wie op grond van verstandelijke overwegingen niet wil aannemen, dat Jona in de vis gezeten heeft en dit verblijf heeft overleefd, die kan evenmin aannemen, dat Jezus Christus na...... dagen uit de...... is......, want dat is nog een veel groter wonder en wie dat laatste niet gelooft, die tast de grondvesten van ons geloof aan. Want als Christus niet is opgewekt, dan...... en zijn we nog in...... (1 Korinthe 15:17).

09. We zouden nog veel meer aanhalingen uit het Oude Testament door de Heer naar voren gebracht, de revue kunnen laten passeren, maar het bovenstaande is voldoende. Wie ondanks dit alles niet wil buigen voor het absolute gezag van de Schrift, die kan slechts kiezen uit drie treurige conclusies, namelijk:
a. Jezus Christus wist niet wat Hij......, of:
b. Jezus Christus zei niet wat Hij......, of:
c. De evangelisten hebben Jezus Christus deze getuigenissen in de mond gelegd.

10. Op elk van de drie gaan we iets nader in. In geval a. wordt de Godheid van Jezus Christus aangetast. hij was dan ook maar een kind van Zijn tijd. Wat lezen we echter van Hem in Johannes 2: 25 b: 'Want Hij...... zelf wat in de...... was' en in 3: 11: 'Wij spreken wat wij......', en in 6: 15: 'Daar Jezus......, wie het waren'.enzovoort!.

11. In geval b. zegt men, dat Jezus zich aangepast heeft bij het Joodse volksgeloof. Nu wordt de betrouwbaarheid van onze Heiland door het slijk gehaald. Wat lezen we echter van Hem in Johannes 14: 2: 'anders......'. Onze Heer is Iemand, die het zegt als het anders is!

12. Bovendien klopt deze aanpassingstheorie helemaal niet met wat de Schrift ons aangaande Jezus van Nazareth meedeelt. De Heer heeft zich niet aangepast bij de Joodse opvatting over...... (Mattheüs 19:1-12), ook niet bij hun mening aangaande het...... van de handen voor het eten (Marcus 7: 2) en evenmin stoorde Hij er zich aan, dat ze zich eraan ergerden dat Hij at met...... (Mattheüs 9:11). En in geval c. hebben we geen enkele grond meer onder de voeten.


Antwoorden.
01. Hebt gij niet gelezen dat de Schepper hen van den beginnen als man en vrouw heeft gemaakt?; 27
02. zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn.; 24
03. van den beginne is het zo niet geweest
04. Noach; zondvloed
05. Sodom en Gomorra; Lot; 3; koningin van het Zuiden
06. Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was; in het hart der aarde zijn drie dagen en drie
nachten
07. teken; teken; Ninevé zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht
08. 3; doden; opgestaan; ons geloof zonder vrucht; onze zonden
09. zei; wist
10. wist; mens; weten; bemerkte; wist; van den beginne
11. zou Ik het u gezegd hebben
12. echtscheiding; wassen; tollenaars en zondaars