Snel zoeken:
De schrijver van het vierde evangelie

Johannes 
Betreft: De schrijver van het vierde Evangelie.

Vraag:
Staat het vast dat Johannes de schrijver van het vierde evangelie is?

Antwoord: (overgenomen uit de Korte Verklaring)
De schrijver van het vierde Evangelie noemt nergens zijn naam. Hij vermijdt angstvallig, over zichzelf te spreken. Wel doet hij dat een enkele maal, 1: 14,16, maar dan gaat hij nog schuil in de grote kring der gemeente, zodat hij onmogelijk te herkennen is. Hij hult zich steeds in het kleed der anonimiteit.
Vooral daardoor is vaak getwist over de schrijver. En dat het de apostel Johannes is, wordt nog heden door velen betwist.
Sedert meer dan honderd jaar wordt hierover een felle strijd gevoerd.
Een onoverzienbare stroom van geschriften is ontstaan over het z.g. JohanneÔsche probleem, door een Duits theoloog genoemd het hoofdprobleem der Schriftkritiek.
De theologen ter linkerzijde bestrijden de vervaardiging door de apostel Johannes door te beweren, dat de oud-christelijke traditie op dit punt zeer laat, niet algemeen, en met zichzelf in tegenspraak is;
en in de tweede plaats door de bewering, dat het Evangelie zelf, aandachtig bestudeerd, deze apostolische oorsprong verbiedt aan te nemen. De schrijver zou dan of de Presbyter Johannes zijn (waarover later) of een ander, onbekend theoloog uit de eerste helft van de tweede eeuw, uit de kring van de gemeente in Klein-AziŽ, of misschien onder invloed van de Alexandrijnse filosofie.
De gronden, waarop deze kritiek haar beweringen bouwt, zijn echter ten ene male onhoudbaar.
In de eerste plaats kan worden gezegd, dat de oud-Christelijke traditie eenstemmig de apostel Johannes aanwijst als de schrijver van het vierde Evangelie. Een paar van de eerste en oudste getuigen mogen hier worden genoemd.
Papias, bisschop van HiŽrapolis in Klein-AziŽ, leerling en hoorder van Johannes, schreef ongeveer 125 na Chr., dat Johannes nog bij zijn leven zijn evangelie heeft geschreven en aan de Kerken gegeven.
Omstreeks het jaar 135 hield Justinus in Efeze met de Jood Tryphon een later door hem opgetekend twistgesprek, waarin hij de EvangeliŽn gedenkschriften der apostelen noemt, en dus ook het vierde Evangelie aan een apostel toekent.

