Snel zoeken:
627 jrg. 131, blz. 153 1988 Vraag Gen 3:15

Genesis 3:15
Vraag:
Wat wordt in Gen. 3 : 15 met de slang, het zaad van de vrouw, enz. bedoeld?

Antwoord:
Dit vers heeft een direkte en een indirekte, geestelijke of symbolische betekenis.
Het is ermee als met de voetwassing in Joh. 13. De daad van de Heer liet zien dat ieder van de discipelen voor de ander de minste moest willen zijn. Die betekenis konden ze direkt begrijpen. De Heer vroeg dan ook: 'Verstaat gij wat ik u gedaan heb?' en Hij geeft daarop zelf het antwoord, dat als Hij de Meester en Heer voor hen 'het minste werk' wilde doen, zij dat voor elkaar ook moeten doen (vs. 12-17). Deze handeling had echter ook een diepere zin. Daarop doelde de Heer, toen Hij tegen Petrus zei: 'Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna-begrijpen' (vs. 7). Om dat te begrijpen moeten we weten dat water een beeld is van het Woord van God en dat we tijdens onze wandel hier op aarde (daarvan spreken de voeten) door dat Woord van besmetting gereinigd moeten worden. We behoeven dan niet weer geheel gewassen te worden, zoals gebeurde bij onze bekering - maar wel gereinigd van de besmetting die we oplopen tijdens onze wandel in deze zondige wereld.
Een handeling kan dus een dubbele zin hebben. En met een bepaalde uitspraak kan dat ook zo zijn.
Dan nu terug naar Gen. 3 : 15. De eerste, direkte betekenis is dat God tussen het dier 'slang' en tussen de vrouw en haar nageslacht vijandschap zet. De mens heeft - enkele fakirs niet meegerekend - een hekel aan slangen en waar hij woont zal hij trachten ze uit te roeien. Daarbij doodt hij een slang door het dier de kop te vermorzelen; omgekeerd zal de slang een mens die in het veld wandelt in het onderbeen bijten.
Deze woorden, door de Here God gesproken, hebben echter ook een diepere zin. En om die zin gaat het in feite. Met de woorden: 'En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw', richt de Here God zich over het dier 'slang' heen tot de satan die de slang gebruikte. Satan wordt met de 'slang' geidentificeerd en heet dan ook in Openb. 20:2 de'oude slang'.
Onder het zaad van de slang moeten we de dienstknechten van Satan verstaan. Mensen die hem toebehoren en dienen (vgl. Hand. 26: 18; Joh. 8: 38,41,44).
Het aanwijzend voornaamwoord 'dit' in Gen. 3 : 15b slaat terug op 'haar zaad', dat is het zaad van de vrouw. Met het zaad van de vrouw wordt gedoeld op de gelovigen. Tussen deze beide soorten 'zaad' of 'nageslacht' bestaat vijandschap. Deze gaat niet uit van het zaad van de vrouw maar van het slangenzaad. We zien die vijandschap al direkt naar voren komen in Gen. 4. KaÔn, de mens naar het vlees, keert zich tegen Abel en doodt hem zelfs. De hele bijbel legt van deze vijandschap getuigenis af.
We zien dit naar voren komen in de geschiedenis van IsmaŽl en Izak, in die van Ezau en Jakob en later in de geschiedenis van IsraŽl in Egypte, enz. Tot in het laatste bijbelboek toe zien we de uitingen van deze vijandschap. Denk aan Openb. 12 waar we lezen hoe de draak het zaad van de vrouw vervolgt. Zie ook Openb. 17 en 18 waar we Babylon, de grote hoer beschreven vinden, die dronken is van het bloed der heiligen.
