Snel zoeken:
012 jrg 100, 06-1957 De gelijkenis van de heer des huizes

Lukas 13:22
De gelijkenis van de heer des huizes

De vraag
Aan het slot van het artikel over "de gelijkenis van de bruiloft" hebben we reeds opgemerkt, dat God in Lukas 13 :22-30 de bewering ontzenuwt van mensen, die zeggen, dat de behoudenis een voorrecht is van weinig uitverkorenen.
In Lukas 13 : 23 lezen we dat iemand aan de Heer de interessante vraag stelt: "Zijn er maar weinigen, die behouden worden?" Over zulke dingen wil men wel discussiŽren. Een gesprek met de mensen over allerlei leerstukken gaat meestal vlot, zolang hun persoonlijk heil en de persoonlijke verantwoordelijkheid om zich te bekeren, maar niet ter sprake komen.
De Heer Jezus kent het hart van de mens en daarom gaat hij op de vraag zelf helemaal niet in. Als iemand meent dat hij zich kan verschuilen achter "weinigen zijn uitverkorenen", of als hij alleen maar eens wil praten over het feit op zichzelf, zonder er een hartezaak van te maken, wijst de Heer meteen op de persoonlijke verantvoordelijkheid. Wat had de vragensteller er voor nut van, of er velen of weinigen behouden werden, als hij er zelf niet bij hoorde? Wat heeft de verloren zondaar eigenlijk met uitverkiezing te maken?

Het antwoor
In de bergrede had de Heer feitelijk de vraag reeds beantwoord met de woorden:
"Gaat in door de nauwe poort, want wijd is de poort, en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor ingaan,- want nauw is de poort en smal de weg, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden" (Matth. 7:13, 14).

Men moet de nauwe poort binnnengaan en het smalle pad vinden.
Men komt er niet vanzelf. Maar voor iedereen geldt de belofte: "zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden". In het antwoord, dat de Heer in Lukas 13 : 24 geeft, komt de persoonlijke verantwoordelijkheid nog duidelijker naar voren. Hij zegt nu niet "gaat in" of "zoekt", neen, de Heer antwoordt zo sterk mogelijk: "Strijd om in te gaan door de nauwe deur". Niemand heeft een voorwendsel om buiten te blijven staan. Het is nutteloos om er over te debatteren of de verlossing voor iedereen is, of dat deze beperkt blijft tot de weinige uitverkorenen. Er is strijd voor nodig, om binnen te gaan, men komt er niet vanzelf.

Hinderpalen
Er is energie voor nodig om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan (Matth. 11 : 12). Ook in onze tijd zijn er farizeeŽn, die zelf niet binnengaan en hen die wel naar binnen willen, proberen tegen te houden. Men moet zich losrukken van allen die ons trachten te weerhouden. Onze vrienden willen ons terughouden; we moeten hun gezelschap prijsgeven. Onze man, vrouw, vader of moeder wil ons verhinderen Christus aan te nemen; we moeten familiebanden geweld aandoen. Godsdienstige mensen wijzen ons op allerlei teksten, waarin gesproken wordt van "weinigen uitverkorenen" e.d. Maar we mogen ons door niets of niemand laten weerhouden om ons met een berouwvol hart aan de voeten van de Heiland te werpen, met een "erbarm U over mij" op de lippen.
Ja, de deur is nauw, we kunnen er maar alleen door. De wereld moeten we achterlaten en het leven in de zonde kan niet met ons mee.

Tegenwerpingen weerlegd
"Ja", zult u zeggen, "maar zo eenvoudig is het nog niet. Al strijd je nog zo, je kunt toch niet altijd binnengaan. Het moet God maar behagen je zijn Geest te geven. Doet Hij dat niet dan kun je strijden en worstelen, maar je blijft buiten". Men beroept zich dan nog op het tweede deel van Lukas 13 : 24: "Want velen, zeg ik u, zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen".
Kan men dan een eerlijke zoeker zijn en toch verloren gaan? Zou dit de bedoeling van de Heer zijn? Spreekt Gods Woord zich dan zo tegen? Aan de ene kant: "zoekt en gij zult vinden" en daarnaast: "zoeken in te gaan en zullen niet kunnen"!
Neen, de Heer bedoelt heel wat anders. Een verklaring van het slot van Lukas 13 : 24 geeft de Heer in vers 25:
"Nadat de heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heer doe ons open! En hij zal antwoorden en tot u zeggen~ Ik ken u niet vanwaar gij zijt*'.
Alle tegenwerpingen van godsdienstige mensen, dat velen niet zullen kunnen ingaan, al willen ze dat nog zo graag, kunnen daarmede worden weerlegd. Uit vers 25 blijkt immers dat dit niet slaat op deze tijd, want de deur is nog niet gesloten.
Nu is het de dag der genade. God wil nog steeds dat alle mensen tot behoudenis komen en de nauwe deur binnengaan. Helaas willen velen niet naar Gods roepstem luisteren. God wil wel, zij willen niet. Ieder die nu zoekt binnen te gaan, die vindt en wie klopt zal worden opengedaan.

De deur wordt gesloten

Er komt echter een ogenblik, dat God de deur der genade sluit. Een
beeld daarvan zien we bij de ark van Noach. Nadat de bouw voltooid was, liet God nog zeven volle dagen de deur uitnodigend openstaan. Maar niemand kwam binnen dan Noach met zijn bloedverwanten. Toen sloot God toe. De Heer Jezus heeft gezegd dat in de toekomst de mensen net zo zullen zijn als in de dagen vůůr de zondvloed: etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende. De open deur wordt veracht, totdat de ark des behouds gesloten wordt. Door de dood sluit God voor ieder persoonlijk de deur der genade. Straks als de bedeling der genade voorbij is, zal echter voor allen de deur gesloten worden. Dan baat het niet, of men Hem heeft horen prediken in de straten. Men kan zelfs met Hem hebben gegeten en gedronken aan zijn tafel en toch verloren gaan. Bezoek van kerk of samenkomst, noch doop of belijdenis kunnen baat brengen voor hen, die niet door de nauwe deur zijn ingegaan. Dan zal men beginnen buiten te staan. Daarbij zullen velen zijn, die zo goed de boodschap der genade weten. Ze hebben op de eerste plaatsen gezeten, toen de blijde boodschap werd gebracht. Christus is hun, als onder hen gekruisigd, voor ogen geschilderd. Toch zullen zij danachterblijven en moeten toezien hoe anderen, die misschien slechts een enkele keer het evangelie hebben gehoord, binnen zijn. Dan zullen de schijnvromen van deze tijd, die de bijbel uit hun hoofd kennen met een ongelovig hart, evenals de Joden als laatsten gesteld worden, maar dan voor eeuwig. Velen, die verre waren, zoals de heidenen, zullen aanzitten met Abraham, Isašk en jakob in het koninkrijk Gods. J. G. F. jr.