Snel zoeken:
656 Hier zal geen steen op de ander gelaten worden

Mattheüs 24:1
Hier zal geen steen op de ander gelaten worden
(Matth. 24:1-31)

De discipelen van Jezus van Nazareth waren net als alle Joden trots op de prachtige tempelgebouwen te Jeruzalem. Je kon hen niet beschuldigen dat ze niet godsdienstig waren. Ze hielden hun tempel in ere en namen hun godsdienstige plechtigheden streng waar.
Allemaal mooi maar…. Hoe zag het er bij hen van binnen uit? Daar komt het toch uiteindelijk op aan. Dat geldt voor ons net zo goed. De ontkerstening van ons volk is beslist geen teken van vooruitgang. Maar hoe zat het eigenlijk met de kerstening die daaraan is voorafgegaan? Is het vaak niet zo dat de ongelovige – en wie zal hem dat kwalijk nemen – is gaan breken met dingen die hij alleen maar als een uiterlijk vertoon hoog hield. Het kerkbezoek loopt terug, maar betekent dat, dat het kerkbezoek vroeger uit reële motieven gebeurde en dat men die motieven overboord heeft gegooid, of dat men brak met ’n huichelachtige vertoning?
In de meeste gevallen zal het laatste het geval zijn. Van dat gezichtspunt uit gezien is de ontkerstening meer een kwestie van duidelijkheid dan van daadwerkelijke afval, en nog niet eens zo’n betreurenswaardige zaak.
Wel betreurenswaardig is het feit, dat zich een schijnvroomheid zo lang heeft kunnen handhaven. Het is bedroevend dat het leven in de Gemeente van Jezus Christus zo dor en doods was, dat schijnchristenen het er ter wille van hun naam of ter wille van hun portemonnee konden uithouden. Eigenlijk had ’t zo moeten zijn dat de schijnchristen door de geheiligde sfeer in de kerk óf tot inkeer kwam óf zijn biezen pakte, één van de twee.
Nu vindt echter iets heel anders plaats. Het geslacht van nu wil realiteit, wil echtheid. Helaas hebben ze die vaak in de Kerk niet aangetroffen, en liever dan er een vertoning van te maken nemen ze zelf het besluit om de band met de kerk te verbreken. De schuld van de ontkerstening ligt niet bij de generatie van nu, maar bij ons, de ouderen, die net als de discipelen van Christus zo trots waren op onze kerkgebouwen, op onze kerkelijke instellingen, op onze rechtzinnigheid, en noem maar op. De fout ligt bij ons, als oudere generatie. En de enige oplossing om nog wat te redden is dat we die schuld voor God erkennen en aan ons godsdienstig leven de inhoud geven die de uiterlijke vorm werkelijk vult. Als dat niet gebeurt zullen er niet alleen nog meer de Kerk verlaten, maar zal tenslotte God ons moeten tuchtigen, zoals dat met Jeruzalem is gebeurd. Van de mooie tempel verklaart Christus, dat geen steen op de ander zal blijven. Dat woord is zo letterlijk mogelijk in vervulling gegaan. Bij het puin van de tempel, dat onder aan de stadsmuur is opgegraven, zijn geen twee stenen op elkaar teruggevonden, sterker, er is geen enkele gaven steen bij.
In zijn profetische rede, die op deze verklaring volgt, wijst de Heer zijn discipelen op de gebeurtenissen die in verre toekomst zullen plaatsvinden. Hij spreekt over oorlogen en geruchten van oorlogen, over het opstaan van valse christussen , over ’t aanbreken van de grote verdrukking, en tenslotte over zijn wederkomst als Zoon des Mensen.
De grote les hiervan is dat, als wij geen orde op zaken stellen, de Heer door de omstandigheden heen dat doet. Hij doet dat met Israël. Maar Hij doet dat ook met de Gemeente. Vandaar dat van deze rede een waarschuwing uitgaat tot ons om niet tevreden te zijn met uiterlijke, godsdienstige dingen, maar ons daadwerkelijk te bekeren en reëel te zijn in ons geloofsleven.