Snel zoeken:
Kindschap van God vanaf geboorte

Betreft: Kindschap van God vanaf geboorte

Vraag: Ben je pas een kind van God als je God in je leven hebt aangenomen of ben je dat al vanaf je geboorte als je in een christelijk gezin geboren bent? De oudste zoon van Lk 15 was toch ook een kind van de vader?!

Antwoord:
In Jh 1:10-12 vinden we het antwoord op deze vraag. We zien daar dat de (heiden)wereld Christus niet heeft gekend en de Zijnen (de Joden) Hem niet hebben aangenomen. Hopeloze toestand dus.
Vervolgens wordt gezegd, dat allen die Hem (wel) aangenomen hebben, van God de macht of het recht gekregen hebben om kinderen Gods te worden. Om elk misverstand te voorkomen wordt er bij gezegd:
a) dat dit niet berust op bloedverwantschap (denk aan KaÔn die net zo goed bloedverwant met Adam was als Abel);
b) dat het niet berust op de inspanning van het vlees, dus inspanning van de mens zoals hij van nature is (denk aan Abram die op vleselijke wijze IsmaŽl verwekte en meende dat God die wel zou accepteren);
c) dat het ook niet te forceren is door de wil van de man (denk aan Izašk die van plan was Ezau de aartsvaderlijke zegen te geven), maar....dat het alleen geldt voor hen die uit God geboren zijn .
Als geboorte uit christelijke ouders automatisch het kindschap Gods zou inhouden, zou dat betekenen, dat
1) alle kinderen in christelijke gezinnen geen wedergeboorte nodig zouden hebben (zie hiervoor Jh 3: 3, 5),
2) ze allen behouden zijn hoe ze zich ook gedragen want kinderen van God gaan immers niet meer verloren. Zie in dit verband echter: Rm 8:14-16; 9 7, 8; Gl 3: 7, 26.

De gelijkenis van de de verloren zoon wordt door de Heer verteld met het oog op de farizeeŽn die zich beter achten dan de tollenaars (zie Lk 15:1-3). De farizeeŽn worden voorgesteld door de oudste zoon, de tollenaars door de jongste. FarizeeŽn en tollenaars behoorden uiterlijk tot het volk van God. Ze hadden hun bestaan aan God te danken, in die zin was God hun vader, geestelijk gezien hadden ze echter geen van tweeŽn een band van kindschap met God. Zo was de oudste zoon net zo verloren als de jongste. Van de jongste zegt de vader: 'Deze mijn zoon was dood, maar is weder levend geworden'. Hierbij sluit Ef 2:1-5 aan wat onze positie als heidenen betreft. Overigens moeten we bij een gelijkenis vragen naar de hoofdstrekking en er geen betekenis inlezen over iets waar het in feite niet omgaat.