Snel zoeken:
Satan of de Heer?

1-Kronieken 21:1
Betreft: 1 Kr.21: 1 en 2 Sm.24: 1

Vraag:
In het ene geval wordt satan genoemd als degene die David aanzette het volk te tellen en in het ande de Heer Zelf. De tweede tekst zegt kennelijk wat anders dan de eerste. Ze zijn duidelijk met elkaar in tegenspraak.

Antwoord:
Zij die de Bijbel niet aanvaarden als het door Gods Geest ingegeven Woord van God grijpen tekstverschillen als deze aan om te bewijzen dat de Bijbel niet meer is dan een menselijk boek. Soms geroemd als een hoogstaand en eerbiedwaardig boek, maar wel vol fouten, vergissingen en tegenstrijdigheden.
Nu kunnen we zonder meer toegeven dat de Bijbeltekst hier en daar moeilijkheden oplevert. Wie echter vasthoudt aan de Bijbel als het onfeilbare Woord van God, en dat op goede gronden, zal in zulke gevallen zoeken naar een verklaring. Het is immers onmogelijk, dat de Bijbel met zichzelf in strijd zou zijn en dat God Zichzelf zou tegenspreken. Er zijn trouwens heel wat van die zogenaamd onoplosbare tegenstrijdigheden die zich heel eenvoudig laten verklaren. We beperken ons nu tot de genoemde Schriftgedeelten.
Er zijn bijbeluitleggers die menen dat het verschil verklaard moet worden uit het feit dat het verhaal uit 2 Samuel veel eerder te boek gesteld is dan dat uit 1 Kronieken. Er zou zich een zekere ontwikkeling in het theologisch denken van Israel hebben voltrokken. Professor Noordtzij schrijft: 'Oorspronkelijk werd het kwade door Israel in dezelfde zin en op dezelfde wijze als voorwerp van het Goddelijk willen gezien als het goede. Later zou men het aanstotelijk gevonden hebben het aanzetten tot kwaad aan God toe te schrijven en is men ertoe overgegaan dat aan satan toe te dichten.De leer betreffende de satan zou namelijk in een later stadium van Israels geschiedenis tot ontwikkeling zijn gekomen of in ieder geval beter uit de verf zijn gekomen. En uiteindelijk zou deze hele zienswijze haar bekroning hebben gevonden in de uitspraak van Jakobus in zijn brief: 'Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word door God verzocht. Want God kan niet verzocht worden door het kwade en Hijzelf verzoekt niemand'. Kortom het komt hierop neer, dat in 2 SamuŽl het oude en achterhaalde standpunt wordt weergegeven, waarbij de Heer alles doet, terwijl in 1 Kr 'de nieuwe inzichten' gevonden worden en de satan ten tonele wordt gevoerd.
Tegen deze verklaring zijn ernstige bedenkingen in te brengen. Het is, om te beginnen, niet vol te houden dat uitsluitend in een vroeg stadium van Israels geschiedenis de Heer getekend werd als Degene Die alles tot stand brengt en veroorzaakt. Immers ook in Js 45: 7 lezen we dat de Heere zegt: 'Ik ben de Heere en er is geen ander, die het licht formeer en de duisternis schep, die het heil bewerkt en het onheil schep; Ik, de Here, doe dit alles'. Van de profeet Jesaja zal men toch niet kunnen zeggen dat hij de opvatting van vroeger weergeeft. En zeker niet, als men aan een zogenaamde Deutero-Jesaja zou moeten denken, die de hoofdstukken 40 t/m 66 zou geschreven hebben en van wie men veronderstelt dat hij een onbekende profeet van na de terugkeer uit de ballingschap is! Een overigens verwerpelijke veronderstelling. Het is duidelijk dat we met de bovenvermelde verklaring niet verder komen.
In de hele Schrift en met name in het Oude Testament, is het God, Die alles doet. Hij alleen is God. Hij alleen regeert en Hij voert Zijn plannen uit. Tegenover de opvattingen van alle heidense volken om Israel heen, moest het aan Israel door openbaring duidelijk worden dat god, en Hij alleen, alle dingen in zijn hand heeft. Hij formeert het licht en schept duisternis. maar God laat in Zijn Woord ook zien dat Hij de absoluut Heilige is, die te rein van ogen is om het kwade te kunnen aanschouwen. Dat kwade heeft niet zijn oorsprong in God maar in satan. Maar ook dat kwade staat volkomen onder de regering van de souvereine God.
In 2 SamuŽl wordt het ons zo voorgesteld dat de volkstelling het gevolg is van de toorn des Heren tegen Israel en David wordt gebruikt om dat volk te kunnen kastijden. In 1 Kronieken 21 is datan degene die handelend optreedt. Hij staat tegen Israel op en zet David aan om het volk te tellen. Elk van deze teksten druk een zijde van de waarheid uit. Satan heeft de hoogmoed in het hart van koning David gebruikt om hem tot zonde te verleiden. In dat opzicht betoonde satan zich een vijand van David en van israel, maar ook een vijand van God. Juist omdat satan een vijand van God is, de grote tegenstander, is hij ook de tegenstander van het volk van God en van Gods dienstknecht David. Daarom zet hij David op om het volk te tellen. Maar al is satan machtig en al weet hij veel, hij is niet almachtig en niet alwetend. Zonder het te weten is satan dikwijls een instrument in de hand van God en voert hij Gods raad uit. Satans toeleg is de vervulling van Gods plannen met Zijn volk te verhinderen, maar God voert door alles heen zijn plannen uit en bedient Zich zelfs van de aktiviteiten van satan om zijn doel te bereiken.
We moeten niet vergeten dat er uitdrukkelijk gezegd wordt dat Gods toorn ontstoken was tegen Israel en niet gen David. Het volk had gezondigd tegen de Heere. En hij wilde het volk kastijden door het oordeel over hen te brengen. En waar satan David tot hoogmoed verleidde, gebruikte God dat tot een straf voor het ongehoorzame volk. Als David, de vertegenwoordiger van dat volk, staande was gebleven in de verzoeking die tot hem kwam, zou het oordeel in ieder geval niet op deze wijze zijn gekomen.
Dit neemt natuurlijk niet weg dat David persoonlijk verantwoordelijk was voor zijn daden (vgl. Jes.10: 5-11). Hij had niet moeten luisteren naar de stem van de boze. Joab was deze keer wijzer dan hij. Dat David zich ten volle verantwoordleijk wist voor alles wat er gebeurd was, blijkt duidelijk uit zijn eigen woorden in 1 Kron.21: 7 'was ik het niet die beval gaf het volk te tellen? Ja, ik ben het, die gezondigd heb en zeer verkeerd gehandeld heb ..'.
David nam de schuld geheel op zich en verschuilde zich niet achter satan en nog veel minder achter God. David wist van de hele problematiek waarmee we ons nu bezig houden kennelijk niets. Hij kon daar ook niets van weten. Hij had alleen te maken met zijn eigen verantwoordelijkheid en zijn eigen schuld tegenover de Heilige God. Wij echter, die deze gebeurtenis geschreven vinden in het Woord van God mogen een blik achter de schermen werpen. En dan zien we hoe God Zijn doel bereikt dwars door de zonden van koning en volk heen en hoe zelfs satan, de grote tegenstander, door God gebruikt wordt om dienstbaar te zijn aan dat doel. We vinden iets dergelijks in de geschiedenis van Job. Het is satan die Job aangrijpt, maar het blijkt dat God hem grenzen heeft gesteld en dat satan alleen handelen kan binnen de grenzen door God bepaald. Ook in het geval van Job moet satan ondanks alles meewerken aan Gods doeleinden.

