Snel zoeken:
419 Zacharia 6:1-15

Het achtste gezicht: de vier wagens
Hoofdstuk 6:1-8)

Wederom sloeg ik mijn ogen op, ik zag toe en zie, daar kwamen vier wagens naar voren tussen twee bergen. Die bergen nu waren van koper. Voor de eerste wagen stonden rode paarden, voor de tweede zwarte, voor de derde witte en voor de vierde gevlekte;
sterke101 paarden. Ik nam het woord en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? De engel gaf mij ten antwoord: Deze gaan uit naar de vier windstreken des hemels, van hun standplaats bij de Here der ganse aarde. Die met102 de zwarte paarden gaat uit naar het Noorderland, de witte gaan uit, hen achterna103 , en de gevlekte gaan naar het Zuiderland. De sterke paarden kwamen opzetten104 ; zij verlangden weg te gaan om de aarde te doorkruisen, en hij zeide: Gaat heen, doorkruist de aarde. Toen doorkruisten zij de aarde. Hierop riep hij mij toe en sprak tot mij: Zie, die uitgegaan zijn naar het Noorderland brengen mijn Geest in het Noorderland tot rust105 .

Dit achtste en tevens laatste gezicht bevat:
- de mededeling dat Zacharia vier wagens naar voren zag komen tussen twee bergen van koper;
- de beschrijving van de paarden naar hun kleuren;
- de mededeling van de engel dat ze naar de vier windstreken des hemels gaan;
- de aanwijzing dat de sterke paarden trappelen om de aarde te doorkruisen;
- de oproep op dat te doen en het feit dat de paarden daaraan gevolg geven;
- de mededeling dat de paarden die naar het Noorderland gaan de Geest des Heren daar tot
rust zullen brengen


Net als in 5:1 slaat Zacharia zonder oproep van een engel zijn ogen op. Hij richt zich dus met volle aandacht op dat wat hem getoond wordt en dat zijn vier wagens die naar voren komen (van) tussen twee bergen (uit). Het getal vier ziet weer op de vier windstreken van de aarde ofwel op de hele wereld. De hele wereld komt in het blikveld en heeft te maken met de oordelen van God. Wat de twee bergen voorstellen is moeilijker te zeggen. Aangezien de wagens de aarde moeten doorkruisen zullen we de bergen in Israël moeten situeren. Dit te meer omdat ze uitgaan van de standplaats bij de Heer. Daarbijkunnen we denken aan de berg Sion en aan de Olijfberg106. Beide nemen in de profetie in het algemeen gesproken een belangrijke plaats in. Deze bergen getuigen van de macht van de Heer en wel enerzijds in genade ten gunste van zijn volk en anderzijds in oordeel over de volken.
Dat ze van koper zijn heeft uiteraard ook een betekenis. Deze vermelding staat niet in de weg dat het om aardse bergen gaat (dit contra Van der Woude, want het gaat om de symbolische betekenis van dit metaal. Koper(anderen spreken van brons) ziet op loutering en daardoor reiniging, terwijl het ook met standvastigheid, met hardheid te maken heeft107.

De kleuren van de paarden zullen net als die van de paarden in Op6 een speciale betekenis hebben, maar ze zijn -evenals die van de paarden in het eerste visioen- niet zo gemakkelijk te duiden als die uit Op6 omdat er daarmeer bijzonderheden bij verteld worden. Zwart is de kleur van de dood eventueel veroorzaakt door honger, terwijl wit ziet op overwinning. De gevlekte zijn kennelijk schimmelkleurig of vaal en kunnen ziekten en epidemieën voorstellen. Rood is de kleur van de oorlog, maar van de rode wordt niet gezegd waar ze heengaan. Van de zwarte en de witte paarden wordt dat wel gezegd: die gaan naar het Noorderland, de gevlekte daarentegen gaan naar het Zuiderland. Bij het Noorderland denken we aan Babel, zoals in het vorige visioen dat gebied werd aangegeven als het land Sinear. Met het Zuiderland zal Egypte bedoeld zijn, eventueel met de nog zuidelijker gelegen landen.
In alle gevallen gaat het om gericht dat God brengt over de volken die Israël op de een of andere manier benauwd hebben. Van de zwarte en witte paarden wordt vervolgens gezegd, dat ze de Geest des Heren tot rust brengen in het Noorderland. De Geest van de Heer is vertoornd over de volken en wel bijzonder over Babel dat het volk Israël heeft weggevoerd. De toorn van de Heer zal echter gestild worden omdat Babel en de daaruit voortkomende rijken door het gericht van de Heer zullen worden getroffen. Er zal recht gedaan worden.

