Snel zoeken:
194 jrg 120, 04-1977 Moeten onze kinderen alles lezen?

Romeinen 16:19
Uit: “Bode des Heils in Christus”, jaargang 120 (1977)

Kritisch commentaar

Ouderavond… Prof. R. houdt een referaat naar aanleiding van een zogenaamd praatstuk, dat de ouders vooraf is toegestuurd en waarop ze reacties kunnen inzenden. Over de vraag wat de kinderen mogen lezen, geeft de spreker als zijn mening, dat ze van rijp en groen kennis mogen nemen, voor zover ze er aan toe zijn en mits ze kritisch begeleid worden.
Van de geboden gelegenheid om op het gesprokene te reageren maakte ik gebruik door naar voren te brengen dat Paulus in Rom. 16:19 vermaant om wijs te zijn in het goede, maar onnozel in het kwade.
In Ef. 5:12 schrijft hij over de daden van de heidenen: “wat in het verborgen door hen gedaan wordt, is zelfs schandelijk om te zeggen”.
De reactie van de spreker is tekenend. Ten eerste brengt hij naar voren, dat de kinderen nu eenmaal toch met de zaken in aanraking komen: ten tweede beroept hij zich op een ander woord van Paulus: “Onderzoekt alle dingen, behoudt het goede”.
Nu is het eerste een argument dat in de dagen van Paulus net zo goed gehanteerd had kunnen worden. En dan met even weinig recht.
Kinderen van 12-17 jaar behoeven we nog niet kennis te laten maken met de vuiligheid van bepaalde literatuur. Om hen voor te lichten zijn er wel betere mogelijkheden dan aan de hand van de literaire pornoschrijvers.
Het tweede is een klassieke theologische misser.
Na de koffie worden in de pauze schriftelijk ingediende vragen behandeld. In één reactie wordt prof. R. Er op gewezen, dat die tekst die hij heeft aangehaald in zijn verband gelezen moet worden. Het gaat in 1 Thess. 5:19-21 namelijk om het niet verachten van de profetieën die in de gemeente worden geuit en niet om het onderzoeken van alles wat er in de wereld te koop is.
De vraagsteller verzoekt de inleider ook vers 22 te lezen: “Onthoudt u van alle soort van kwaad”. Daarop brengt Prof. R. wat weifelend een correctie aan in zijn toepassing van deze tekst, maar hij blijft bij zijn standpunt wat betreft het kennis nemen van moderne literatuur.
De ironie van het geval wil, zoals ik later vernam, dat de prof. Op zijn vingers werd getikt door een timmerman, die pas een paar jaar bekeerd is en aan Bijbelonderzoek is gaan doen. De wijsheid van de mens kwam hier wel frappant in botsing met de wijsheid “die van boven is”.

Graag wil ik op de zaak nog nader ingaan. Ze is er belangrijk genoeg voor. Onlangs hoorde ik van een moeder, die de boeken inkeek, die haar zoon (derde klas havo, meen ik) te lezen kreeg. Na een paar bladzijden gelezen te hebben, kreeg ze al een blos van ontzetting en verontwaardiging op haar gezicht. Een actuele kwestie is het dus wel.
Laten we eerst de principiële kant bekijken. Tegen het aanhalen van Rom. 16:19 kan men inbrengen dat het daar niet gaat om het kennis nemen van kwaad, maar om het bedrijven er van. Dat geef ik direct toe. Maar zijn kennis nemen van het kwaad en daardoor het er mee vertrouwd raken niet vaak de eerste stappen op de weg naar het bedrijven van het verkeerde?
In 2 Kor. 7:1 wekt Paulus op om “onszelf te reinigen van alle bevlekking van het vlees en van de geest”. Hij waarschuwt dus niet alleen voor het bedrijven van het kwaad, maar ook voor de bevlekking van de geest, van onze gedachtewereld dus.
En wie durft te beweren dat het lezen van rioolliteratuur de geest niet bevlekt? Van zulke lectuur geldt ook niet de uitspraak: “voor zover zij er aan toe zijn”. Daar is geen leeftijdsgrens voor. Niemand is er wat zulke smeerlapperij betreft “aan toe”. Een leeftijdsgrens “boven de achttien”geldt voor bepaalde films in de bioscoop, maar je vind die niet in de bijbel.
In 1 Kor. 15:33 schrijft Paulus: “Laat u niet misleiden. Verkeerde omgang bederft goede zeden”. Hij doelt daar op de omgang met mensen die de stelling verkondigen en praktiseren: “Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij”. Wie met zulke mensen omgaat, staat op een hellend vlak. Hun redenering, levensopvatting en voorbeeld laten niet na je eigen levens praktijk te beďnvloeden.
Wie een boek leest heeft op een zeer suggestieve manier omgang met de schrijver ervan. Als dat een “vuilspuiter” is – de literaire waarde van zijn oeuvre maakt de zaak alleen maar gevaarlijker – word je in de zwoele, verpeste sfeer van zijn denkwereld ingevoerd.

