Snel zoeken:
239 jrg 124, 09-1981 Hand in hand 11

Spreuken 24:27
Uit: “Bode des Heils in Christus”, jaargang 124 (1981)

In deze artikelenreeks werden vragen behandeld, die gesteld waren tijdens een jongerenweekend en die betrekking hadden op de omgang tussen jongens en meisjes. Naar aanleiding van deze reeks bereikten mij vragen van ouders die ik ook graag in deze reeks wil behandelen. Ik hoop dat de jongens zich daarin ook willen verdiepen.

Vraag:
Moeten een jongen en een meisje niet dezelfde ontwikkeling hebben en uit een gelijksoortig milieu stammen om een goed span te vormen?

Antwoord:
Eenzelfde of gelijkwaardige ontwikkeling kan een voordeel zijn, maar is toch beslist geen vereiste voor een gelukkig huwelijk. Het voordeel is at men zich over een groter gebied in de gedachtewereld van de ander kan begeven. We moeten ons daarvan echter niet een te grote voorstelling maken. Veronderstel dat een chemicus thuiskomt en zijn vrouw met allerlei ingewikkelde formules gaat vertellen wat voor procedé hij die dag onderhanden heeft gehad. Het is leuk als zijn vrouw hem dan kan volgen en ze de hele gang van zaken kunnen bespreken. Maar voor de onderlinge verhouding was het misschien veel beter dat de man het werk eens van zich af zette en zich in de gezinsverhouding inleefde. En heel wat mannen zullen thuis liever over wat anders praten dan over het werk waar ze de hele dag mee bezig zijn geweest. Ik bedoel dan de “technische” kant van hun werk. Over de leefsituatie op het werk, de vooruitzichten e.d. moet wel gepraat kunnen worden, maar daar voor is niet direct technische of wetenschappelijke kennis vereist. Zo zal een vrouw er weinig aan gelegen zijn, dat haar man interesse toont voor alle ingrediënten van de maaltijd, die ze heeft klaargemaakt. Maar als hij vraagt hoe het met het huishouden ging en als hij laat merken dat hij haar inspanningen op prijs stelt zal haar dat deugd doen.

Is het verschil in ontwikkeling érg groot dan kan dat problemen opleveren. Het gevaar bestaat dat in zo’n geval de één zich gaat ergeren aan het gebrek aan ontwikkeling bij de ander. Dit zal zich vooral voordoen als de minst ontwikkelde partner in gesprekken over dingen die hem of haar boven de pet gaan, zich niet stilhoudt, maar waanwijs eigen onkunde demonstreert. Dan zal de ander zich gaan generen en dat op een bepaald moment laten merken. Hier is wijsheid nodig en zulke situaties te voorkomen. De één zal moeten leren zwijgen over zaken waar hij of zij geen verstand van heeft (vgl. Spr. 17:28) en de ander zal bij een uitglijder van zijn of haar wederhelft geduld moeten opbrengen en liefst ook een grote hoeveelheid takt om de situatie te redden.
Overigens is het helemaal geen schande als men ten aanzien van bepaalde zaken moet bekennen daarvan geen verstand te hebben. Verder zal de minst ontwikkelde partner er goed aan doen de kloof in ontwikkeling minder wijd te maken door aan algemene ontwikkeling te doen.
Wat verschillen in milieu betreft – daarvoor geldt ongeveer hetzelfde. Misschien moet ik zeggen dat irritatie over elkaars gedrag hier eerder optreedt dan bij een verschil in ontwikkeling. Daar staat echter tegenover, dat een verschil in milieu heel wat gemakkelijker is te verkleinen dan een verschil in verstandelijke ontwikkeling.
De verkeringstijd is wel bij uitstek geschikt om in dit opzicht naar elkaar toe te groeien. In de Bijbel zien we hoe mensen uit een totaal verschillend milieu toch elkaar leerden vinden en een gelukkig span vormden. We hebben daarvan een voorbeeld in Boaz en Ruth. En ook het Hooglied spreekt over een dergelijke verbinding.

Vraag:
Moet een jongeman vóór hij aan de verkering begint niet volwassen zijn en in het levensonderhoud van zichzelf en zijn aanstaande kunnen voorzien? Er staat immers in Gen. 2 dat een man zijn vader en moeder verlaten zal… En bij de diverse huwelijken die de Schrift vermeldt, vinden we altijd dat de man in staat was zijn vrouw te onderhouden.

Antwoord:
De vraagsteller verliest het onderscheid tussen verkering/verloving en huwelijk uit het oog. Van het huwelijk geldt, dat een man zijn vader en moeder zal verlaten. Er wordt niet over een kind of over een jongen gesproken. Een zekere mate van volwassenheid is dus vereist. Het is echter niet doenlijk daar een vaste leeftijd voor aan te geven. Dat doet de Schrift ook niet. De één is namelijk op zijn achttiende jaar volwassen, terwijl een ander het op zijn achtentwintigste nog nauwelijks is. Maar goed, er moet dus een zekere mate van rijpheid zijn voor de man in het huwelijksbootje stapt. Dit mag men echter niet zomaar op de verkering overbrengen.

Hetzelfde geldt voor wat het voorzien in levensonderhoud betreft. Bij het huwelijk kan men die voorwaarde stellen (zie Spr. 24:27), waarbij ik echter wil verwijzen naar wat ik over het studentenhuwelijk opmerkte (Bode, mei, 1981, blz. 99). Eveneens moeten we een uitzondering maken voor gevallen van werkloosheid. Een jongeman kan zijn opleiding voltooid hebben en bekwaam zijn om in zijn levensonderhoud te voorzien, maar er geen kans voor hebben. De sociale uitkeringen stellen hem echter in staat een vrouw te onderhouden, zodat tegen een huwelijk geen bezwaar bestaat. Er zijn genoeg getrouwde mannen, die helaas werkloos zijn, en die hun gezin eveneens onderhouden door middel van de sociale voorzieningen.
Uit het voorgaande mag niet afgeleid worden, dat ik een verkering op zeer jeugdige leeftijd propageer. De beantwoording van vraag 2 (Bode, sept. 1980, blz. 179) bewijst het tegendeel. De eis dat iemand per se volwassen moet zijn om aan de verkering te beginnen, gaat echter te ver. Evenzo mag men niet eisen, dat iemand al in het levensonderhoud van zichzelf en zijn vrouw moet kunnen voorzien voor hij naar een meisje mag omkijken. Wel mogen de (a.s. schoon)-ouders verwachten, dat hun (a.s. schoon-)zoon serieus bezig is met zijn opleiding. Wanneer hij de kantjes eraf loopt en met de gedachte zou spelen straks toch wel een uitkering van sociale zaken los te kunnen peuteren, dan kan men zeer terecht bezwaar maken tegen een verkering.
Wanneer een bepaalde opleiding veel tijd vergt zal men de jongelui erop kunnen wijzen, dat een lange verkeringstijd gevaren met zich meebrengt. Het is heel verstandig hen aan te raden de omgang “kalmpjes aan” te houden. En de jongelui doen er heel verstandig aan deze zorgzame raad goed ter harte te nemen.