Snel zoeken:
415 Zacharia 34-41 Toevoeging bij derde gezicht

Toevoeging bij het derde gezicht: Zwijg, al wat leeft
Hoofdstuk 2:6-13

Op, Op! Vlucht uit het Noorderland! luidt het woord des Heren, want naar de vier windstreken des hemels heb Ik u uiteengedreven, luidt het woord des Heren. Op, redt u naar Sion, gij die woont bij de dochter van Babel. Want, zo zegt de Here der heerscharen, wiens heerlijkheid mij gezonden heeft, aangaande de volken die u uitgeplunderd hebben (want wie u aanraakt, raakt zijn oogappel aan): Voorwaar, zie, Ik beweeg mijn hand tegen hen, en zij zullen hun knechten ten buit worden. Dan zult gij weten, dat de Here der heerscharen mij gezonden heeft. Jubel en verheug u, gij dochter van Sion! want zie, Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des Heren, en vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de Here en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen. Dan zult gij weten, dat de Here der heerscharen mij tot u gezonden heeft. En de Here zal Juda op de heilige bodem als zijn erfdeel in bezit nemen en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. Zwijg, al wat leeft, voor het aangezicht des Heren, want Hij maakt Zich op uit zijn heilige woning.

*Deze verzen geven een nadere uiteenzetting bij het gezicht van de man met het meetsnoer en bevatten:
- een oproep aan het volk om het Noorderland te verlaten en naar Sion te gaan;
- de verklaring dat God zich zal keren tegen de volken die Ďzijn oogappelí aangeraakt hebben;
- de oproep aan de dochter van Sion om te jubelen want de Heer zal weer in haar midden gaan wonen;
- de verklaring dat vele volken contact met God zullen zoeken en Hij hen als volk zal aannemen en dat de
Heer Juda nog verkiezen zal als zijn erfdeel in het heilige land;
- de oproep om voor de Heer stil te zijn.

Velen menen dat dit gedeelte niet zonder meer een uitbreiding is van het derde visioen, maar een woord van de Heer (vs 6) dat Zacharia als profeet aan het eerder geopenbaarde toevoegt. Voor deze gedachte is veel te zeggen en de NBG-vertaling gaat hiervan uit. Inhoudelijk slaat deze profetie in feite terug op alle drie de vorige gezichten, want (a)het vermeldt Gods optreden tegen de volken die IsraŽl benard hebben, zoals in het tweede visioen is voorgesteld176. Om geen deel te hebben aan dat optreden moet IsraŽl, te weten degenen die daar zijn achtergebleven, het Noorderland177 ontvluchten en redding zoeken door naar Sion op te trekken178; (b) Het tweede deel van dit woord des Heren is een vervolg op de herstelprofetie van het derde visioen en (c) het slot grijpt heel duidelijk terug op het slot van het eerste visioen.
Indertijd heeft God het volk verdreven uit het land IsraŽl en naar alle windstreken verstrooid179, in het bijzonder naar het Noorden. In de verre landen moesten ze zich niet tegen hun overheersers verzetten, maar het beste voor ze zoeken180.Aan deze situatie komt nu een eind, want het volk krijgt het bevel uit Babel te vertrekken181. Dat moet niet gebeuren als waren ze een stelletje opstandelingen, nee de Heer zou voor hen optreden, want IsraŽl is zijn oogappel. Dan volgt opnieuw de verzekering dat Hij in hun midden zal komen wonen. Wonen bij het volk dat zo gefaald heeft? Ja, heel mooi merkt Douma op, dat God het volk niet heeft aangenomen om zijn voortreffelijkheid en dat Hij het niet verstoot om zijn onwaardigheid182.