Een lijst van verschillende boeken van het N. T., de zg. Kanon Maratori, aan het eind der tweede eeuw in Rome geschreven. zegt dat het vierde evangelie geschreven is door Johannes, een der discipelen.
Irenaeus van Lyon schreef ongeveer 180:
'Daarna heeft Johannes, de discipel des Heren, die ook aan Zijn borst lag, eveneens zijn evangelie uitgegeven'.
En omstreeks die zelfde tijd schreef Clemens van AlexandriŽ: 'het laatste van allen heeft Johannes geschreven.
In de kerken van Egypte, Afrika, Rome en Klein-AziŽ schreef men dus eenstemmig het vierde evangelie aan de apostel Johannes toe. Zij, die zo oordeelden, waren de mannen van de tweede generatie.
En deze grondden hun oordeel weer op de mannen van de eerste generatie. De lijn van de traditie loopt van Johannes tot aan het einde van de tweede eeuw onafgebroken door.
Dit getuigenis van de oud-christelijke overlevering wordt bevestigd door wat we in het evangelie zelf vinden.
Wel noemt de schrijver nergens zijn naam. Maar uit zijn evangelie is toch een en ander aangaande hem op te maken. De mening, dat het evangelie een Grieks produkt zou zijn, stuit ten ene male af op het onmiskenbare Joodse aspekt.
Zijn Grieks toont de geboren jood, die het Grieks als een vreemde taal heeft geleerd. Den klassieke Griekse zinsbouw gebruikt hij niet.
Zijn stijl, zijn wijze van voorstelling, zijn vele HebraÔsmen wijzen op een joods auteur, zoals tegenwoordig vrij algemeen wordt erkend, ook door mannen, die beslist ontkennen, dat Johannes de schrijver is.
En de schrijver is geen Jood uit de diaspora, maar een inwoner, althans van vroeger, van Palestina.
Hij is zo volkomen op de hoogte met plaatsen en toestanden in Palestina, dat hij niet anders dan een Palestijnse Jood kan zijn (zie 2: 6,14; 4: 5; 5: 2,9; 6: 1,3; 7: 2,37; 10: 23; 11: 54,55; 18: 1, 28; 19: 13, 31, 40 en 42).
Verder is de schrijver een ooggetuige, Hij zegt dit zelf: 1.14; 19: 35; 21: 24. Hetzelfde zegt hij ook in 1Jh.1: 1-3.
In 1: 14 bedoelt hij niet een geestelijk zien. Want tijdsvorm van het Griekse werkwoord, dat hij daar gebruikt, wijst aan, dat hij aan bepaalde gebeurtenissen denkt.
En de aangehaalde plaats uit zijn eerste brief, een nadere verklaring van 1: 14, sluit zulk een geestelijke verklaring ten ene male uit.
Dit eigen getuigenis wordt door verschillende plaatsen van het evangelie onopzettelijk bevestigd, waar men de indruk van een ooggetuige ontvangt:
Joh: 1: 35-51; 3: 22-26; 4: 27,28; 6: 10; 9: 1; 20: 1-4.
Van verschillende zijde wordt echter bestreden, dat het vierde evangelie door een ooggetuige is geschreven. Zo zegt men, dat de schrijver de Synoptische EvangeliŽn heeft geraadpleegd, schriftelijke bronnen dus, wat toch voor een ooggetuige niet nodig was geweest.
Maar zoals later zal worden betoogd, staat de schrijver tegenover zijn bronnen geheel onafhankelijk, geeft hij vaak aanvulling, die verhelderend licht werpt op een in de Synoptische EvangeliŽn verhaalde gebeurtenis.
Verder is er op gewezen, dat naar Johannes het raam van Jezus' openbaar leven anders is, dan de eerste evangeliŽn ons mededelen. Nu is dat verschil tussen Joh. en de Synoptische EvangeliŽn aanstonds weer een bewijs, dat hij van schriftelijke bronnen niet, zoals men beweert, afhankelijk is.
En deze tweeŽrlei geschiedschrijving is volstrekt niet tegenstrijdig.
Ze ontstond, doordat in de eerste evangeliŽn de arbeid van de Heer in Galilea, in Joh. zijn optreden in Judea op de voorgrond treedt.