Gods Geest kan ten opzichte van het kwaad alleen rusten als het geoordeeld is. Er zijn daartoe twee mogelijkheden: a. het kwaad wordt geoordeeld aan de boosdoeners zelf en dat betekent hun eeuwig oordeel, of b. het is voltrokken aan een ‘offerdier’dat als offer gebracht wordt volgens de wet van Mozes. Uit het NT weten we dat zo’n offerdier heenzag naar het offerlam, Jezus Christus. Dat houdt voor de boosdoener die zich bekeert, verzoening in.

Er is een nauw verband tussen dit achtste visioen en het eerste. In beide gevallen is er sprake van gekleurde paarden die uitgaan. Toch is er een verschil want de paarden hier zijn voor wagens gespannen en daarbij zullen we aan oorlogswagens hebben te denken. Ging het in het eerste visioen om informatie betreffende de toen heersende toestand, nu gaat het om oordeel in verband met de geconstateerde toestand. In het eerste visioen is sprake van rust omdat er niets gebeurt dat ook maar lijkt op het uitoefenen van gerechtigheid aan de volken die zich aan Israël hebben vergrepen, maar er ook niets te zien was van toorn van de Heer over die volken (1:17). In dit laatste visioen gaat het om rust die intreedt nadat het oordeel over die volken is voltrokken en Gods Geest rust vindt omdat aan de gerechtigheid voldaan is108.
Om het belang van de missie van de zwarte (en de witte ?)paarden te onderstrepen, wordt aangegeven dat God in een woord aan de profeet verklaart wat het effect van hun zending zal zijn, namelijk dat zijn Geest in het Noorderland tot rust zal komen. Wanneer we bedenken dat volgens het vorige visioen de vrouw Goddeloosheid daar haar domicilie heeft gekregen, dan zullen we moeten aannemen dat Gods oordeel deze goddeloosheid verdelgen zal, zodat God rust vindt omdat het oordeel over de boosheid voltooid is. Dan is er niet meer sprake van een gezapige rust zoals in het eerste visioen, maar van rust omdat het werk van de Heer voltooid is.

Verschillende opvattingen
Er zijn uitleggers die deze vier wagens in verband willen brengen met de vier evangeliën. Terecht zegt Calvijn dat deze schriftverklaarders zeer oppervlakkig te werk gaan. In feite is dit associatief denken: er is sprake van 4 wagens, welnu er is in het NT sprake van 4 evangeliën, leg er maar verband tussen en je bent klaar. Daar komt bij dat deze uitleggers en dat doet Calvijn helaas ook, deze profetie maar ten dele op Israël laten slaan, omdat voor hen Israël de Kerk vertegenwoordigt.
Andere uitleggers leggen verband met de vier wereldrijken van Daniël 7 te weten het Babylonische (de eerste wagen met de rode paarden), het Perzische (de tweede wagen met de zwarte paarden, het Macedonische(de derde wagen met de witte paarden) en het Romeinse rijk (de vierde wagen met de gevlekte paarden). Deze uitleg heeft wel wat voor, maar een moeilijkheid is dat de richtingen waarin de wagens gaan niet direct parallel lopen met de richtingen waarin de vier rijken zich uitbreidden.
Calvijn ziet in de zwarte paarden een aanduiding van het Babylonische rijk dat Israël een heel donkere tijd bezorgde; de witte paarden slaan volgens hem op Perzië dat aan de Joden gunst bewees. Over de andere paarden is zijn uitleg vaag, in feite laat hij verschillende uitleggingen door elkaar heenlopen109.
Dit soort uitleggingen houdt in dat de paarden de voorwerpen van het oordeel zouden voorstellen, terwijl ze juist de middelen van Gods toorn zijn over de volken. Misschien kunnen we er voorzichtig dit van zeggen, dat het gericht van God het hele terrein betreft dat door de vier wereldrijken in beslag genomen werd en dat Gods gerichten zich uitstrekken over alle windstreken van dat gebied.