Het duidelijkst komt deze vijandschap naar voren in de houding van 'de wereld' tegenover Hem, die bij uitstek 'het zaad van de vrouw' genoemd kan worden. We denken dan aan Jezus Christus. Van Hem wordt in Gal. 4:4 gezegd, dat Hij is 'geboren uit een vrouw'. Zoals de term 'zaad' in Gen. 22:18 op Christus slaat (zie Gal. 3:16) zo ziet de term 'haar zaad' uiteindelijk op Christus. Ik gebruik hier welbewust het woord 'uiteindelijk', want in dit geval is er zeker ook de vijandschap tussen de kinderen van deze wereld en de kinderen Gods mee bedoeld. Dat aspect verliezen we helaas wel eens uit het oog.
Ook het slot van het vers vraagt om een dubbele verklaring. Hier wil ik met de diepste betekenis van deze uitspraak beginnen. Die betekenis is dat Christus Satan alle macht zal ontnemen. Dat wordt bedoeld met 'de kop vermorzelen' waarbij de kop of het hoofd gezien moet worden als het bestuurscentrum van het lichaam of het bestaan. Daarentegen zal Satan Christus doen lijden in zijn wandel hier op aarde. Dat is de zin van de woorden 'de hiel vertnorzelen', waarbij de hiel (de verzenen) duidt (duiden) op de wandel.
Het eerste vinden we in eerste instantie vervuld op het kruis. Daar is 'hij te niet gedaan, die de macht van de dood had, dat is de duivel' (Hebr. 2:14). De nadere uitwerking zien we als Satan voor de tijd van duizend jaar in de afgrond geworpen wordt. De uiteindelijke, finale vervulling vindt dit woord als hij voor eeuwig wordt geworpen in de poel des vuurs (zie Openb. 20). De uitspraak 'gij zult het de hiel vermorzelen' vindt zijn vervulling - wat Christus betreft - hierin dat de Joden Christus gevangen genomen hebben, Hem geslagen hebben en Hem overgegeven hebben aan de heidenen, die Hem bespotten, geselden en tenslotte kruisigden... Toen werd aan de wandel van de Heer - van de kant van Satan en zijn zaad gezien - wreed een einde gemaakt.
Zoals opgemerkt is dit niet de enige betekenis, hoewel wel de belangrijkste. Om met het laatste aspect te beginnen: ook de gelovigen worden vervolgd door Satan en zijn zaad. Die vervolging rekent Christus trouwens als een vervolging van Hemzelf. Dat blijkt uit de woorden van de Heer gericht tot Saulus, de vervolger van de Gemeente:'Saul, Saul wat vervolgt gij mij'. Satan gaat nog steeds rond als een brullende leeuw (1 Petr. 5:8) of als een engel des lichts (2 Kor. 11:14) om de gelovigen te verderven. Hij kan ze echter alleen aantasten in hun wandel hier beneden. Over hun geestelijk bestaan heeft hij geen macht. Hij kan ze de verzenen vermorzelen, maar niet het hoofd. Op hen die uit God geboren zijn 'heeft hij geen vat' (1 Joh. 5:18).
Integendeel, in de strijd van de gelovige met Satan zal de satan het onderspit delven als de gelovige slechts in de kracht van God hem weerstaat. Het Schriftwoord luidt immers: 'Weerstaat de duivel en bij zal van u vluchten' (Jak. 4:7; vgl. 1 Petr. 5:9). Het gaat echter nog verder. Eens zullen de gelovigen hem met voeten vertreden. We lezen dat in Rom. 16:20 zo: 'De God nu van de vrede zal de Satan spoedig onder uw voeten verpletteren'. Let wel, de gelovigen doen dat niet in eigen kracht. Het is God die het bewerkt. En toch zijn de gelovigen er daadwerkelijk bij betrokken. Zoals ze mede-erfgenamen van Christus zijn, zo zijn ze ook mede-overwinnaars van Satan. Ook deze, vaak verwaarloosde betekenis verdient onze aandacht. Niet om onszelf daarbij op de borst te slaan alsof wij daarbij in eigen kracht iets presteren. Nee, het gaat enkel daarom dat we zien hoe innig we met Christus zijn verbonden en hoe groot zijn genade ten opzichte van ons is. We delen nu met Hem 'het vermorzelen van de hielen'; we delen straks met Hem de finale overwinning op Satan.