Snel zoeken:
611 jrg 124, blz. 84 1981 heilige schaar lofzingend

J. G. FIJNVANDRAAT

Vraag:
"De heiligen-schaar lofzingend in zijn woning" (lied 148: 1) moet een schaar van ontslapen heiligen zijn, want "En wij ook" (vers 2) ziet op de gelovigen hier op aarde. "Juichend brengen hemelkoren " (lied
154:3) moet ook zien op ontslapen heiligen in het paradijs, met wie wij op aarde één zijn.
Is er een Schiiftplaats waarin iets meegedeeld wordt over een gemeenschappelijke aanbidding ("schaar" - "koren') nu in deze tijd van zielen in het paradijs?
Is die tekst er niet, waarop steunt dan deze veronderstelling?
B. te G.

Antwoord:

Bij de termen "heil'genschaar" en "hemelkoren" kunnen de dichters gedacht hebben aan ontslapenen of aan engelen. Van de ontslapenen weten we, dat ze een bewust bestaan leiden en met Christus zijn. Fil. 1: 23 spreekt van ontbonden en met Christus te zijn, wat verreweg het beste is. 2 Kor. 5: 8 toont dat de ontslapenen het verblijf in het lichaam verlaten hebben en bij de Heer wonen. Dit vers moet wel op het sterven zien, in tegenstelling tot vers 1 en 2 waar op de tijd van de wederkomst en de verandering van het lichaam gedoeld wordt.
Luk. 16:19-31 beschrijft heel duidelijk de plaats van heerlijkheid waar de gelovigen na hun sterven heengaan.
Luk. 23:43 bevat de bekende woorden van de Heer gericht aan de boosdoener: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn". Dat ze daar in een bewuste toestand verkeren is duidelijk, anders kon er geen sprake zijn van "verreweg het beste". Hier op aarde zou men dan immers meer de gemeenschap met Christus ervaren dan daar. Het "met Christus" zijn zou dan ook geen inhoud hebben en het verblijf van Lazarus in de schoot van Abraham zou nooit zo geschilderd hebben kunnen worden als in Luk. 16 gedaan is.
Dit bewuste bestaan na de dood blijkt ook uit Openb. 6: 9-11.

De overledenen zijn echter in het paradijs in een onvolkomen toestand als mens gezien. Ze missen het lichaam en dat hoort er wel degelijk bij. Maar hoe kan er dan in Luk. 23 sprake zijn van: "ogen opslaan", "vinger dopen", enz.? Dit probleem lijkt moeilijker dan het is. Van de Here God staat, dat zijn ogen de hele aardbodem doorlopen. Verder is er sprake van zijn voeten, e.d. En dit terwijl de Heer Jezus gezegd heeft: "God is een geest"(Joh. 4:24) en "een geest heeft geen vlees en beenderen" (Luk. 24: 39). Van handen en voeten in de zin zoals wij die kennen is er dus geen sprake. Maar er is wel waarneming, handeling, enz. Om dat weer te geven kan de Schrift niet anders dan zulke "aardse" aanduidingen gebruiken. De overledenen verkeren dus wat hun mens-zijn betreft in een onvolkomen staat. In hoever hen dat beperkingen oplegt, weten we niet. Duidelijke aanwijzingen dat ze God lofzingen hebben we we niet. Wat uitingen betreft kan men zich wel beroepen op 2 Kor. 12:4, waar Paulus getuigt, dat hij in het paradijs woorden gehoord heeft, die het hem niet geoorloofd is uit te spreken. De moeilijkheid is alleen, dat de apostel niet zegt wie die woorden geuit hebben. Het valt niet aan te tonen dat het om uitingen van ontslapenen gaat.

Zelf heb ik bij het zingen van deze verzen nooit aan ontslapenen, maar aan engelen gedacht. Daarbij moeten we dan twee dingen voor lief nemen, namelijk dat in het nieuwe testament de engelen nooit als heiligen worden aangeduid, dat woord betreft alleen gelovigen; en dat van engelen nooit gezegd wordt dat ze zingen. Hoe we het dus ook beschouwen, er is op de gewraakte dichtregels wel wat aan te merken. Het lijkt me echter toe, dat dit nog geen verhindering behoeft te zijn om te zingen. Ons kennen is immers onvolmaakt. Er kan in de onzichtbare wereld heus wel meer plaatsvinden dan wij weten en ons bekend gemaakt is.
Als volgens Openb. 5: 13 alle schepsel God zal "lofzeggen", als volgens Rom.8:22 de hele schepping "zucht" en als volgens Psalm 98:8 de rivieren "in de handen klappen", dan heb ik geen moeite met lofzangen vanuit het paradijs en met zingende engelen. Dan kan de intentie voor de realiteit gerekend worden. Een dichter moeten we trouwens iets meer vrijheid gunnen dan een schrijver van een artikel. Dit laatste schrijf ik dan nu wel met bijzondere schroom.