Snel zoeken:
Canon van de Heilige Schrift

Betreft: De canon van de Heilige Schrift

Vraag: Wie heeft bepaald welke boeken in de bijbel mochten worden opgenomen. En wanneer is gezegd: 'Nu bevat de bijbel genoeg boeken'?

Antwoord:

Het begrip canon
Deze vraag betreft de canon van de Heilige Schrift. Het latijnse woord canon is via het Grieks ontleend aan het Hebreeuws. Het is de weergave van het Hebreeuwse woord 'ganeh' dat 'riet' betekent en wel in de zin van meetriet (Ez 40: 3; verg.. Op 11: 1). Zo kreeg het woord 'canon' de betekenis van 'maatstaf', 'regel 'of 'norm' . De boeken waarvan men overtuigd was dat ze tot de Schriften behoorden, achtte men de canon ofwel de regel te zijn voor geloof en levenspraktijk.
Later verstond men onder de canon de lijst van de goddelijke, gezaghebbende boeken, die normatief waren voor leer en leven.

Overtuiging door God gewerkt
De vraag is nu op grond waarvan men een boek tot deze gezaghebbende boeken rekende en wanneer dat is gebeurd.
Die kwestie is niet simpel zo beslist, dat op een zeker moment een bepaald persoon of een aantal personen in vergadering bijeen, geheel zelfstandig even heeft vastgesteld welke boeken men voortaan als canoniek zou beschouwen. De overtuiging dat de 66 boeken van de bijbel zoals wij die kennen, gezaghebbend waren, heeft God in de loop van de tijd gewerkt.
Het ging met de bijbel in feite net als met SamuŽl. God heeft van deze man niet gezegd: 'Hier is SamuŽl, hij is mijn profeet, naar hem moet je luisteren'. Evenmin heeft een bepaalde IsraŽliet of een volksvergadering van IsraŽl dat bepaald. Integendeel, we lezen in 1 Sm 3: 20 dat heel IsraŽl tot de erkenning kwam, dat SamuŽl een profeet van God was. God werkte dus die overtuiging en dat door de wijze van optreden van SamuŽl.

De canon van het Oude Testament
Welnu, een dergelijke overtuiging heeft God onder de Joden gewerkt betreffende de 24 boeken, die bij hen de Tenach vormen. De canon van het Oude Testament stond voor de Joden betrekkelijk kort na de tijd van Nehemia of Maleachi vast.

Er zijn in de oude tijd meer boeken geschreven dan de 24 Joodse heilige schriften. Te denken valt bijv. aan 'het Boek des Oprechten', 'Het boek van de Oorlogen des Heren' . e.d., maar aan deze boeken is nooit het gezag verleend van heilige Schriften te zijn. Ze zijn niet bewaard gebleven en hebben dus nooit een plaats in het Oude Testament (de tenach) gekregen. Na Maleachi zijn er ook nog wel boeken verschenen, zoals het boek Tobia, maar deze hebben er evenmin een plaats in verkregen.
Algemeen werd onder de Joden gesteld dat er na Maleachi geen profeet des Heren meer was opgestaan.

De vergadering te Jamnia
Soms wordt beweerd dat omstreeks het jaar 90 na Chr. de canon van de Joodse heilige schriften is vastgelegd door een aantal rabbies die te Jamnia bijeen waren. Dat is echter onjuist. De canon lag al vast, alleen werden er tegen sommige boeken bezwaren ingebracht en daarover hebben de Joodse geleerden toen gedebatteerd. De bezwaren werden daarbij weerlegd. Er werd dus alleen gediscussieerd over een aantal boeken, die al onder de Joodse heilige schriften gerekend waren.

Aanvaarding door de christenen
Jezus Christus heeft over de oudtestamentische geschriften gesproken als over: de Schriften, de Schrift en Gods Woord. Hij heeft hun goddelijk gezag dus erkend. De apostelen deden dat ook en in navolging daarvan namen de christenen de Joodse canon zonder meer over. Het verschil is alleen dat zij door splitsing tot 39 boeken kwamen in plaats van tot 24; ook zijn de boeken in ons Oude Testament anders ingedeeld.

De canon van het Nieuwe Testament
Op dezelfde wijze als bij de Joodse heilige Schriften heeft God bij het vaststellen van de nieuwtestamentische canon de erkenning ervan gewerkt in de jonge christelijke kerk.
Het heeft wel even geduurd voordat die erkenning algemeen was. Dat heeft te maken met het veel grotere verspreidings - gebied van het christendom. Alle geschriften waren niet overal ineens bekend. Uit aanhalingen bij de zogenaamde 'apostolische vaders' uit het begin van de tweede eeuw kunnen we nagaan welke geschriften door hen als authentiek werden beschouwd. Uit lijsten van bijbelboeken die uit het begin van de derde eeuw dateren blijkt dat er in het westen bijbelboeken bekend waren, die in het oosten niet vermeld werden en omgekeerd.
Langzaam aan kwam er echter duidelijkheid. Bij Origenes (ca. 230 na Chr.) vinden we al de ons bekende boeken opgesomd, waarbij hij vermeldt dat door sommigen de authenticiteit van HebreeŽn; 2 Petr.; 2 en 3 Johannes; Jacobus en Judas betwist wordt. Hijzelf is het daar echter niet mee eens.
Over de boeken en geschriften waar in het begin twijfel over was, is men tenslotte toch tot een eenstemmige overtuiging gekomen.
Daaraan hebben de volgende overwegingen meegewerkt:
a. de schrijver van het boek moest als een (erkende) profeet of als een apostel bekend staan.
b. het boek moest met goddelijk gezag spreken of het moest 'claimen' goddelijk te zijn, b.v. door de uitspraak: 'zo spreekt de Here'.
c. er moest geestelijke kracht van het boek uitgaan. Denk aan Hb 4: 12, waar dit als kenmerk van Gods Woord aangegeven wordt.
d. het boek moest leerstellig en feitelijk juist zijn.
e. het boek moest een goede ontvangst ten deel gevallen zijn bij hen aan wie het gericht was. Anders gezegd: het moest in de eerste eeuwen aanvaard zijn.
Zo werd tenslotte op een drietal concilies bekrachtigd, wat God aan overtuiging bewerkte. Dat waren de concilies te Hippo (393 na Chr.) en te Carthago (397 en 419 na Chr.).

Zo goed als de geschriften uit de tijd na Maleachi onder de Joden niet de erkenning van canoniek hebben verworven, zo hebben de geschriften die na de apostolische tijd verschenen die erkenning ook niet weten te bewerken bij de christenen.. Het was duidelijk: deze horen er niet bij.

Geen enkel bijbelboek is dus gezaghebbend omdat het in de Bijbel is opgenomen, nee, het werd opgenomen in de Bijbel omdat het gezaghebbend was en dat laatste heeft God gewerkt door de inhoud van het boek.