Snel zoeken:
238 jrg 124, 08-1981 Hand in hand 10

Zacharia 14:2
Uit: “Bode des Heils in Christus”, jaargang 124 (1981)

Vraag:
Moet op een verkrachting een huwelijk volgen?

Antwoord:
Deze zonde komt alleen ter sprake in het Oude Testament. Er zijn twee Schriftplaatsen waar in algemene zin over verkrachting wordt gesproken. Ezech. 22:10 vermeldt dat dit kwaad onder de inwoners van Jeruzalem werd gevonden, en Klaagl. 5:11 beschrijft dat de vijanden van Israël zich aan de vrouwen en meisjes vergrijpen. In de toekomst zal dit weer geschieden, zoals Zach. 14:2 voorzegt. Israël gaat nog een bange toekomst tegemoet!
Deze Schriftplaatsen bieden echter geen stof voor de beantwoording van de vraag, zodat we ze laten rusten.

Dan zijn er twee plaatsen waar een geval van verkrachting wordt beschreven, te weten: Gen. 34:1-24 en 2 Sam. 13:1-22. Het is bedroevend dat deze zonde bedreven wordt en in de bijbel vermeld staat, maar anderzijds laat ons dat zien hoe reëel in de Schrift de mens getekend wordt. We aanschouwen niet een vertekend idealistisch mensbeeld, maar we krijgen een beschrijving van de mens zoals hij werkelijk is. Voor de mens die tot zulk kwaad in staat is, is Christus gekomen om het verlossingswerk te volbrengen. Als we dat bedenken wordt onze bewondering voor onze Heiland alleen maar groter. Dat is het positieve wat in verband met dit niet verheven onderwerp opgemerkt kan worden.

In Gen. 34 gaat het over Dina, de dochter van Jakob, die met de meisjes in Kanaän wil kennismaken, maar met een jongeman uit dat gebied in aanraking komt. Of Dina onvoorzichtig gehandeld heeft of misschien zelfs aanleiding gegeven heeft, valt uit het verhaal niet met zekerheid op te maken. Na de verkrachting schijnt ze van de dader toch niet afkerig te zijn. “Hij sprak tot haar hart”, zo lezen we (vs. 3), en ze verblijft in zijn huis (vers 26). Van de jongeman kunnen we zeggen, dat hij in ieder geval bereid is de consequenties van zijn daad te aanvaarden. Hij wil Dina trouwen en een zeer hoge bruidsprijs en huwelijksgift betalen. Door de gruwelijke gewelddaad van Simeon en Levi wordt dit huwelijk echter verhinderd. In 2 Sam. 13 gaat het om Amnon, die in zijn kamer zijn halfzuster Tamar overweldigt. In beide gevallen lezen we de veelzeggende woorden: “Zoiets doet men niet in Israël” en de uitdrukking “schandelijke dwaasheid”.
Amnon is echter van heel wat minder allooi dan Sichem. Zijn liefde slaat om in afkeer. Psychologisch is dat zo te verklaren, dat hij zijn gevoelens van schuld en onbehagen afwentelt op de persoon met wie hij de zonde bedreef. Je vindt daarvan ook in iets bij een kind, dat een schop geeft tegen een tafelpoot omdat hij in zijn onbesuisdheid zich daaraan gestoten heeft.
De uitspraak van Tamar: “Mij weg te zenden is erger dan het ander, dat gij mij aangedaan hebt” wil zeggen dat de schande van haar ongetrouwd te laten nog erger is dan de schande van ontering. Volgens de wet had een meisje dat verkracht was er recht op gehuwd te worden door hem, die dit kwaad bedreven had. We zullen dat nader behandelen.

Er zijn twee Schriftplaatsen, die voorschriften geven in verband met seksuele gemeenschap tussen een man en een niet getrouwd of niet ondertrouwd meisje. In Deut. 22:28, 29 lezen we dat de verkrachter verplicht is aan de vader van het meisje vijftig zilverlingen te geven en haar te trouwen rust niet op het meisje, maar op de man. Dit voorschrift is gegeven ter bescherming van het meisje. Voor haar als geschondene was de kans op een huwelijk erg klein. Bij de schande van de ontering zou dan ook nog de schande van het niet-getrouwdzijn komen.
Om haar die tweede schande te besparen beval de Heer dat de verkrachter haar moest trouwen. Er kwam dan nog een extra bepaling bij, namelijk dat deze man de vrouw die hij zo verkregen had nooit met een scheidbrief mocht wegzenden. Dit is een extra bescherming voor het meisje, en het dient tevens tot weerhouding van het kwaad van verkrachting; denk aan de reactie van de discipelen als de Heer de wegens de hardheid van het hart onder de wet toegelaten scheiding beperkt tot het geval van hoererij (Matth. 19:10).
In Ex. 22:16, 17 is sprake van het geval, dat een man een meisje verleidt. Hier wordt niet over verkrachting gesproken. Als het meisje met de daad van seksuele gemeenschap al niet mocht instemmen, op de toenaderingspogingen van de man was ze in ieder geval wél ingegaan. De man was dan verplicht het meisje tegen de volle bruidsprijs tot vrouw te nemen. Hij mocht daarop dus niet afdingen, bijv. onder de bedreiging dat hij haar anders niet huwen zou.
De vader was echter niet verplicht het meisje aan deze man ten huwelijk te geven. Het kon immers een zeer onbetrouwbaar persoon zijn. Maar ook dan was de man verplicht de volle bruidsprijs te geven. Dit moeten we beschouwen als een soort “smartengeld”.
Kenmerkend is dat in al deze gevallen de vrouwen geen zelfbeschikkingsrecht hadden. We vinden dat ook bij Rebekka (Gen. 24): het feit dat zij met Izaäk zal huwen wordt beslist zonder dat zij daar wat in te zeggen heeft gehad. Het enige wat aan haar overgelaten wordt is de beslissing of ze direct dan wel over een dag of tien zal vertrekken. Dat er toch wel gevallen van vrije keuze voorkwamen bewijst het Hooglied, maar in de teksten die wij nu voor onze aandacht hadden vinden we dat niet. Dit maakt een praktische toepassing van de hier behandelde oudtestamentische gegevens op onze tijd niet gemakkelijker. We kunnen stellen, dat een jonge man na een daad van verleiding of verkrachting bereid moet zijn de consequenties daarvan te aanvaarden. Op grond van bovenstaande gegevens kunnen we echter niet zeggen dat de andere partij verplicht is met een huwelijk in te stemmen.

De vraag is gesteld als een wettische formulering: “Moet op verkrachting een huwelijk volgen”, en is ook beantwoord vanuit gegevens die onder de wet golden. Gezien in nieuwtestamentisch licht zal een minder formeel antwoord gegeven moeten worden. In ieder geval heeft de jonge man in een geval van verleiding of verkrachting ernstig gezondigd. Hij zal dat voor de Heer en voor de ouders van het meisje met diepgaand zelfoordeel hebben te belijden. Van zijn kant zal hij bereid moeten zijn het meisje te trouwen. Het meisje zal zich ernstig moeten onderzoeken of ze tot verkrachting of verleiding geen aanleiding heeft gegeven. In een geval dat zij niet vrijuit gaat geeft niet de wet het antwoord wat zij moet doen, maar Rom. 12:1-3. zij zal voor de Heer hebben te beproeven wat in het gegeven geval zijn wil is.