God zal zich in toorn tegen de volken keren. Het zwaaien van zijn hand betekent niet slechts een dreiging, maar die hand zal hen ook treffen183. De volken zullen door IsraŽl beroofd worden., zoals met de vijanden van het volk in Esthers dagen gebeurde. Maar dat is niet de enige opzet van de Heer ten aanzien van de volken. De toorn treft de vijanden van het volk, maar toch ook heeft Hij voor de volken heil op het oog. Vele volken zullen zich namelijk tot God bekeren184 en contact met Hem zoeken. Ook zij zullen als zijn volk erkend worden185. Maar het volk IsraŽl zal toch een aparte plaats bij de Heer innemen. Juda zal zijn erfdeel zijn en dat niet ergens op een willekeurige plaats op onze planeet, nee het zal in het land der vaderen, op de heilige bodem, de bodem voor hen apart gesteld, wonen186. De belofte van 1:17 wordt nog eens herhaald, dat de Heer ondanks alles Jeruzalem als zijn woonstede187 zal verkiezen. Dan zal het omgekeerde plaatsvinden van wat Ezechiel beschrijft aangaande het weggaan van de heerlijkheid des Heren188, die heerlijkheid zal terugkeren, want de Heer neemt hen als zijn erfdeel weer in bezit.

De oproep om te zwijgen189 betreft Ďal wat leeftí. Dat kan voor de volken betekenen dat ze hun grote mond tegen de Heer eens moeten dichthouden want Hij zal absoluut tegen hen optreden. Voor IsraŽl kan de zin zijn, dat ze moeten ophouden met klagen en wenen omdat er maar niets gebeurt, want de Heer gaat voor hen aan de slag. De term Ďvleesí ziet hier op de nietigheid van de mens in vergelijking met de almachtige God190.
Hetzelfde wat de Heer hier verzekert, is indertijd gebeurt toen God Cyrus ertoe bewoog het volk uit Babel te laten gaan. Maar Zacharia profeteerde na de ballingschap, op de terugkeer uit Babel kunnen deze woorden dus niet slaan. Ze zien dan ook onmiskenbaar op het herstel dat het volk in de toekomst zal ondervinden als de Messias zijn koninkrijk opricht. Dan zal er niet alleen heil zijn voor IsraŽl, maar ook voor allen die zich bij hen voegen en de Heer willen dienen191

Andere opvattingen
Voor de goede orde moet vermeld worden dat er uitleggers zijn die de verzen 6-13 niet zien als een aparte profetie van Zacharia, maar die dit gedeelte begrepen zien in het derde visoen. Wat de verklaring betreft maakt dit niet zoveel verschil.

Het Noorderland en het Zuiderland
Het gebied van het Noorderland dat ook genoemd wordt in hoofdstuk 6:6,8 slaat o.a. op de landstreek van Babel192. Eigenlijk lag Babylon meer ten oosten van IsraŽl, maar men kwam er door eerst naar het Noorden te trekken. De uitdrukking het Noorderland kan ook de meer noordelijk gelegen rijken betreffen193 ,maar daarmee is niet alles gezegd want er volgt namelijk de vermelding dat de Heer zijn volk naar alle windstreken van de aarde verstrooid heeft. De oproep om terug te keren naar Sion zal dan ook voor alle verstrooiden gelden194 waar ze zich ook bevinden.
In Dn11 is sprake van de koning van het Noorden en van het Zuiden. Hier moet bij de eerste uitdrukking niet gedacht worden aan Babel of nog noordelijker gelegen rijken., maar aan de koningen van SyriŽ195. In Js41:25 slaat de term op het rijk van de Perzen.
Met het Zuiden wordt vaak geduid op Egypte. In sommige gevallen wordt de term het Zuiderland gebruikt om het zuidelijk deel van het land IsraŽl aan te duiden196, maar dat kan hier moeilijk bedoeld zijn.

De vier windstreken
Deze bekende uitdrukking geeft dus aan dat het volk niet slechts naar een enkel land verdreven is, maar over het rond der aarde verspreid is197. Toch geeft deze zin in de NBG-vertaling geen reden aan voor de oproep om uit het Noorderland te vluchten. Van der Woude geeft dan ook weer: Ďimmers naar de vier windstreken des hemels zal Ik u uitbreidení en beroept zich daarbij op Gen.28:14 en Js54:3198.