Bergen
Voor bergen staat het lidwoord, maar volgens Ridderbos hoeft dat niet te betekenen dat aan twee bekende bergen gedacht moet worden. Hij situeert de bergen in de hemel en beschouwt ze als een soort zuilen die het hemelse paleis markeren. Hij bespreekt de opvatting dat er een relatie zou zijn met de Egyptische voorstellingen van de morgenhemel met een opgaande zon tussen twee bergen. Dan zouden de paarden en de wagens uit oostelijke richting komen en dat strijdt met het verdere betoog. Ridderbos acht zijn voorstelling echter beslist niet dwingend110
Calvijn meent dat de bergen de raad van God voorstellen die even vast staat als bergen van koper111 .

De kleuren van de paarden
De kleuren dienen natuurlijk in de eerste plaats om de paarden te onderscheiden in vier groepen. Dat er een relatie tussen de kleuren en de windstreken bestaat zoals wel gopperd wordt, is een nogal speculatieve opvatting112

De vier windstreken
De St.Vert. heeft in vers 5 niet staan:’deze gaan uit naar de vier windstreken des hemels’, maar ‘deze zijn de vier winden des hemels’. Ridderbos staat deze weergave ook voor, want ruach betekent wind113. Dan worden de winden min of meer met de paarden vereenzelvigd114. Als men in de winden de krachten ziet waardoor de paarden voortgedreven worden en daarbij denkt aan winden uit de vier windstreken zoals in Op7:1 het geval is, komt de uitleg redelijk overeen met de hiervoor gegevene dat het uiteindelijk gaat om de vier windstreken.
Overigens moet bedacht worden dat winden vaak voorgesteld worden als instrumenten van Gods oordeel115.

Hun standplaats bij de Here der ganse aarde
Dit betekent dat ze beschikbaar staan om de opdracht die de Heer hen geeft, te vervullen. Er kan een verband gelegd worden met Job1:6. Daar gaat het erom dat engelen zich voor de Heer stellen om verslag uit te brengen, hier betreft het engelenmachten die uitgaan met een opdracht van de Heer (dit enigszins in overeenstemming met J.Ridderbos,JR blz. 96). De titel ‘Here der ganse aarde’ houdt verband met het feit dat de Heer zijn oordeel op aarde brengen zal; niet alleen de hemel, ook de aarde is zijn gebied.

Waar gaan de wagens heen?
Een moeilijkheid is dat de witte in dezelfde richting gestuurd worden als de zwarte en dat van de rode paarden helemaal niet gezegd wordt waar die heengaan. Calvijn meent dat de rode paarden dezelfde zijn als ‘de sterke paarden’ en dat hun opdracht is de aarde te doorkruisen116 Men heeft door tekstaanpassing117 geprobeerd de witte naar het westen te laten gaan. Deze wijziging van de tekst rust echter niet op een stevige basis. Bovendien blijft men dan nog zitten met het feit dat er over het Oosten helemaal niet gesproken wordt.
Eventueel zou men kunnen denken aan het feit dat drie wagens in het land eerst dezelfde richting uitgegaan zijn, want ten westen van Israël lag de Middellandse zee en ten oosten de woestijn. Ook de rode paarden zouden dan naar het Noorden of het Zuiden zijn gegaan. Na voldoende Noordwaarts te zijn getrokken zouden de witte dan naar het westen en de rode naar het oosten afgebuigen, als we tenminste aannemen dat deze laatste niet in zuidelijke richting zijn vertrokken.
Dit is echter ook maar een noodoplossing waar nogal wat vraagtekens bij te plaatsen zijn.
J.Douma oppert dat de rode paarden niet tegelijk met de andere uitgezonden zijn, maar dat de Heer ze in reserve houdt118, maar dat is in strijd met vs. 7 waar van alle paarden staat dat ze uitgaan. De gedachte van Calvijn dat dit alleen gezegd wordt van de rossige paarden is niet erg overtuigend, want het hier gebruikte woord duidt eerder op kracht dan op een kleur.