Natuurlijk roept dit vragen bij ons op betreffende het Godsbestuur in de wereld. Die vragen kunnen wij mensen maar ten dele beantwoorden. Wie zijn wij, dat wij Gods doen zouden willen begrijpen en verklaren? Ondoorgrondelijk zijn immers zijn oordelen en onnaspeurlijk zijn wegen (Rom.11: 33)!
Ons verstandelijk redenen dat de Schriftgegevens wil samenvatten in een logisch sluitend systeem, schiet telkens weer tekort. God is niet na te rekenen en te begrijpen! Als dat wel zo was zou Hij niet God zijn.
Wie kan het begrijpen dat God Zich zelfs wil bedienen van satan? Hier blijft ons niets anders over dan vast te stellen dat de Heilige Schrift over een en dezelfde zaak op verschillende wijze spreken kan en dat die totaal verschillende uitspraken, hoewel schijnbaar met elkaar in tegenspraak toch ieder voor zichzelf waar zijn en beide een aspect van de waarheid uitdrukken. Bovendien, al begrijpen wij niet alles, dat behoeft ons niet te verontrusten. We zullen nooit op alle verstandsvragen een bevredigend antwoord kunnen vinden. Trouwens niet daardoor bewijst men onfeilbaarheid van de Heilige Schrift. Dat zou een zuiver verstandelijke oplossing zijn, die nauwelijks ruimete laat voor het geloof. De Bijbel is niet Gods Woord omdat we alles daarin verstandelijk kunnen verklaren. We moeten niet beginnen en eindigen met over de Schrift te redeneren maar er eerbiedig naar luisteren.