Sion en dochter van Babel
Zoals Jeruzalem en zijn inwoners wordt voorgesteld als een vrouw, of beter als maagd, namelijk als de dochter van Sion199, zo wordt hier over Babel gesproken als de dochter van Babel200. De term Ďdochter van Sioní dient om een man-vrouw relatie of een bruidsverhouding in te voeren, zoals die tussen God en zijn volk bestond.
Het doet enigszins vreemd aan, dat de dochter van Sion nog in Babel gesitueerd wordt, terwijl het Babylonische rijk in de dagen van Zacharia al verwoest is. De oplossing kan zijn dat de profeet doelt op het gebied van Babylon waar veel joden achtergebleven zijn. Van Andel meent dat dit en het vorige visioen ons terugverwijst naar het verleden201. Van der Woude meent dat de oproep om te vluchten de autochtone bevolking van Babel betreft202 . Hiervoor kan men wel vers 11aanvoeren maar deze gedachte strijdt met vers 8 en 9

Wiens heerlijkheid mij gezonden heeft
De vertaling van het begin van vers 8 is niet zo eenvoudig. De Statenvertaling geeft deze uitspraak weer als ĎNaar de heerlijkheid over u heeft Hij mij gezonden tot de volkení. Gods welgevallen in IsraŽl is dan de drijfveer voor zijn handelen. Nieuwere vertalingen gaan ervan uit dat Gods heerlijkheid, dat is in feite God zelf, de Zender is203. De persoon die hier over zijn zending spreekt moet dan de profeet zijn204. Als deze weergave juist is, geeft Zacharia daarmee aan dat zijn zending op goddelijke autoriteit berust.
Van der Woude meent dat de gedachte is dat de zending terwille van de heerlijkheid plaatsvindt. Hij verbindt daaraan echter de gedachte, dat het niet gaat om de heerlijkheid van God, maar de heerlijkheid van de volken die in Jeruzalem wordt gebracht, met een geroep op Hg2:8 en Op21:24.205. Hij trekt zijn opvatting van vers 6 dus door, maar zoals gezegd, vindt zijn opvatting geen steun in vers 8 en 9a.

Het gericht over de volken maakt duidelijk dat Zacharia echt door de Heer gezonden is, zie de herhaling in vers 11b. De verdelging van Babel als rijk is door Cyrus uitgevoerd, de beroving van de stad heeft later (488 v Chr.) plaatsgevonden toen Babel in opstand kwam tegen Darius.
Darby en Kelly gaan uit van de vertaling Ďna de heerlijkheidí en zien daarin dat eerst de Messias moet komen, hij zal de volken oordelen en dan zal er zegen zijn206.. Hoewel deze gedachte juist is, baseren wij ons toch liever op de NBG-tekst Volgens Ridderbos luidt de overgeleverde tekst ďna de heerlijkheid. Maar dat geeft volgens hem geen goede zin207. Hij houdt het dus op ďwiens heerlijkheid mij gezonden heeft. Het NBG heeft deze weergave ook en Werk in Uitvoering geeft een soorgelijke verklaring208 .

Zijn oogappel
Calvijn vermeldt de opvatting dat als iemand IsraŽl aantast, hij dan zijn eigen oogappel zou beschadigen. Hij haalt daarbij een Frans gezegde aan: Ďils se donnent en líoeilí (ze maken zichzelf blind). Toch geeft hij de voorkeur aan de opvatting dat het om het aanraken van Gods oogappel gaat. Hij beroept zich daartoe op Ps.17:8. Nog sprekender is Dt32:10 waar IsraŽl heel duidelijk met Gods oogappel wordt vergeleken. Het gaat namelijk zowel daar als hier om de waarde die IsraŽl voor God heeft. De oogappel is een uiterst gevoelige plek. Als IsraŽl aangetast wordt, doet dat God verschrikkelijk zeer en hij rekent dat de volken aan.
De oogappel wortdt ook genoemd in Kl2:18, maar dan in verband met het storten van tranen. Eveneens in Sp7:2 en dan weer met het oog op de kwetsbaarheid.