Het Noorderland het Zuiderland
Zie de voetnoot bij hoofdstuk 2:6

Wie gaf het bevel?
De vraag is wie met de ‘hij’ in vers 7 bedoeld is. De laatste persoon die genoemd is, is de begeleidigsengel. Hij kan dat bevel gegeven hebben maar dan in opdracht van de Heer zelf. Liever denken we echter aan de Here God die zonder dat dit uitdrukkelijk zo gezegd wordt het bevel tot uitrukken geeft. Deze opvatting wordt ondersteund door vers 8 waar de spreker de uitdrukking ‘mijn Geest’ gebruikt.
Hoe dat ook zij: het oordeel gaat van God uit119, welke middelen Hij daarvoor gebruikt is een andere zaak.

Mijn Geest of mijn toorn?
Het woord hier gebruikt wordt op sommige plaatsen door ‘toorn’ weergegeven, zie Js30:28;Ez5:13. Gods toorn zou dan gestild worden door het oordeel over Babylon. Dat kan dan weer in verband gebracht worden met het vorige gezicht. Calvijn, Ridderbos en anderen laten de mogelijkheid open dat de Geest in het Noorderland ook tot zegen werkt door onder de ballingen een opwekking te bewerken en wijzen dan op de geschiedenis die volgt. Gericht over de volken en toebereiding van Israël zouden dan samengaan.

De kroon voor Jozua
Hoofdstuk 6:9-15

Het woord des Heren kwam tot mij: Neem gaven van de weggevoerden, van Cheldai, van Tobia en van Jedaja, en gij, kom nog heden, kom in het huis van Josia, de zoon van Sefanja, waar zij, uit Babel komende, hun intrek genomen hebben. Neem dan zilver en goud en maak een kroon en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak, en zeg tot hem: Zo zegt de Here der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des Heren bouwen. Ja, hij zal de tempel des Heren bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn 120 en als heerser zitten op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn. En de kroon zal tot gedachtenis aan Chelem, Tobia, Jedaja en Chen, de zoon van Sefanja, in de tempel des Heren blijven. Die verre zijn, zullen aan de tempel des Heren komen bouwen en gij zult weten, dat de Here der heerscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij aandachtig luistert naar de stem van de Here, uw God.

Dit gedeelte beschrijft:
- de opdracht aan Zacharia om gaven te nemen van weggevoerde joden;
- de opdracht om daarvan een kroon te maken en die Jozua op te zetten;
- de profetie aangaande de Spruit die de tempel van de Here zou bouwen;
- het zitten van de Spruit als priester-koning op zijn troon;
- dat de kroon tot gedachtenis voor degenen zal zijn die de gaven ervoor gegeven hebben;
- dat zij die veraf wonen aan de tempel zullen komen bouwen.

Men kan er voor pleiten dat hier een nieuw gedeelte begint. Er zijn acht gezichten beschreven en nu komt er een woord des Heren tot Zacharia dat hem rechtstreeks en niet in een visionaire situatie vertelt wat hij moet doen. Ook in het vervolg lezen we enkele keren ‘het woord des Heren kwam tot mij’ of een soortgelijke uitdrukking121 . Dat wordt regelmaig afgewisseld met de uitspraak ‘ zo zegt de Here’. Om dan in hoofdstuk 9 over te gaan in ‘Godsspraak het woord des Heren’. Een uitspraak die in 12:1 herhaald wordt. Het gaat dus om een gedeelte tussen de visioenen en de beide godsspraken in.