Het Woord van God zegt: “Legt ook gij dit alles af: toorn, gramschap, boosheid, lastering, vuile taal uit uw mond” (Kol. 3:8; zie ook Ef. 4:29).
En dan wel de vuile taal van een ander lezen?
De Schrift waarschuwt ons tegen “zotte of lichtzinnige taal, die ongepast zijn” (Ef. 5:4).
En dan wel de schuttingtaal van een moderne schrijver in je opnemen? Kom nou!
Helpt dergelijke lectuur ons om te leven naar het voorschrift: “Al wat waar, al wat eerbaar, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is… bedenkt dat” (Fil. 4:8)? Natuurlijk niet. Ze verziekt je geest alleen maar.
Als dan een prof. Zijn menselijke wijsheid stelt boven die van God, die in de Schrift te vinden is, dan houden wij het bij die laatste. Dan volgen wij liever het woord op: “haat zelfs het kleed dat door het vlees bevlekt is”, dan zijn onverantwoord advies.
In de praktijk zal niemand ons kunnen dwingen onze kinderen bloot te stellen aan een hersenspoeling op zedelijk terrein. Met een beetje moeite is er heus wel een boekenlijst op te stellen die acceptabel is. Ik hoop daarover inlichtingen in te winnen. Misschien is er onder onze lezers wel iemand, die ter zake kundig is. Laat hij/zij dan wat van zich laten horen. Hier ligt een taak.
Betekent het voorgaande dat we onze kinderen als argeloze schapen een ontwrichte maatschappij insturen? Allerminst. We zullen ze voorlichten over het mooie wat God in de verhouding man-vrouw gegeven heeft. Aan de hand van de bijbel hebben we ook genoeg gelegenheid hen te waarschuwen voor perversiteit op sexueel terrein. Wat dat betreft is de bijbel up to date.
Ik denk terug aan een conferentie waar zeker enkele honderden jongelui aanwezig waren, en waar Genesis 19 werd besproken “zonder er doekjes om te winden”. Dat maakte een geweldige indruk en velen gingen “gewapend” naar huis terug met een dankbaar hart voor deze bespreking. Voor voorlichting hebben we beslist Wolkers of Van het Reve niet nodig.

We zullen het – denk ik – er wel over eens zijn dat het antwoord op de vraag of onze kinderen alles moeten lezen, beslist “nee” moet luiden. Maar dan zullen we als ouderen ons eerlijk moeten afvragen welke boeken er in onze eigen kast staan en op welke lectuur we geabonneerd zijn.
Kan dat de toets van eerlijke kritiek doorstaan? Als dat niet het geval is, zijn we een stuk gezag kwijt als we onze kinderen het lezen van bepaalde lectuur onthouden. Geen opgroeiend kind, dat middelbaar onderwijs volgt, accepteert ’t dat wij wat wij voor onszelf wel geschikt achten, hem/haar verbieden te lezen.
We lijden in dat geval zelf geestelijke schade en we zijn een slecht voorbeeld voor onze kinderen.