Snel zoeken:
De 'nieten' van Johannes 1:1-13

Johannes 1:1


In Jh 1:1-13 komen we een aantal keren het woord 'niet' tegen. Dat klinkt nogal negatief, maar het voert naar een heel positief punt. Kijkt u maar:
1 "Zonder Hem is niet ťťn ding geworden dat geworden is" (vs 3) . Dat vers zegt dat er niets ontstaan is buiten de Heer Jezus om. Hij was bij God en Hij was wat zijn natuur betreft God en heel de schepping dankt haar bestaan aan Hem.
2 "En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen" (vs 5). In Jezus Christus was het leven en het leven was het licht van de mensen. Dat licht schijnt in de duisternis van deze wereld. Duisternis vanwege de zonde. Normaal verdwijnt duisternis als er licht gaat schijnen. Maar met deze duisternis die de wereld beheerste was dat niet zo. De duisternis heeft het licht niet begrepen of gegrepen. Dat wil zeggen dat de duisternis niets aan het licht gehad heeft, ze is er niet door veranderd.
3 Voordat de Heer Jezus openlijk optrad had God een mens gezonden om van het licht te getuigen opdat alleen die hem hoorden zouden geloven. Johannes was de voorloper van de Heer Jezus. De mensen vonden hem geweldig en luisterden naar zijn boodschap. Nu bestond het gevaar dat ze Johannes de Doper voor de mens zouden aanzien die het licht in de wereld brengen zou. De schrijver van het evangelie ontzenuwt deze gedachte en zegt: "Hij was het licht niet" (vs 8). Dat is de derde keer dat we het woordje 'niet' lezen. Johannes was niet zelf het licht, hij kwam alleen om van het licht te getuigen. Maar dat was op zichzelf al geweldig. Het waarachtige licht was de Here Jezus en bij zijn komen verlichtte Hij ieder mens. Dat wil niet zeggen dat ieder mens zich bekeerde en tot geloof in Hem kwam, nee het zegt alleen dat het licht van de Christus op de mensen viel. Het is ermee als met de zon. De zon verlicht de mensen, maar of de mensen dat licht ook laten schijnen in hun woning is maar de vraag. Als je de gordijnen dicht houdt, kan de zon niet in je kamer schijnen. Zo is het ook met het licht dat de Heer Jezus verspreidt. De vraag is of je dat licht laat schijnen in je leven.
4 Helaas was dat toen en ook nu niet altijd het geval. Dit wordt aangegeven met het vierde 'niet' (vers 10). Dat luidt "de wereld is door Hem geworden en de wereld heeft Hem niet gekend". Toen Jezus in het land Kanašn optrad, kende men Hem als Jezus van Nazareth, maar Hij was veel meer dan dat. We lazen al in vers 3 dat alle dingen door Hem geworden zijn. Hij is niet maar een mens, nee Hij was de (mede)schepper van de wereld. Maar de wereld als zodanig kende Hem niet. Veronderstel dat koningin Beatrix een stadje in Nederland bezoekt en daar rondwandelt en niemand haar zou herkennen en haar als koningin zou begroeten. Dat zou ze vast niet leuk vinden. Zo was het echter met de Heer Jezus. De wereld kende Hem niet. Dat was niet pure onwetendheid, maar schuldige onwetendheid. Ik denk dat je bij het woord "kende Hem niet" ook wel mag denken aan 'erkende Hem niet". De wereld 'moest Hem niet'.
5 Het volgende 'niet' is nog schrijnender. Het luidt als volgt:"Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen" (11). Met 'het zijne' wordt gedoeld op het volk IsraŽl. Dat was zijn eigen volk, maar in plaats dat de zijnen (dat zijn de IsraŽlieten) Hem als hun Heer en koning erkenden, verwierpen ze Hem en verwezen ze Hem naar een kruis. Een vreselijke daad met vreselijke gevolgen. Ze bleven daardoor een slavenvolk geknecht door de Romeinen, maar ook geknecht door de zonden.
6 Maar dan komen er drie 'nieten' die bij elkaar horen en die voorafgegaan worden door een heel positief 'maar'. Dat positieve luidt: "Maar allen die Hem hebben aangenomen, hun gaf Hij het recht kinderen van God te worden, hun die in zijn naam geloven. Niet alle IsraŽlieten verwierpen Hem dus. Er waren er die Hem wel aannamen. Zulke IsraŽlieten en dat geldt ook voor alle mensen uit de volken, gaf hij het recht of de autoriteit kinderen van God te worden. Geweldig is dat!! Maar dan volgen dus de drie nieten en die moeten we stuk voor stuk bekijken; zij die dat recht hebben "zijn niet uit bloed" kinderen van God. Het is dus geen kwestie van bloedverwantschap. Neem een Oudtestamentische illusatratie: KaÔn was de zoon van Adam en Eva, maar op grond van die geboorte, op grond van die bloedverwantschap, zat het wel goed met hem zou je kunnen denken. Maar zo was het niet. Nee, hij wendde zich van God en het heil af. U kunt uit christelijke ouders geboren zijn maar op grond daarvan bent u nog niet uit God geboren.
7 Het tweede niet in vers 13 zegt dat het recht hebben om kinderen van God te worden"niet uit de wil van het vlees is". Als Oudtestamentisch voorbeeld zou je hierbij kunnen denken aan IsmaŽl. God had aan Abraham een zoon beloofd die uit Sara geboren zou worden. Maar toen Sara maar geen kind kreeg besloten ze beiden dat Hagar dan maar aan Abraham een kind zou moeten baren. Hagar kreeg inderdaad een kind, maar dat was niet het kind van de belofte, maar het kind naar het vlees (zie Gl 4:23) en kon niet als geestelijke nageslacht beschouwd worden.
8 Tenslotte komt dan het achtste niet en wel "niet uit de wil van een man". Het is niet de prestatie van een mens om een kind van God te worden. Als Oudtestamentisch voorbeeld kun je hierbij denken aan Ezau. Izašk had hem meer lief dan Jakob en wilde hem de aartsvaderlijke zegen geven. Maar deze gedachte van Izašk gaat (zij het door bedrog van Rebekka en Jakob niet door). Jakob was degene die door God als nageslacht werd gerekend. De man, Izašk, kon daar niets aan veranderen
Er volgt dan na deze 'nieten' een tweede keer 'maar' en wel "maar die uit God geboren zijn".
Deze geboorte is een geestelijke geboorte en heeft te maken met het feit of men de Heer Jezus als Heiland en Heer heeft aangenomen. Is dat met u al het geval? Of vertrouwt u op uw christelijke afkomst, op bepaalde rituelen die aan u zijn voltrokken of op dat wat uw vader of moeder voor u hebben gedaan. Hoe goed bedoeld dat ook mag zijn zet dat uit uw gedachten en neem de Heer aan als degene die het offer voor u op Golgotha wilde volbrengen. Alleen dan heeft u het recht u een kind van God te noemen.