Kenmerkend voor dit gedeelte is ook dat er een tweetal historische gebeurtenissen vermeld worden die aanleiding geven tot een bepaalde boodschap van God. Uit 6:10 blijkt dat er een deputatie van ballingen uit Babel in Jeruzalem is aangekomen. Deze personen zijn: Heldai, Tobia, Jedaja en ze hebben hun intrek genomen in het huis van Josia, de zoon van Zefanja.
Ze hebben gaven bij zich die ze uit Babel hebben meegebracht. Kennelijk willen ze die gaven schenken aan de Heer122 . Nu moet Zacharia zilver en goud van hen (zie vs.14) nemen en daarvan een kroon (laten)maken en die op het hoofd zetten van de hogepriester Jozua. Niet een kroon maar een tulband is normaal de hoofdtooi van een hogepriester123 . Hier wordt symbolisch aangeduid wat vervolgens in woorden wordt uitgesproken dat koningschap en priesterschap in één persoon verenigd zullen worden. Die persoon wordt aangekondigd als de man wiens naam Spruit is. We kunnen hierbij niet anders denken dan aan de Messias die ook
op andere plaatsen Spruit genoemd wordt124 en wiens verschijning met uitspruiten wordt aangegeven. Niet onterecht trekt Veldkamp hierbij een vergelijking met de wijzen uit het Oosten, die de Spruit, het kindje Jezus hun hulde kwamen brengen125 .
Van deze Spruit wordt tweemaal gezegd dat Hij de tempel des Heren zal bouwen. Zerubbabel bouwde destijds de tempel en hij zou de bouw voltooien (4:9). Maar over Zerubbabel of Jozua gaat het hier niet. Ten eerste spreekt dit profetisch woord over iets wat in de toekomst zal gebeuren, ten tweede gaat het over iemand die zowel priester als koning is en van wie Zerubbabel en Jozua samen slechts zwakke voorafschaduwingen zijn, de een als regeerder, de ander als priester. Onder Israël waren priesterschap en koningschap strikt gescheiden, de koning stamde uit Juda, de priesters waren nakomelingen van Aäron uit de stam van Levi. Denk hierbij aan koning Uzza die zo vermetel was om priesterdienst te willen verrichten. Hij werd daarvoor door God geslagen met melaatsheid en door de priesters met bestraffende woorden uit de tempel verwijderd126 , maar hier in Zc 6 wordt symbolische getoond dat beide funkties in de toekomst in één persoon verenigd zullen zijn. Een ander sprekender voorbeeld van vereniging van beide funkties hebben we in Melchizedek, de priesterkoning van Jeruzalem uit de dagen van Abraham. Van de Messias wordt in Psalm 110 kenmerkend gezegd dat Hij priester zal zijn naar de ordening van Melchizedek.

In het NT zien we hoe de Messias voor het voetlicht treedt als Jezus Christus. Hij wordt genoemd de Zoon van David en heeft dus recht op de koninklijke heerschappij. Hem komt ook de hogepriesterlijke funktie toe. Dat niet op grond van afstamming van Aäron de priester, want de Heer is uit Juda gesproten127 , maar op grond van goddelijke aanstelling precies zoals Melchizedek het priesterschap kreeg. Dat is de zin van ‘naar de ordening van Melchizedek’.
In Jezus Christus zullen om zo te zeggen priesterschap en koningschap in harmonie met elkaar samenwerken. In hoofdstuk 3 wordt Jozua voorgesteld als een beeld van het volk, hier wordt hij voorgesteld als een type van de Messias, de priester-koning.

De WiU weergave heeft in plaats van ‘en hij zal priester zijn op zijn troon’ de weergave ‘ er zal ook een priester zijn op een eigen troon’. Als deze vertaling juist zou zijn, zou hiermee alles wat hiervoor gezegd is over koningschap en priesterschap in één persoon vervallen, tenminste wat de verklaring van vers 13 betreft. Volgens diverse deskundigen is de vertaling “er zal een priester zijn op zijn troon” taalkundig zeker mogelijk. Sommige vertalingen hebben deze weergave dan ook. Bij deze vertaling beroept men zich erop dat de uitspraak: “heilzaam overleg zal er tussen die beiden zijn”, slaat op het overleg tussen twee personen en niet op het overleg tussen twee funkties die in één persoon verenigd zijn. In eerste instantie lijkt dit een redelijk argument.
Ondanks dit pluspunt is er tegen deze vertaling het volgende in te brengen: (1) het gaat in vers 11 om de kroning van de hogepriester Jozua, die een type is van de Messias. Het is dan wel vreemd dat naast deze Messias-priester nog een andere priester zou optreden; (2) de eerste vier mannelijke werkwoordsvormen wijzen alle naar de hoofdpersoon van de passage, de Spruit. Het ligt dan niet zo voor de hand om bij de vijfde aan een andere persoon te denken; (3) vervolgens zou er dan sprake zijn van twee verschillende tronen, waarbij een priester op een troon zou zitten, wat niet direct met de taak van een priester overeenkomt. Het gaat er immers om dat de priester Jozua gekroond wordt -en niet Zerubbabel - wat erop wijst dat koningschap en priesterschap gecombineerd worden. Al met al zie ik dan ook onvoldoende redenen om van de door mij gegeven verklaring af te wijken, hoewel ik de kracht van de “tegenargumenten” wel degelijk aanvoel128 .