Volken aan IsraŽl ten buit
In het oordeel over de volken gaat het om de verheerlijking van God die door hen gesmaad is. Verg. Ex9:16;12:12; Ez28:6,22 en let op de uitdrukking: ĎZe zullen weten dat Ik de Here bení. Deze uitdrukking is kenmerkend voor het boek EzechiŽl. Zie voor het dreigend bewegen van de hand van de Heer tegen zijn vijanden:Js11:15; 19:16

Heil voor de volken
Dat God voor de volken heil in petto had en heeft, lezen we ook al in Js49:6209. Die tekst heeft in deze tijd van genade al daarin een vervulling gevonden dat het evangelie tot niet-joden wordt gebracht, zoals we lezen in Hd13:47.

Jubel en verheug u
Deze oproep tot vreugde komen we op verschilldende plaatsen in de Schrift tegen en houdt verband met het heil dat God zijn volk schenken zal210.

Te dien dage
De tijdsbepaling Ďte dien dageí komen we heel vaak tegen in het boek Zacharia. Hoewel een voorvervulling van de aangekondigde gebeurtenissen niet uitgesloten is, wordt met deze term uiteindelijk gedoeld op de eindtijd. Dit is gemakkelijk in de diverse plaatsen na te gaan211.

Wonen in hun midden
De Heer had aan IsraŽl beloofd dat Hij in hun midden wilde wonen in de tabernakel212. Deze belofte blijft geldig, maar dan moet het volk wel in een toestand zijn die met zijn aanwezigheid in overeenstemming is213.

Zwijgen
Als de volken opgeroepen worden te zwijgen, heeft dat te maken met de majesteit van de Heer die in zijn (oordelend) optreden tot uiting komt214. IsraŽl wordt opgeroepen te zwijgen bij de plechtige afkondiging van de zegen en de vloek215. Ontroerend is de uitspraak dat de Heer zal zwijgen in zijn liefde voor IsraŽl216.

Vragen bij hoofdstuk 1:18-2:13
1. Waarvan spreekt een Ďhorení in de Schrift?
2. Hoe volgt uit 1:21 dat men zich niet straffeloos aan het volk IsraŽl vergrijpen kan?
3. Waartoe kan een meetsnoer dienen? Waarom wordt de jongeling (kennelijk) afgehouden van het meten van van Jeruzalem?
4. Is het niet gevaarlijk dat Jeruzalem er als een open plaats zal bij liggen? Welke bemoediging houdt 2:5 voor ons in?
5. Waarom zouden de joden uit Babel moeten vluchten naar Sion? Welke les zit daar voor ons in? Denk o.a. aan Op18:5!
6. Welke uitspraak uit Mt18:15-20 kunt u met Za2:10 en 11 in verband brengen?
7. IsraŽl is Gods oogappel. Is de Gemeente of Kerk God ook zo Ďdierbaarí? Probeer uw antwoord eens te verklaren.fgh


Het vierde gezicht: Jozua aangeklaagd
Hoofdstuk 3:1-5

Vervolgens deed Hij mij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen217. De Here echter zeide tot de satan: De Here bestraffe u; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt? Jozua nu was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. Toen nam deze het woord en zeide tot hen die voor Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit. Hij zeide tot hem: Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestklederen aan. Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten. Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond.

* Dit hoogst belangrijke deel toont ons:
- de hogepriester Jozua met de satan als aanklager;
- de bestraffing van satan door God die Jeruzalem verkiest;
- het vervangen van de vuile kleren van Jozua door feestkleding.

