Snel zoeken:
614 jrg 125, blz. 42 Oorlogvoeren

1-Koningen 2:5
Vraag:
Waarom mocht een christen in de tijd van het Oude Testament oorlog voeren tegen de goddelozen, terwijl wij naar het voorbeeld van Christus onze vijanden moeten liefhebben en niet mogen doden?
J. v.d. V. te V.

Antwoord:
Eerst even een kleine korrektie op het gebruik van het woord "christen" voor de gelovigen van de oudtestamentische bedeling. In die tijd waren er namelijk nog geen christenen. Niet alleen kende men die naam nog niet (zie Hand. 11:26), men bezat ook nog niet de christelijke positie in deze wereld. En dat bepaalt nu juist het verschil in gedrag waarop de vraagsteller doelt.

Verder is het goed te bedenken, dat we het gebod "Gij zult niet doodslaan" niet zomaar gelijk mogen stellen met "Gij zult niet oorlogvoeren". De IsraŽliet mocht in het algemeen gezegd - net zo min iemand doden als wij. Als echter iemand onder de wet God lasterde, dan moest hij wel degelijk gedood worden. Het gebod "Gij zult niet doden" heeft dus niets met het wel of niet toepassen van de doodstraf te maken. Zo was het onder IsraŽl toegestaan dat een bloedwreker een doodslager doodde.
Eenarmigezelfde soort onderscheid moeten we ook maken wat het doden in oorlogstijd betreft. Enerzijds gaf God IsraŽl het gebod: "Gij zult niet doodslaan", anderzijds moest IsraŽl in opdracht van God diverse oorlogen voeren. Zelfs wanneer het ging om oorlogen die zeker niet door God geboden waren - denk aan de broederkrijg tussen "Juda" en "IsraŽl" in de tijd van David en de latere koningen - heeft God het doden in de strijd niet als bloedschuld gerekend. Het onderscheid tussen het ene doden en het andere komt heel duidelijk uit in het woord van David over Joab, die Abner vermoordde. Hij zegt van deze hardvochtige veldheer: "In vredestijd heeft hij bloed vergoten als was het oorlog" (1 Kon. 2: 5).

IsraŽl voerde als volk van God de oorlogen des Heren. Zij leefden onder de wet en voerden al strijdend de oordelen des Heren over bepaalde volken uit. Zij hadden een erfdeel dat hun van Godswege geschonken was, het land Kanašn, waar God zijn naam deed wonen en waar Hij door hen gediend wilde worden. Dat erfdeel moesten zij verdedigen tegen de vijanden.
Wij christenen voeren echter geen oorlog, immers:

a. Het is de tijd van de genade, waarin we het heil van God aan de mensen mogen aanbieden. God oordeelt de volken niet in deze tijd. Hij heeft om zo te zeggen het oordeel opgeschort. Straks zal het onverbiddelijk komen over hen die God niet kennen en over hen die het evangelie van Jezus Christus ongehoorzaam geweest zijn. Nu is dat echter nog niet het geval.

b. Wij hebben geen aardse positie, maar nemen dezelfde positie als Christus in deze wereld in. We zijn wel in deze wereld, maar niet van de wereld (Joh. 17). Wij bezitten geen aards erfdeel, dat God ons geschonken heeft en dat we terwille van zijn eer hebben te verdedigen.
We komen dus niet in opstand tegen hen die ons om het geloof vervolgen; we zullen het lijden aanvaarden, zoals Christus dat gedaan heeft (1 Petr. 2:21-23). Hoewel we hen niets verwijten zullen, moeten we toch zeggen, dat het de fout van de Hugenoten na de BartholomeŁsnacht (24 augustus 1572) geweest is, dat ze naar de wapens grepen.

We stuiten hier op een punt, dat een grote rol gespeeld heeft bij de afzwering van Philips de Tweede. Veel regeerders van de noordelijke Nederlanden waren christenen. Ze zaten met het voorschrift, dat we de overheid moeten gehoorzamen eigenlijk in hun maag. Hoe was namelijk de opstand legen Philips hiermee in overeenstemming te brengen en hoe kon men ooit een wettig vorst afzweren? Wel, men heeft daartoe een oplossing menen te vinden in de in de redenering , dat de overheid Gods dienares behoort te zijn, maar dat ze, als ze dat heel duidelijk niet is (anders gezegd: als ze haar taak niet vervult) het regeerambt onwaardig is en dan is opstand gewettigd. Men beriep zich daarbij op het Oude Testament (vergelijk Calvijn "Institutie" IV 20,30), waarbij het hierboven aangegeven onderscheid tussen de christen van nu en de gelovige IsraŽliet van toen totaal uit het oog verloren werd. De apostel Paulus roept ons op de overheid onderdanig te zijn, en dat was de Romeinse overheid, die haar taak als dienaresse Gods toch echt niet naar behoren heeft uitgevoerd! Over dat laatste hebben de christenen echter niet te oordelen. Dat is Gods zaak. Nergens in het Nieuwe Testament worden we opgeroepen een nalatige overheid tot de orde te roepen, laat staan haar aan de kant te zetten.

Met het voorgaande heb ik nog niet beweerd of ontkend, dat een christen als hij als burger van een bepaald land opgeroepen wordt om in militaire dienst te gaan, dat moet weigeren. Dit is namelijk een heel ander vraagstuk. Immers de christen voert dan geen strijd tegen zijn eigen wettige overheid, maar juist vůůr die overheid. Ten tweede strijdt hij niet als christen tegen zijn vervolgers, maar als burger van een bepaald land tegen een buitenlandse indringer (ik heb hier het oog op een verdedigingsoorlog).
Over dit vraagstuk is echter heel wat meer te zeggen en "onder ons" heerst hierover beslist geen eenstemmigheid. Ik laat dit probleem hier dan ook liggen omdat het, dacht ik, de vraagsteller niet om dat probleem ging.

De bedoeling van de vraag zouden we heel anders geformuleerd zo kunnen weergeven: "Waarom mocht Elia vuur van de hemel afbidden, over de hoofdman en zijn vijftig soldaten die hem gevangen wilden nemen, terwijl de discipelen die hetzelfde wilden doen met de Samaritanen, die nota bene de Messias Zelf schandelijk behandelden, door de Heer terecht gewezen worden?" Wel, dat zit hem nu precies in het verschil in bedeling. De wet is door Mozes gegeven, genade en waarheid is door Jezus Christus geworden. In de tijd van IsraŽl, onder de wet, liet God in bepaalde gevallen door middel van zijn diensknechten zijn oordeel neerkomen op hun tegenstanders; in onze tijd openbaart God echter zijn genade en zullen ook wij onze medemens genade bewijzen.