De kroon die Zacharia gemaakt heeft en die hij moest zetten op het hoofd van Jozua129 zal niet op diens hoofd blijven, de kroning met die kroon is slechts een symbolische daad. Nee, hij zal een plaats krijgen in de herstelde tempel van de Here en als een nagedachtenis dienen aan de mannen die uit Babel zijn gekomen130 en gaven meegebracht hebben voor de tempel van de Here. Hun daad sprak van hun geloof en de gedachtenis daaraan wil de Here de eeuwen door levendig houden.
Dan volgt nog de mededeling dat personen uit verre streken zullen komen meebouwen131 en dat zal het teken zijn dat de Here Zacharia als zijn profeet tot hen heeft gezonden132 . Anderen denken dat hier de bemiddelingsengel aan het woord is. Dan zou met ‘gij’ en ‘u’ de Zacharia bedoeld zijn tot wie de engel gezonden is. Vers 15b laat zich echter niet tot de profeet beperken. Het gaat er uiteindelijk om dat Zacharia de boodschap aan het volk moet doorgeven en dat zij luisteren naar zijn woord. Het volk zal tot de erkenning komen dat de boodschap een boodschap van de Here is en het volk heeft niet te maken met de begeleidingsengel maar met Zacharia. Het meest voor de hand liggend is dus dat het om zijn zending gaat.

Met de verklaring dat dit zal gebeuren als de Israëlieten aandachtig naar de stem van de Here zullen horen133 wordt dit gedeelte afgesloten.

Identiteit van de personen
De identiteit van de hiere genoemde personen is ons verder niet bekend. De naam Heldai(‘langleven’, ‘volhardend’, ‘tijdelijk’) komen we eerder tegen als hoofd van een van de legerafdelingen die door David werden ingesteld134 . Hij was een afstammeling van Othniël. Daarmee moet de eerste richter bedoeld zijn135 . Of de Heldaď hier in Zacharia genoemd van deze Heldaď uit de tijd van David afstamt, weten we niet. Heldaď wordt in vers 14 Helem (‘sterkte’, ‘rijpheid’, ‘gezondheid’) genoemd. Die variatie op zijn naam helpt ons echter niet verder.

Tobia (‘De Here is goed’,’mijn goedheid is de Here’)is een naam die we vaker tegenkomen. Een van de levieten ten tijde van koning Josafat heette zo136 , verder is er een Tobia die de voorvader was van een aantal teruggekeerden uit Babel137 en dan is er nog sprake van de Ammoniet Tobia die ten tijde van Nehemia vijandig optrad tegen de teruggekeerden138 . Het zou kunnen zijn dat de Tobia genoemd in Ezra 2 en Neh 7 ook de voorvader van de hier genoemde Tobia is, maar dat is maar een gis.

Jedaja (‘De Here kent’, ‘de Here weet het’ of ‘de Here zorgt’) is een naam die we vrij veel in het OT tegenkomen139 . Ook zijn er verschillende personen die Josia (‘de Here heelt’, ’een peiler is de Here)heetten140 . Kennelijk wordt deze Josia ook Hen genoemd (vs14), wat ‘de vriendelijke’ of ‘de genadige’ betekent.
Zefanja (‘ver(ge)borgen heeft de Here’, ‘de Here bewaart’, ‘ de Here van de duisternis ‘) is ook geen onbekende naam. Waarschijnlijk was hij de zoon van de Zefanja genoemd in 2Kn25:18 die mogelijk dezelfde is als de priester Zefanja die in Jr21:1; 29:25 en 37:3 genoemd wordt141 .

Lijden en heersen
In de Schrift is sprake van het lijden van de Messias, van een lijdende knecht en van de verheerlijkte Zoon van David. Dit heeft Joodse uitleggers in verwarring gebracht en leidde ertoe dat ze over twee Messiassen gingen spreken. Het gaat er echter om dat de Messias eerst zal lijden en daarna zijn heerlijke, heersende positie zal innemen.

