Snel zoeken:
c Christenen zijn een priesterfamilie

Christenen zijn een priesterfamilie Ex. 19:6; 1 Petr. 2:1-10

Naam en begrip:
Priester is afgeleid van het latijnse woord presbyter (grieks: presbyteros)= 'oudste', 'waardigste'. Oorspronkelijk geen religieuze betekenis. De namen voor een priester in Hebreeuws, Grieks en Latijn hebben wel een religieuze betekenis. Die duiden op geheiligde personen, die voor God de offerdienst verrichten. Het hebreeuwse 'kôh?n is w.s. afgeleid van 'kwn'= staan, dat is voor God staan (vgl. Deut. 10:8; 18:7).

Instelling van het ambt of de dienst
Oorspronkelijk bestond er geen aparte stand van priesters (Abel, KaÔn, Noach, Abraham offerden: Gen. 4:3, 4; 8:20; 12:7). IsraŽl als geheel was een priestervolk (Ex. 19:6; vgl. Deut. 7:6). Wel bemiddelende dienst: Ašron is hogepriester, zijn zonen priesters (Ex. 28:1). Na de bondsbreuk (Ex. 32:28, 29; Num. 8:6) wordt de stam Levi aangewezen om dienst te doen bij de tabernakel.

Eerstgenoemde priester in de Bijbel is Melchizedek
Gen. 14:18-20 spreekt ons over de eerste priester en nog wel een priester-koning (vgl. Zach. 6:13}. Hij is een type van Christus en wordt genoemd voor er van priesterschap in IsraŽl sprake is. Tweede priester: Ašron. Christus is priester naar de orde van Melchizedek, maar oefent nu priesterdienst van Ašron uit. (Hebr. 4:14.).

De zonen van Ašron:
Ašron hogepriester type van Christus. Ašrons zonen (huis) type van gelovigen, van de gemeente. Voor ons geldt: algemeen priesterschap!

Wat houdt priesterschap in?
Zonen van Ašron Wij.

- Mogen naderen tot God -(Ex. 19:22; Num. 18:7, 22) Hebr. 10:19 is een geschenk - (Num. 18:7);
- Om te dienen o.a. offeren - (Deut. 21:7; Lev. 10; Hos. 14:3) a) Hebr. 13:15; 1 Petr. 2:4, 5;
Joh. 4:20-24;
b) Hebr. 13:16; Fil. 4:18;
c) Rom. 12:1; 1 Petr. 2:9;
- Schikken v. toonbroden -(Num. 4:7);
- Onderhoud v.d.kandelaar -(Ex. 27:21);
- Bewaken - heiligheid - (Num. 3:38);
- Zorgen voor reinheid - (Lev. 13, 14; Matt. 8:40 1 Kor. 5;
- Oproepen ter vergadering of tot de strijd -(Num. 10);
- Rechtspreken -(2 Kron. 19:8) 1 Kor. 6;
- God bevragen - urim en tummim Jak. 1:5;
- Wet onderwijzen - Lev. 10:1, 11; Deut. 24:8; 33:10;
- Volk zegenen - Num. 6:22-27; Deut. 21:5.

Voorwaarden
- Geen lichaamsgebrek - Lev. 21:17 (wel eten Lev. 21:22, 23);
- Gehuwd met een maagd - Lev. 21:7, 13; Ezra. 10:18;
- Geen drank - Lev. 10:8;
- Niet aan dode verontreinigen - Lev. 21: 1-4, 11;
- Geen heidense gebruiken - Lev. 21:5;
- Geen rouwgebruiken - Lev 21:10.

Deze zaken hebben voor ons een geestelijke betekenis, we kunnen geen priesterdienst verrichten als:
- We geestelijk niet goed staan voor God;
- We onreine, vleselijke verbindingen hebben;
- We verslaafd zijn aan bepaalde wereldse zaken;
- We met deze wereld verbonden zijn waarin de dood heerst;
- We met afgodische zaken verbonden zijn;
- We ons niet als met Christus aan de wereld gestorven gedragen.

Wie op de gave ziet dankt, wie naar de gever ziet lofprijst, aanbidt.