Snel zoeken:
251 jrg 125, 08-1982 Over het afstaan van organen

Mattheüs 5:29
Uit: “Bode des Heils in Christus”, jaargang 125 (1982)

Een lezer vraagt ons hoe wij denken over het afstaan van organen na het sterven met het oog op transplantatiedoeleinden.

Wanneer men hiertegen bezwaar zou moeten aantekenen, zou dit zover wij dat kunnen zien alleen kunnen berusten op het feit, dat het lichaam van de overledene door de wegneming van het orgaan verminkt wordt. Misschien zullen sommigen, die gevoelsmatig tegen een dergelijke ingreep zijn, verband proberen te leggen met de argumenten die tegen crematie in te brengen zijn.
Een dergelijk verband is echter alleen geforceerd tot stand te brengen. We kunnen daarop slechts beperkt ingaan, en verwijzen graag naar Toets 7 “Crematie, bijbels verantwoord?”.
Crematie in de moderne tijd is voortgekomen uit weerstand tegen de prediking van de opstanding. Bij crematie gaat de gedachte aan “zaaien”, die de Schrift aan het begraven verbindt, totaal teloor. Wie zich laat cremeren, laat een handeling verrichten die tegen de geest van de Schrift indruist. Dit kan men van orgaanverwijdering niet zeggen.
Wat de idee van verminking betreft, moeten we bedenken, dat de Schrift verminking in verband met godsdienstige motieven – om de godheden te vermurwen – afkeurt. Zoiets gebeurde in het heidendom; het werd aan Israël verboden, ook als rouwgebruik. Ieder begrijpt, dat dit voor christenen ten aanzien van God natuurlijk ook geldt. Door lichamelijke kastijding of ook zelfverminking mogen en kunnen we ons niet voor God aangenaam maken. Ook zullen we ons lichaam, dat een machtig scheppingswerk van God is, niet mogen verminken ter voorkoming van bepaalde zonden. Ik denk hierbij aan castratie. Men zou een beroep kunnen doen op Matth. 5:29 e.d. maar dit beroep is naar mijn overtuiging niet terecht. De daar weergegeven woorden van de Heer moeten niet letterlijk opgevat worden. Dat blijkt al uit het feit, dat er niet van “ogen”, maar van “rechteroog” sprake is. Als ik voorkomen wil, dat ik verleid wordt door wat ik zie, zou ik beide ogen moeten uittrekken.
Verder moeten we bedenken, dat door bedrijfsongevallen en andere ongelukken, door noodzakelijke medische ingrepen, enz. heel wat verminkingen plaatsvinden. Bovendien verteren de organen na e dood zeer spoedig en keren ze terug tot stof. Dat alles staat echter de opstandinggedachte en de realiteit daarvan niet in de weg.
We kunnen het dan ook moeilijk anders zien, dan dat orgaanverwijdering (waarbij we na onze dood nota bene anderen ten dienste zijn), geen ongeoorloofde ingreep is, om het niet sterker te zeggen.
Een steuntekst hebben we in 1 Joh. 3:16 waar staat, dat we schuldig zijn ons leven voor de broeders in te zetten. Daarbij is – om zo te zeggen – een orgaanverwijdering na de dood, of een orgaantransplantatie bij het leven nog maar “kinderspel”.

Een andere mogelijkheid wordt door onze broeder ook geopperd, namelijk dat men zijn lichaam ter beschikking stelt van de wetenschap. We voegen er aan toe het geval dat men toestemming verleent om sectie te verrichten in geval van een bepaalde ziekte.
In het laatste geval wil men de oorzaak van de betreffende ziekte proberen op te sporen. Daardoor kan men met de verworven kennis anderen dan misschien helpen. Bij het ter beschikking stellen gaat het ook om een dienstverlening aan de medische wetenschap, maar dan meer in algemene zin. Het gaat er dan niet om een bepaalde ziekteoorzaak op te sporen, maar het lichaam wordt gebruikt voor het verkrijgen van praktische chirurgische bekwaamheid.
Het is begrijpelijk, dat de gedachte aan wat er dan gebeurt vooral de nabestaanden tegen de borst zal stuiten. Hoewel met grote aarzeling durven we toch niet te stellen, dat dit ongeoorloofd zou zijn. Hier betreden we het terrein waar ieder voor zijn eigen geweten verzekerd moet zijn. Meent iemand dit te moeten doen, dan zou naar onze gedachte toch voor een begrafenis gezorgd moeten worden. Zover ons bekend kan men bij zijn donatie toestemming bedingen. We beseffen, dat dit niet een opwekkend onderwerp is, maar we hebben de realiteit onder ogen te zien.
Overigens kunnen we ons ook voorstellen dat er gelovigen zijn, die ten aanzien van deze problematiek stellen: “Laat de doden hun eigen doden begraven…” We bedoelen dan dat zij het ter beschikking stellen met het oog op chirurgische ingrepen aan hen overlaten, die “geestelijk” dood zijn en in deze dus geen godsdienstige bezwaren hebben.

De vraagsteller betrok ook het geval van bloedtransfusie in zijn vraag. We verwijzen hiervoor graag naar Toets 3: “Jehova’s getuigen, uitverkoren of misleiden”, waar vanaf blz. 24 uitvoerig op dit vraagstuk wordt ingegaan.