Kroon of kronen
Het woord kroon staat in het meervoud en wordt door Calvijn en de Statenvertaling ook zo weergegeven, maar volgens anderen is het enkelvoud bedoeld omdat de voorstelling van twee kronen op het hoofd van één persoon nogal vreemd is. Calvijn meent dat de twee kronen de vereniging van koningschap en priesterschap in een persoon aangeven142 . De gedachte van de vereniging van die twee funkties is juist, maar die wordt uitgedrukt door het feit dat de priester Jozua een koninklijke kroon opgezet krijgt.
Zou toch het meervoud bedoeld zijn dan kunnen we in plaats van te denken aan Melchizedek een verband leggen met Op19:12 waar van Christus staat dat Hij vele kronen op zijn hoofd heeft, waarbij dan gedacht moet worden aan het feit dat Hij de koning der koningen en de Heer der Heren is. Anderzijds kan het meervoud gebruikt zijn omdat de kroon uit meerdere onderdelen heeft bestaan of ook om de heerlijkherid ervan extra te benadrukken. De idee dat het om twee kronen gaat, de een voor Jozua, de ander voor Zerubbabel vindt geenenkele steun in dit tekstgedeelte.

Op het hoofd van de hogepriester Jozua
Op grond van het feit dat een hogepriester normaliter geen kroon draagt hebben diverse uitleggers gemeend dat de naam Jozua vervangen moet worden door Zerubbabel. Ze gaan dan volkomen voorbij aan de les van vers 13 en het feit dat Jozua model staat voor de messias-priester

Zie een man...
Let op het contrast met de denigrerende woorden van Pilatus: ‘Zie de mens’

Bouwen van de tempel
Bij vs 12 denken vele uitleggers143 alleen aan het bouwen van de Gemeente waarover Mt16:18 spreekt144 . Zij achten deze profetie daarin volledig vervuld. Nu wijzen wij niet af dat deze profetie een geestelijke vervulling gevonden heeft in de bouw van de Gemeente, de geestelijke tempel in deze tijd, maar daarmee sluiten we een letterlijke vervulling in de tijd van de Christusregering niet uit. De bijzonderheden zowel wat de bouw van de tempel betreft als wat de Christusregering aangaat, die de Oudtestamentische profetie bevat zijn namelijk te gedetailleerd om ze geestelijk op de bouw van de Gemeente of op de regering van Christus over zijn Kerk of Gemeente te kunnen beperken. Denk alleen maar aan de uitvoerige beschrijving van de bouw van de nieuwe tempel zoals we die tegenkomen in Ez40-48.

Het koningschap en priesterschap van Christus
Over het koningschap van de Christus spreken teksten als: Ps2:7-12; Js9:5,6; Jr23:5; Dn7:14; Mi4:3, 7; Zf3:15; Zc14:9; Lk1:32,33. Over zijn priesterschap gaat het in Ps110; Hb4:15; 5:6; 7:11-2. Denk wat zijn koningschap betreft aan Op3:21 waar het zitten van Christus op zijn eigen troon in de toekomst duidelijk onderscheiden wordt van het zitten bij zijn Vader op diens troon wat slaat op de tijd na Zijn hemelvaart.

Heilzaam overleg tussen hen beiden
Ironside meent dat er heilzaam overleg zal zijn tussen de Here der Heerscharen en de Man, die de spruit genoemd wordt (HAI, blz 375). Voor deze opvatting is wel wat te zeggen in verband met het woordje ‘hen’ in vers 14b. Anderzijds slaat vers 24 toch wel terug op vers 13 en dan ligt het voor de hand te denken aan de heerser en de priester die in één persoon verenigd zijn.

Vragen bij 5:1 tot en met 6:15
1. Welk verband kunnen we leggen tussen Zc5:4 en Ef4:25,28 .
2. Geef uit het boek van de Handelingen een voorbeeld dat God onwaarachtigheid onder christenen streng straft. Laten we ons dan ook voor dat kwaad wachten.
3. Israël bedreef goddeloosheid, o.a. door de afgodendienst. Geef eens aan wat voor ons ‘afgoden’ kunnen zijn.
4. Wat is de les van het achtste gezicht? Beangstigt die les u? Denk dan aan Jh5:24. Welke verzekering geeft die tekst u?
5. Hoe kunnen wij onze Hogepriester ‘kronen’?
6. Welk oudtestamentisch voorbeeld hebben wij van een koning die tevens priester was?
Op grond waarvan kan deHeer Jezus zowel koning als priste zijn?
7. De Gemeente of Kerk wordt de tempel van de Heer genoemd. Hoe kunnen wij aan die
‘tempel’, aan dat ‘ Huis van God’ bouwen?