Uit het vierde evangelie blijkt voorts, dat de schrijver is:
de discipel, dien Jezus liefhad,van wie vijfmaal wordt gesproken: Jh.13: 23.
19: 26; 20: 2; 21: 7 en 20.
Deze wordt in 21: 24 uitdrukkelijk de schrijver genoemd: Dit is de discipel, die aangaande deze dingen getuigt en die deze dingen geschreven heeft.
Daarmee wordt niet gedoeld op het verhaalde in hoofdstuk 21 alleen, maar op het gehele evangelie, ook blijkens vs.25, welk vers terugziet op het gehele boek.
Over de persoon van deze discipel, die Jezus liefhad, is veel getwist, sommige theologen houden hem niet voor een persoon van vlees en bloed, volgens hen heeft hij nooit bestaan, maar is hij de verpersoonlijking van de idealen discipel van Jezus, de volmaakte Christen.
Deze personificatie is echter ten ene male in strijd met Mt 26: 20, volgens hetwelk hij een van de twaalf apostelen moet zijn geweest.
Allerlei gissingen zijn aangaande hem gemaakt. Hij moet in elk geval in bijzondere relatie hebben gestaan tot Jezus.
Daarom zijn genoemd NathanaŽl, een IsraŽliet, in wien geen bedrog was, 1: 47; Lazarus, die Jezus liefhad, 11: 5;
Aristion geÔdentificeerd met de rijke jongeling, die Jezus beminde, Markus10: 21; Johannes Markus; en zelfs Judas, omdat deze de plannen van zijn Meester, naar Gethsťmanť te gaan, wist.
Gelijk boven is gezegd, moet hij een van de twaalf apostelen zijn geweest. Blijkens 21: 1 en 2 was hij een visser. Vaak ontmoeten we hem in gezelschap van Petrus, met wie hij in een adem wordt genoemd: Jh. 13: 23,24; 20: 2;
21: 20.
In de Synoptische EvangeliŽn vinden we vaak samen het drietal: Petrus, Jakobus en Johannes. Matth.17: 1; Luk.8: 51; Matth.26: 37.
Voor de hand ligt nu om te denken, dat de discipel, die Jezus liefhad, een van de twee zonen van Zebedeus was. Jakobus kan het echter niet zijn geweest
daar deze reeds in 44 door Herodes Agrippa 1 werd gedood, en dus de schrijver van het vierde Evangelie niet kan zijn.
Slechts Johannes, de zoon van Zebedeus, kan de bijzondere geliefde discipel en de schrijver van ons evangelie zijn.
Als hij de schrijver is, wordt ook tegelijk het anders moeilijk te verklaren verschijnsel, dat nog hij, noch zijn familie ergens in dit evangelie met name worden genoemd.
In de Synoptische EvangeliŽn daarentegen wordt hij vaak genoemd evenals zijn broeder Jakobus, zijn vader Zebedeus, Matth. 4: 21; 10: 2; Mark.10: 35, en zijn moeder, zelfs met name, Mark.15: 40; 16: 1; vgl. Matth.27: 56.
Van al deze namen komt echter in het vierde Evangelie slechts eenmaal die van de vader voor, 21: 2, omdat die daar niet te vermijden was.

Zo houdt Joh. zich op de achtergrond en hult zich in de sluier van de anonimiteit, opdat hij ook niet het allerminste de aandacht van Jezus aftrekke op zich.
Van meet af aan is er in de discipelkring een ongenoemde, Joh.1: 35 en 42. Later vinden we hem weer in de discipel, die Jezus liefhad.
Zijn naam kan niet uit onbekendheid verzwegen zijn. Er schuilt een doel in dit verzwijgen van de geliefde discipel, de gehele familie Zebedeus, en de discipel van Joh.1: 35.
Dat doel is wel duidelijk: Johannes, de zoon van Zebedeus, de discipel, die Jezus liefhad, is de schrijver en wil zich niet op de voorgrond plaatsen, opdat zo Jezus in het middelpunt sta, en niet de oude, in de gemeenten hooggeŽerde apostel.
Tegen dit getuigenis van de traditie en van het Evangelie zelf, dat de apostel Johannes de schrijver is, wordt in de regel nog een ander argument aangevoerd.
Men meent, dat er volgens de oude traditie twee Johannessen hebben geleefd, de apostel en een presbyter in Efeze, die later leefde en dan misschien de schrijver zou zijn. De oudste traditie kent echter slechts een Johannes in Efeze, namelijk de apostel.
De onderscheiding tussen hem en de presbyter komt het eerst voor in het midden van de derde eeuw en is vooral door de kerkvader Eusebius ijverig gepropageerd. En heden is deze onderscheiding door velen overgenomen, om aan de apostel Johannes het auteurschap van het vierde evangelie te betwisten.
Het is echter wel zeker, dat de mening van Eusebius op een vergissing berust, op verkeerd lezen van een geschrift van Papias. Het is, zoals een Duits geleerde zegt: als men de beide Johannessen in hun graf te Efeze legt, zal er toch slechts een in liggen.