Dit visioen staat met het vorige in nauw verband. Hoofdstuk 2 besloot namelijk met de verzekering dat God Jeruzalem nog verkiezen zal en in het midden van zijn volk zal wonen. Maar heeft het volk het daarnaar gemaakt? Nee, beslist niet, het volk is onrein, maar God maakt het rein. Dat zien we in dit visioen van hoofdstuk 3.
In dit visioen gaat het eigenlijk niet om de hogepriester Jozua zelf, hoewel diverse schriftverklaarders dit voorstaan. Dat blijkt uit de woorden:íDie Jeruzalem verkiestí. Jozua is hier de vertegenwoordiger van het volk bij God. Dat is namelijk een van de aspecten van het hogepriesterschap. De andere funktie is dat hij God vertegenwoordigt bij het volk en de middelaar is tussen God en het volk218. Om het eerste gaat het hier. Daarnaast is Jozua een voorafschaduwing van de Christus. Dat komt in het tweede deel van dit hoofdstuk uit. Jozua staat voor de Engel des Heren en in feite dus voor de heilige God. Het visioen verplaatst ons naar de hemel. De kleding van Jozua Ďvloektí echter met de heilige plaats die hij inneemt219. De Satan staat aan de rechterhand van Jozua en wil hem aanklagen220. De reden voor de aanklacht wordt niet genoemd, maar die blijkt wel uit de volgende verzen. Vooraf echter wijst de Heer de Satan terug en roept een bestraffing over hem uit221 en dat houdt in dat satan moet afdeinzen222..


De toevoeging bij de naam Heer: Ďdie Jeruzalem verkiestí is van groot belang223. Satan mag proberen aan de band tussen Jeruzalem en de Heer een eind te maken, maar dat zal hem niet gelukken. God heeft IsraŽl als een brandhout uit het vuur gerukt224. Het volk zou bijna door de vervolging verteerd zijn, maar God beoogt niet de ondergang van het volk, maar de redding ervan.
Een brandhout uit het vuur rukken is niet zoín leuke taak, je moet dan de hitte trotseren en mogelijke brandwonden riskeren. Deze woorden laten dan ook zien dat de Heer heel wat voor de redding van zijn volk over heeft. Zoals eerder aangegeven staat er in de Schrift: Ďin al hun benauwdheden was Hij benauwdí225 . God voelde mee met het lot van IsraŽl.

Het blijkt dat Jozua vuile kleren aan heeft. Kleren zijn vaak een symbool voor iemands gedrag. Wij kennen de uitspraak: Ďde kleren maken de maní en dan denken we eraan dat als iemand goed gekleed is, hij goed voor de dag kan komen. Omgekeerd zeggen slordige kleren ook wat van de drager en wel dat hij niet veel om zijn uiterlijk geeft. Hier gaat het echter niet slechts om slordige of armoedige kleding, maar om kleren die vuil zijn. Dat spreekt van zondig gedrag. IsraŽl heeft het verbruid en niet zoín beetje226. We begrijpen nu ook wel wat satan als aanklager tegen IsraŽl wil inbrengen, namelijk dat God met zoín (priester-)volk toch geen omgang kan hebben, maar de band ermee verbreken moet. IsraŽl is onrein en verdient geoordeeld te worden.

Er gebeurt echter heel wat anders. De Heer227 beveelt Jozuaís vuile kleren uit te trekken. Dat betekent dat God de ongerechtigheid van het volk wegdoet. De zonden worden het volk vergeven, de schuld wordt weggenomen, en dat niet alleen: Feestkleren moeten Jozua aangedaan worden en een reine tulband228 op zijn hoofd gezet. De tulband behoort tot de uitrusting van de hogepriester en spreekt nog meer dan de kleren van een reine, weloverwogen wandel voor God. Er staat niet met zoveel woorden, dat Jozua een vuile tulband op had die vervangen werd door een schone. De gedachte zou verdedigd kunnen worden dat Jozua zijn tulband kwijt zou zijn geraakt. Er is echter meer voor te zeggen dat de tulband begrepen is in de vermelding van de vuile kleren. Hoe dat ook zij: het deugt met Jozua van geen kant, maar de Heer229 maakt hem weer geschikt om het priesterambt te bekleden.

