Snel zoeken:
Notities bij mijn Bijbel nr. 028

Als we de weergave in de Statenvertaling niet volgen, dan is er nog wel een oplossing voor het probleem te vinden dat in deze tweede weergave eerst over de schepping van de mens gesproken wordt en pas later over die van de planten en de dieren.Deze verklaring is wel wat moeilijker. Het komt dan hierop neer, dat vers 7 vertelt hoe de mens uit de aarde geschapen is. Dit is een nadere uitwerking van Gn1:27. Evenzo is de schepping van Eva een nadere uitwerking van dat vers. In Gn1:27 wordt haar schepping samengevat met die van de man. De schepping van de mens staat in Gn 2:4-7 centraal en die van planten en dieren wordt daaraan ondergeschikt gemaakt. De mens wordt hier niet, als in de zuiver historisch gegeven volgorde van Gn 1, gezien als de laatste die op het toneel verschijnt, maar als degene om wie het allemaal gaat. Voor hem maakt de Heer een bepaald gedeelte van de aardbodem klaar, dat kennelijk nog niet begroeid was. En tot hem brengt God de dieren die Hij heeft geschapen, opdat Adam ze namen zal geven. Dat alles is inbegrepen in de zes dagen van Gn1 en geeft een aanvulling vooral wat de zesde dag betreft. Immers met de zevende dag is Gods scheppingswerk voleindigd.
Dat het in Gn2 niet om een ander scheppingsbericht gaat, maar om een aanvulling blijkt ook hieruit, dat er totaal geen melding van de schepping van zon, maan en sterren wordt gemaakt. Ook wordt er niets bericht van de formatie van de zeeŽn en meren. Slechts een viertal stromen worden vermeld, meer niet. Als Gn2 een tweede scheppingsverhaal zou zijn, zou de weglating van de schepping van zon, maan en sterren totaal onverklaarbaar zijn. Zoiets kan men namelijk niet over het hoofd zien. Wanneer we echter Gn2 zien als een nadere uitwerking van Gn1 dan is die weglating geen probleem.
Kortom: Gn 1 geeft het scheppingsbericht van de wereld in zijn totaliteit, Gn 2geeft een nader bericht van de schepping van de mens. Wat we in Gn 1:27 niet aangeduid vinden, treffen we hier wel aan, namelijk dat God de mens maakte van stof uit de aardbodem, dat geeft de substantie aan waaruit het menselijk lichaam is gemaakt. Dan volgt er dat God de levensadem in de mens inblies. Dat ziet op het leven dat de mens ontving. Dat geeft het hogere wezen van de mens aan dat hem onderscheidt van het dier. Van de vorming van de mens uit een dier is hier totaal geen sprake. De schepping van de mens tot een 'levend wezen' is totaal uniek. Dit is een basisbeginsel dat we goed moeten vasthouden