Het valt op dat Jozua niets zegt of doet. Hij kan ook niets doen. Zijn reiniging en herstel is Gods werk.
Het bevel van de Heer230 wordt opgevolgd en dat alles terwijl de Engel des Heren er bij staat231. Jozua krijgt niet alleen reine klederen aan, maar het zijn ook statiegewaden. Dat ziet op zijn waardigheid. De vermelding dat de Engel des Heren erbij staat, duidt erop dat alles geschiedt in overeenstemming met de waardigheid van zijn Persoon. Aan de heilige eisen van God wordt dus voldaan. Hij kan ermee instemmen !!

Wie is de Hij van vers1?
De NBG-vertaling schrijft Hij met een hoofdletter en gaat er dus van uit , dat God bedoeld wordt. Het woord Ďvervolgensí waarmee vers 1 begint, verbindt dit gedeelte met het vorige visioen. Met de ĎHijí van vers 13 wordt duidelijk op God gedoeld. De Statenvertaling ( en ook andere vertalingen) schrijft Ďhijí met een kleine letter en laat dus een andere verklaring toe. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan de uitlegengel. Het aantrekkelijke van deze gedachte is dat de uitlegengel die we anders in dit visioen zouden missen toch in beeld komt. De uitlegengel vestigt verschillende malen de aandacht van Zacharia op dat wat hij in een visioen ziet, maar we lezen niet dat deze engel een visioen aan Zacharia geeft. We achten het dan ook aannemelijker dat met ĎHIjí God bedoeld is.

Jozua de hogepriester
Er is een verband te leggen tussen dit visioen en de herbouw van de tempel. Met de verwoesting van de tempel was de priesterdienst onmogelijk geworden Dit was te wijten aan de zonden van het volk waarmee ze zich voor God verontreinigd hadden. Die verontreiniging betrof ook de priesters. Ez.8 laat zien wat een verschrikkelijke afgoderij er nota bene in de tempel gepleegd werd. Kon God het hogepriesterschap en de priesterdienst dan nog wel aanvaarden? Kon straks in de herbouwde tempel nog wel een levitische priester fungeren? Dit visioen laat zien welke geweldige oplossing God voor dit probleem heeft.
Zoals gezegd bij de verklaring gaat het visioen echter verder, dieper. Het gaat om het herstel van het volk als volk van God met tempel en priesterdienst incluis.

Staan voor de Heer
Dit is vaak een technische uitdrukking om aan te geven dat iemand in dienst van God staat232. Hier moet echter eerder gedacht worden aan het staan van een beschuldigde voor een rechtbank233.

Satan, de aanklager
Zoals ook in andere gedeelten waar over de satan gesproken wordt, het geval is, blijkt ook hier dat satan een wezen, een persoon is en niet slechts een kwade invloed of boze kracht. Hij staat aan de rechterhand van Jozua. Die plaats nam een aanklager bij een gericht in234. Zie voor zijn werk als aanklager: Job 1 en 2 en Op12. Zie voor zijn werk als verleider: Ef6:11vv.

God bestraft de satan
God is de enige die dit doen kan. Zelfs de aartsengel MichaŽl durft tegen de Satan geen oordeel van lastering uitbrengen235. Vergelijk bij dit vers Rm8:33. Wat een geweldige verzekering geeft dat vers aan de gelovigen!.

Een brandhout uit het vuur gerukt
Verschillende uitleggers laten dit slaan op Jozua ofwel op zijn hogepriesterschap dat tijdens de ballingschap bewaard gebleven is en nu weer naar voren komt236. Maar zoals hiervoor al opgemerkt gaat het ongetwijfeld verder en ziet het op het volk IsraŽl. Dat volk is niet in de vuuroven van de ballingschap in Babel ten onder gegaan. Net zomin als hun voorvaderen in de ijzeroven van Egypte237. De idee van de Talmud dat Jozua door Nebucadnezar in een vuuroven geworpen zou zijn en daaruit bevrijd zou wezen, is te speculatief om serieus overwogen te worden238 .

Kleding
Bij dit gedeelte moeten we denken aan de bekleding van de priesters (Ex28:39-43) en van de hogepriester (Lv16:1-23)in hun prachtige, reine kleren (verg. ook Op19:8). In Js4:4 zien we hoe kleren bevlekt kunnen zijn met vuil en bloed. Net als bij de hogepriester Jozua is God bij machte dit vuil weg te doen239.

In geestelijke zin ziet kleding op positie en gedrag. In Gl3:27 zegt Paulus dat allen die tot Christus gedoopt zijn, Christus hebben aangedaan. Dat ziet op een eenmalig feit. God ziet de gelovigen niet meer in hun oude kleding van zonden en verkeerdheden, maar ziet hen overkleed met Christus. Dat is hun positie.
In Rm13:14 staat de opdracht:í Doet de Heer Jezus Christus aan, en wijdt geen zorg aan het vlees om aan begeerten te voldoen. Dat ziet op onze dagelijkse praktijk. In onze daden moeten we Christus laten zien.

Nieuwe kleren...kan dat zomaar?
God kan Jozua niet bekleden op grond van enige verdienste van deze hogepriester. Zo kan God de zonden van het volk niet wegdoen op grond van hun kwaliteiten, goede werken of wat dan ook. Het kan alleen met vooruitzien op het werk van Jezus Christus, zie Jh.11:51,52; Hd5:31. Op het kruis heeft Christus de zonden van allen die in Hem geloven uitgeboet, aan het recht is dus voldaan. Daarom kan er in Js1:18 staan: ď Komt en laat ons tesamen richtení, verg. Js43:25. In dit geval duidt het niet slechts vergeving van schuld aan, maar herstel in volle glorie wat positie betreft

Verschillende verklaringen
Ten overvloede wijs ik er nog even op dat er van dit visioen diverse verklaringen worden gegeven. Er zijn uitleggers die de betekenis alleen zoeken in wat er zich historisch in de toenmalige tijd heeft afgespeeld. Anderen geven van dit visioen alleen een vergeestelijkte verklaring en zien erin een voorstelling van de rechtvaardiging van de zondaar. Vervolgens zijn er die menen dat het hier gaat over het leiderschap dat het volk in het land heeft gebracht: de hoogste priester (Jozua) is onrein, en de overste leidsman (Zerubbabel) ontbreekt het aankracht. We verwerpen deze beide benaderingen niet totaal, maar zien ze slechts als toepassingen, terwijl de eigenlijke betekenis de profetische uitleg is waarbij gedacht wordt aan het uiteindelijke herstel van het volk IsraŽl, waarbij ook het priesterschap weer zal funktioneren240.

Ik nu zeide
Van der Woude meent dat de Ďikí in vers 5 ziet op de profeet241. Zijn beroep op Js6:5 is echter niet steekhoudend daar het daar om een heel andere schildering gaat en een woord van de profeet op zijn plaats is. Hier is er echter geen reden om in de ĎIkí van vers 5 een andere spreker te zien dan in de ĎIkí van vers 4.

Voorbeeld van optreden van de hogepriester
Een voorbeeld van het optreden van een hogepriester buiten de eredienst om zien we o.a in Jojada die een verbond sluit tussen de Heer en koning Josia samen met het hele volk. Jojada wandelt dus in de wegen van de Heer. Hetzelfde geldt van Azarja en de priesters die koning Uzza uit de tempel verdrijven als hij wil offeren242. Hier zouden meer voorbeelden te geven zijn. Dat priesters trouwens een bredere taak hadden dan alleen het leiden van de eredienst blijkt uit Ml2:1-9.